Auteur: admin

180 uur werkstraf voor belastingadviseur die vele onjuiste aangiften inkomstenbelasting voor zijn cliënten indiende

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij van 2012 tot en met 2015 op grote schaal onjuiste en valse belastingaangiftes heeft ingediend voor meerdere personen.

Verdachte heeft sinds 1995 een eenmanszaak en verricht werkzaamheden op het gebied van financiële dienstverlening met betrekking tot schadeverzekeringen, levensverzekeringen en hypothecair- en consumptief krediet. Verdachte heeft ook veelvuldig voor zijn cliënten aangiften inkomstenbelasting ingediend. Verdachte had geen beconnummer, maar deed de aangiften in het bijzijn van zijn cliënten en met hun DigiD-gegevens. Verdachte deed de aangiften in de regel thuis, maar maakte met behulp van VPN gebruik van verschillende IP-adressen.

Verdachte heeft volgens de Rechtbank jarenlang op grote schaal namens zijn cliënten onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend. De clientèle van verdachte bestond uit kwetsbare personen, die niet of nauwelijks iets wisten van belastingen en aftrekposten. Deze mensen klopten zonder enige kennis van zaken bij verdachte aan om hun belastingaangifte conform de regels in te dienen. Deze mensen hadden het vertrouwen in verdachte dat hij dat goed zou doen. Nu verdachte toch kosten opvoerde die hij niet mocht opvoeren, heeft hij het vertrouwen dat zijn cliënten in hem hadden geschaad. De Rechtbank vindt dit met name verwijtbaar, omdat verdachte zichzelf presenteerde als deskundig financieel adviseur met kennis van zaken. Verdachte blijft volgens de Rechtbank maar vasthouden aan de eigen verantwoordelijkheid van zijn cliënten voor de juistheid van de aangiften. De Rechtbank vindt dit onbegrijpelijk en die opstelling siert verdachte dan ook allerminst.

Door het ten onrechte opvoeren van kostenposten is naar het oordeel van de Rechtbank aanvankelijk een te laag bedrag aan belasting geheven. De totale correctie op de opgegeven aftrekposten van de bewezenverklaarde aangiften bedraagt volgens de Rechtbank € 13.160. Over dit bedrag moeten de belastingplichtigen alsnog inkomstenbelasting betalen. Het is naar het oordeel van de Rechtbank bijzonder vervelend en hinderlijk voor de belastingplichtigen dat zij dit bedrag achteraf moeten terugbetalen, te meer nu de naheffing meestal een paar jaar later wordt ontvangen en de belastingplichtigen het bedrag dat ten onrechte werd teruggekregen dan doorgaans al hebben uitgegeven. Verdachte heeft zich blijkbaar niet bekommerd om dit gevolg. Met zijn werkzaamheden verdiende verdachte € 80 per aangifte, dat contant werd ontvangen en waarvoor geen factuur werd verstrekt. Het lijkt er volgens de Rechtbank op dat verdachte met zijn handelen vooral zijn eigen financiële belang in het vizier had.

Verdachte moet volgens de Rechtbank als professional weten dat de Belastingdienst de ingediende aangiften inkomstenbelasting niet ieder jaar nauwgezet controleert. Er worden jaarlijks miljoenen aangiften ingediend. De Belastingdienst heeft volgens de Rechtbank simpelweg niet de capaciteit om die allemaal te controleren. Wetende dat de Belastingdienst steekproefsgewijs controleert, dient hij vanuit zijn professionele hoedanigheid niet alleen in te staan voor het op de juiste wijze doen van aangiften voor zijn cliënten, maar moeten de Belastingdienst en de maatschappij erop kunnen vertrouwen dat hij geen misbruikt maakt van zijn kennis.

Al met al acht de Rechtbank een werkstraf van 190 uur een passende straf. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn past de Rechtbank daarop een korting van 5% toe, en legt een werkstraf op van 180 uur.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:5532

Vergrijpboetes voor dga wegens het niet opgegeven van verkregen voordeel uit vennootschappen in aangiften inkomstenbelasting

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2007, 2008, 2009 en 2011 opgelegd, en voor het jaar 2010 is een definitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Ook zijn vergrijpboetes opgelegd.

Belanghebbende is enig aandeelhouder van X BV. X BV is tot 11 september 2008 enig aandeelhouder van Y BV en van Z BV. Deze werkmaatschappijen verrichten asbestsanering- en sloopwerkzaamheden. In 2013 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden voor de jaren 2007 tot en met 2011. Hieruit is naar voren gekomen dat er facturen in de administratie van belanghebbende voorkwamen waarvan de zakelijkheid twijfelachtig was.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij belanghebbende (voorwaardelijk) opzet verwijt omdat belanghebbende zich bewust heeft laten bevoordelen, door onder meer bewust uitgaven voor privébestedingen te laten boeken in zijn vennootschappen en door facturen van de vennootschappen betreffende werkzaamheden aan privé-eigendommen niet in rekening te brengen bij belanghebbende. Als directeur-grootaandeelhouder wist belanghebbende dat hij voordelen die hij verkrijgt uit zijn vennootschappen moest verantwoorden in zijn aangiften inkomstenbelasting. Door deze voordelen niet aan te geven wist belanghebbende dat er te weinig belasting zou worden geheven, dan wel dat de kans bestond dat te weinig belasting zou worden geheven.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft bewezen dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Een boete van 50% acht de Rechtbank in beginsel op zijn plaats.

De inspecteur heeft de boetes reeds verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn en nog eens met 20% wegens samenloop. De Rechtbank ziet geen reden de vergrijpboetes procentueel verder te matigen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:6550

 

Winstcorrecties en vergrijpboetes wegens fraude bij gastouderbureau

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting met vergrijpboetes opgelegd.

Naar aanleiding van signalen van de GGD heeft de Belastingdienst een controle ingesteld bij een gastouderbureau. Het gastouderbureau stond van november 2010 tot januari 2014 op naam van de dochter van belanghebbende. Vervolgens is de FIOD naar aanleiding van deze controle in 2014 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder andere belanghebbende in verband met mogelijke fraude bij het gastouderbureau.

Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat doorgaans door belanghebbende of met behulp van belanghebbende onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag (KOT) werden ingediend, waarbij te veel aan opvanguren werd opgevoerd of waarbij ten aanzien van één of meerdere kinderen in het geheel geen opvang werd genoten. Belanghebbende is bij onherroepelijk vonnis strafrechtelijk veroordeeld voor onder andere het medeplegen van oplichting van de belastingdienst en het medeplegen van valsheid in geschrifte.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek heeft de inspecteur navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren aanzienlijke bedragen aan winst uit onderneming heeft genoten, dat hij wist dat hij die inkomsten moest aangeven en dat hij door deze inkomsten ten onrechte niet in zijn aangiften over de jaren 2012 en 2013 op te nemen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem in de jaren 2012 en 2013 te weinig belasting is geheven.

Het gehanteerde boetepercentage van 50% acht de Rechtbank in overeenstemming met de ernst van het vergrijp en uit een oogpunt van normhandhaving passend en geboden. Wel matigt de Rechtbank de vergrijpboete met 20%, omdat de navorderingsaanslag met toepassing van omkering van de bewijslast is vastgesteld. Voorts ziet de Rechtbank aanleiding om de vergrijpboetes ambtshalve verder te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:9039

 

HvJ EU: ondanks (latere) tegenstrijdige conclusies over certificaten van oorsprong mocht EC een verzoek om kwijtschelding afwijzen

In de periode tussen 10 december 1999 en 10 juni 2002 heeft belanghebbende linnen ingevoerd in de EU via Duitsland en heeft belanghebbende daarbij de preferentiële oorsprong Letland opgegeven. Toentertijd was Letland nog geen lid van de EU. Belanghebbende baseerde zich voor de aangifte op certificaten afgegeven door de Letse autoriteiten. Nadat de Deense autoriteiten fraude signaleerden m.b.t. invoer uit Letland, is OLAF een onderzoek gestart.

De Duitse douaneautoriteiten zijn vervolgens eveneens een onderzoek gestart en verzochten de Letse autoriteiten de authenticiteit van de certificaten te verifiëren. De Letse autoriteiten gaven aan dat de certificaten niet waren ingeschreven in het register van de douane en als ongeldig beschouwd moeten worden. Uit onderzoek van OLAF kwam naar voren dat de stempelafdrukken en de handtekeningen van enkele certificaten afgegeven voor invoer in Denemarken waarschijnlijk wel echt waren. Dat staat haaks op de bevindingen van de Letse autoriteiten en daarom mocht de Europese Commissie – volgens belanghebbende – niet vertrouwen op de andersluidende conclusie van de Letse autoriteiten. Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek tot kwijtschelding van de rechten bij invoer op grond van art. 239 CDW ingediend. Voor kwijtschelding moet er sprake zijn van een bijzondere situatie. Ook dient klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende te ontbreken.

Het verzoek om kwijtschelding werd afgewezen door de EC. De EC kwam tot de conclusie dat er geen sprake was van een bijzondere situatie in de zin van art. 239 CDW. Met name zou bewijs ontbreken dat de Letse autoriteiten hadden meegewerkt aan het verstrekken van de certificaten. Ook zou belanghebbende niet de vereiste zorgvuldigheid hebben betracht.

Belanghebbende kan zich niet vinden in het besluit van de EC en maakt de zaak aanhangig bij het Gerecht EU (zaak T-752/14), waarbij het Gerecht EU het besluit van de EC nietig verklaart. Het Gerecht stelt o.a. dat de EC meer onderzoek had moeten verrichten en zich niet enkel op de verklaringen van de Letse autoriteiten had moeten baseren alvorens een besluit te nemen. Deze taak vloeit in de ogen van het Gerecht voort uit het associatieverdrag tussen de EU en Letland waaraan op dat moment door de EC uitvoering aan werd gegeven. De zaak wordt vervolgens door de EC door middel van een hogere voorziening voor het HvJ EU gebracht (C-574/17). Het HvJ EU komt (weer) tot een andere uitleg van de verplichtingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst. Het systeem van samenwerking is gebaseerd op vertrouwen in de resultaten van de controle achteraf in het land van uitvoer. De EC was dus in beginsel verplicht zich te baseren op de conclusies van de Letse douaneautoriteiten over de certificaten. Daarmee wordt het beroep op kwijtschelding (uiteindelijk) afgewezen.

HvJ EU 25 juli 2018 C-574/17, ECLI:EU:C:2018:598

 

Accountant is tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor werkzaamheden die hun oorsprong vinden in de opdrachtbevestiging

Betrokkene is werkzaam als accountants-administratieconsulent en is als eigenaar/beleidsbepaler verbonden aan accountantskantoor [C]. Klaagsters zijn vier verschillende ondernemingen en een natuurlijk persoon. Op 6 juli 2011 heeft betrokkene een opdrachtbevestiging ondertekend ten behoeve van klaagsters (1) en (4) voor (onder meer) het samenstellen van jaarrekeningen en het doen van fiscale aangiften. Daarin is onder meer opgenomen dat [D] als relatiebeheerder zal fungeren. Ten aanzien van de overige klaagsters zijn eveneens werkzaamheden verricht, zonder dat daarvoor schriftelijke opdrachtbevestigingen zijn opgesteld.

Klaagsters dienen een omvangrijke klacht in bij de Accountantskamer. In geschil is onder meer de vraag of betrokkene tuchtrechtelijk kan worden aangesproken voor werkzaamheden waarbij hij feitelijk niet betrokken was. Betrokkene stelt in dit verband dat hij ten behoeve van klaagsters uitsluitend eindverantwoordelijk was voor het samenstellen van de jaarrekeningen zoals vermeld in de opdrachtbevestiging. Alle overige ten behoeve van klaagsters verrichte werkzaamheden zijn door [E], een belastingadviseur of de onder zijn verantwoordelijkheid werkende [D], uitgevoerd.

De Accountantskamer is van oordeel dat klaagsters onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene feitelijk betrokken is geweest bij andere werkzaamheden dan die met betrekking tot het samenstellen van de jaarrekeningen. De vraag is vervolgens of betrokkene desalniettemin tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de andere werkzaamheden. Van de zijde van betrokkene is op de zitting verklaard dat de overige (niet-samenstel) werkzaamheden zijn ontstaan uit de opdracht die er was en dat [D] en [E] hebben gewerkt op basis van die opdrachtbevestiging. De Accountantskamer is van oordeel dat deze werkzaamheden hun oorsprong vinden in de aan betrokkene verstrekte opdracht, waarvoor kennis en vaardigheden van de accountant vereist zijn, zodat betrokkene voor deze werkzaamheden, voor zover verricht door [D], tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Dit geldt te meer nu [D] en betrokkene gezamenlijk de samenstelwerkzaamheden verrichtten voor klaagsters en er stukken met vermelding van het logo van het accountantskantoor werden verzonden. De Accountantskamer volgt betrokkene wel in zijn stelling dat de werkzaamheden van [E] niet onder de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van betrokkene vallen. [E] kan daarvoor immers zelf tuchtrechtelijk worden aangesproken.

Inhoudelijk overweegt de Accountantskamer onder meer dat betrokkene een aantal verwijten niet heeft weersproken zodat van de juistheid van deze stellingen van klaagsters dient te worden uitgegaan. In zoverre worden die klachtonderdelen gegrond verklaard.

Ten aanzien van de klacht dat klaagsters een bedrijfseconomisch onjuiste beslissing hebben genomen en dat betrokkene hen daar onvoldoende voor heeft gewaarschuwd, dan wel hun dat niet heeft afgeraden, stelt de Accountantskamer voorop dat het aangaan van een (bepaald soort) financiering een beslissing is van de ondernemer. In dit licht hebben klaagsters ten aanzien van de leningen voor het overgrote deel van deze klachtonderdelen niet aannemelijk gemaakt, dat betrokkene daarvoor tuchtrechtelijk is aan te spreken. De Accountantskamer maakt hierbij een uitzondering inzake de risico’s van de lening door middel van crowdfunding, omdat [D] bij het aangaan van deze lening betrokken is geweest. Nu ook de in verband met de lening door [D] uitgevoerde werkzaamheden voortvloeien uit de opdrachtbevestiging en advisering over financiering op het accountancy terrein ligt, is betrokkene ook voor deze werkzaamheden tuchtrechtelijk verantwoordelijk. Verder is aannemelijk geworden dat aan klaagsters, die blijkens de overgelegde jaarrekeningen en aangiften inkomstenbelasting behoudens een bescheiden financiering van de woning, niet eerder grote sommen geld hadden geleend, onvoldoende advies is gegeven. Uit de op een accountant rustende zorgplicht vloeit voort dat hij de risico’s benoemt die zijn verbonden aan het aangaan van een overeenkomst van geldlening. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval voor klaagster (5) geldt, de cliënt zich in privé borg dient te stellen voor de terugbetaling van de lening. Nu klaagsters door [D]/betrokkene onvoldoende zijn gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan de overeenkomsten van geldlening en borgstelling, is sprake van schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zodat dit klachtonderdeel eveneens gegrond is.

Verder oordeelt de Accountantskamer dat betrokkene voorafgaand aan en met het oog op de uitvoering van de opdrachten tot het samenstellen van de jaarrekeningen, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen persoonlijk contact met (de vertegenwoordigers van) klaagsters te hebben gehad. De overige klachten worden ongegrond verklaard.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij is meegewogen dat betrokkene op meerdere punten het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Daarnaast heeft de Accountantskamer mede in aanmerking genomen dat betrokkene ter zitting niet de indruk heeft kunnen wegnemen dat hij zich tegenover klaagsters voor zijn verantwoordelijkheid voor de voor klaagsters verrichte werkzaamheden heeft willen verschuilen. De Accountantskamer acht dit des te kwalijker, nu betrokkene tevens beleidsbepaler is binnen de accountantsorganisatie en uit dien hoofde een voorbeeldfunctie heeft binnen de organisatie. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer 27 juni 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:57

 

Waarschuwing voor tekortkomingen in rapportage en het uitoefenen van druk op de klager om geen tuchtklacht in te dienen

Klager en [BV2] zijn verwikkeld geraakt in een juridische procedure waarbij [BV2] is veroordeeld tot betaling van € 31.225,26 aan klager. [BV2] heeft betrokkene, een accountant-administratieconsulent, de opdracht gegeven de balansgegevens te onderzoeken. Uit het rapport van betrokkene over de balansgegevens van [BV2] blijkt dat [BV2] er financieel slecht voorstaat. Klager heeft bij de Rechtbank een verzoek ingediend om [BV2] failliet te laten verklaren. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat er te veel onduidelijkheid was over de omvang van de vordering.

Klager stelt dat het rapport van betrokkene over de balansgegevens van [BV 2] niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast zou betrokkene zich niet toetsbaar hebben opgesteld en tegenover klager hebben gedreigd met verhaal van kosten in verband met onderhavige tuchtklacht.

De Accountantskamer acht de klachten van klager over het rapport grotendeels gegrond. De voorschriften uit paragraaf 18 van Standaard 4400 zijn op veel onderdelen geschonden, hetgeen betrokkene ook deels heeft toegegeven op zitting.

Ten aanzien van de vraag of betrokkene op klager ontoelaatbare druk heeft uitgeoefend om geen tuchtklacht in te dienen, zijn de volgende twee passages uit twee namens betrokkene opgestelde brieven van belang:

“In geval u ervoor kiest in de tussentijd zich toch te wenden tot de Accountantskamer dan houd ik u op voorhand namens cliënt persoonlijk aansprakelijk voor de kosten die gepaard zullen gaan met het aldaar te voeren verweer.”

“Tot slot wat betreft de aansprakelijkheidstelling. Cliënt houdt zich onverkort het recht voor de handelwijze van de curator in dezen te laten beoordelen en al zijn kosten op hem te verhalen.”

De Accountantskamer stelt voorop dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant dient zich dan ook te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen. Betrokkene is van mening dat juist klager door zijn handelwijze dreigend heeft opgetreden en dat de aansprakelijkstelling door betrokkene daarop zag en niet op het indienen van een tuchtklacht. De Accountantskamer overweegt dat, wat er ook zij van de bedoeling van betrokkene, klager de hiervoor geciteerde passages van betrokkene heeft kunnen opvatten als het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht in te dienen. Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij wist dat zijn raadsman klager namens hem aansprakelijk zou stellen. Door die betrokkenheid bij de gewraakte passages, heeft betrokkene gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep (artikel 42 lid 1 sub b Wab). De klacht is dan ook gegrond.

Bij de keuze voor de tuchtrechtelijke maatregel heeft de Accountantskamer enerzijds de aard en de ernst van de verzuimen laten meewegen. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene ten aanzien van de verklaring zijn fouten heeft toegegeven, dat hij ter zitting heeft doen blijken inzicht te hebben in het verwijtbare karakter van zijn eigen handelen en heeft verklaard lering te hebben getrokken uit de gang van zaken. Daarnaast heeft de Accountantskamer geen opzet bij betrokkene geconstateerd ten aanzien van de desbetreffende verklaring. Ten slotte heeft de Accountantskamer meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Gelet op voorgaande acht de Accountantskamer een waarschuwing een passende en geboden maatregel.

De Accountantskamer 23 juli 2018 ECLI:NL:TACAKN:2018:56

 

AFM geeft nadere invulling aan de herziene Wwft in herschreven leidraad

Op 25 juli 2018 is de herziene Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) in werking getreden. De inwerkingtreding van de herziene Wwft diende ter implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn. De Wwft is op verschillende onderdelen aangescherpt. Belangrijke wijzigingen zijn de aanpassing van de definitie van de ultimate beneficial owner (UBO) en het feit dat geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse politically-exposed persons (PEP’s). Daarnaast wordt de inrichting van een compliance- en auditfunctie verplicht, wanneer dit evenredig is aan de aard en omvang van de onderneming.

In de herschreven Leidraad Wwft, Wwft BES en Sanctiewet 1977 geeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) nadere duiding aan de vereisten van de Wwft. De Leidraad biedt instellingen handvatten voor het uitvoeren van het cliëntenonderzoek en geeft voorbeelden van risico’s op witwassen en terrorismefinanciering waar instellingen op moeten letten bij de beoordeling van de cliënt en de transacties van de cliënt.

In de Leidraad worden de wijzigingen van de Wwft toegelicht, voor zover deze relevant zijn voor de instellingen onder het toezicht van de AFM. In de Leidraad wordt per onderwerp aangegeven wat er door de herziening van de Wwft is veranderd. Ook is er sectorspecifieke guidance aan de leidraad toegevoegd, waarin voorbeelden worden gegeven van witwas- en terrorismefinancieringsrisico’s.

Verder is op de website van de AFM aangegeven dat naar aanleiding van de herziening van de wet de AFM de veelgestelde vragen op haar website heeft aangevuld en aangepast. Daarbij zijn ook voorbeelden van ongebruikelijke transacties beschreven. De AFM merkt op dat zij verwacht dat instellingen direct in actie komen en hun beleid en processen aanpassen aan de veranderde eisen en daarbij hun cliëntendossier aanpassen en aanvullen.

https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/nieuws/2018/juli/leidraad-herziene-wwft

Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden wegens het doen van 25 valse aangiften inkomstenbelasting voor vijf klanten

Aan verdachte wordt onder meer tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het op naam van een aantal anderen, opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 c.q. het valselijk opmaken daarvan.

Verdachte is in 1992/1993 begonnen met een financieel- en belastingadviesbureau in de vorm van eenmanszaak. Vanaf 1999 heeft verdachte samen met zijn echtgenote het adviesbureau voortgezet in een vennootschap onder firma, onder de naam “bedrijf X VOF”. De activiteiten van de VOF bestonden onder meer uit het doen van aangiften inkomstenbelasting voor particuliere klanten.

De Rechtbank oordeelt dat verdachte in het kader van zijn onderneming “bedrijf X VOF” voor een vijftal belastingplichtigen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 valselijk heeft opgemaakt. Het betreft in totaal 25 aangiften waarin verdachte – zonder medeweten van de betreffende belastingplichtigen – ten onrechte giften en zorg- en studiekosten in aftrek heeft gebracht. De Rechtbank berekent het belastingnadeel dat hiermee gemoeid is op ongeveer € 25.000.

De Rechtbank rekent het verdachte aan dat door zijn handelwijze de belastingplichtigen voor wie hij onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan, de onterechte teruggaven- met heffingsrente- moeten terugbetalen aan de Belastingdienst, met alle gevolgen van dien.

De Rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Tevens heeft de Rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) dat bij een benadelingsbedrag van € 25.000 euro een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden, dan wel een taakstraf aangeven. De Rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat geen rekening gehouden met de door verdachte voor zijn overige particuliere klanten opgemaakte aangiften inkomstenbelasting, nu geen sprake is van door verdachte erkende feiten, noch van feiten die kunnen worden aangemerkt als omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan. De Rechtbank heeft bij zijn beslissing uitsluitend rekening gehouden met de 25 bewezenverklaarde, valselijk opgemaakte aangiften inkomstenbelasting.

Alles afwegende veroordeelt de Rechtbank verdachte tot een taakstraf van 180 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. De Rechtbank ziet verder onvoldoende aanleiding om als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke strafdeel verdachte te verbieden om gedurende de proeftijd belastingaangiften voor derden te verzorgen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:2737

Taakstraf van 120 uur en een geldboete van € 25.000 wegens het opzettelijk niet aangeven van bijverdiensten in aangiften inkomstenbelasting

Aan verdachte wordt onder meer tenlastegelegd dat hij opzettelijke onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft gedaan.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode werkzaam als hoogleraar psychiatrie. Daarnaast gaf hij diverse lezingen in binnen- en buitenland en verrichtte hij advieswerkzaamheden. Verdachte heeft over de jaren 2010 tot en met 2014 slechts een deel van zijn bijverdiensten in zijn aangiften inkomstenbelasting opgegeven. Met name in het buitenland genoten bijverdiensten zijn niet opgegeven in de aangiften.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude door opzettelijk onjuiste belastingaangiften te doen. Als gevolg hiervan heeft hij te weinig inkomstenbelasting betaald. De Rechtbank berekent het belastingnadeel dat hiermee gemoeid is op €112.782.

De Rechtbank heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), dat in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen € 70.000 en € 125.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden, dan wel de combinatie van een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf, vermelden. Ook heeft de Rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten.

Voorts weegt de Rechtbank, in het voordeel van verdachte, mee dat hij volledig heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek en dat hij de navorderingsaanslagen, die hem door de Belastingdienst zijn opgelegd, volledig heeft betaald.

Gelet op het hiervoor overwogene veroordeelt de Rechtbank de verdachte tot een taakstraf van 120 uur en een geldboete van € 25.000.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:2752

Boetes voor belastingadvieskantoor (eenmanszaak) in verband met ten laste van de winst gebrachte kosten met een overduidelijk privékarakter

Belanghebbende drijft een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van een belasting- en bedrijfseconomisch advieskantoor. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd met boetes van 25%.

In 2014 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 en de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2011 tot en met 30 september 2010, is onderzocht. Uit het boekenonderzoek is onder meer gebleken dat de verwerkte administratie niet aansloot op de winstaangiften en de aangiften omzetbelasting, dat er geen deugdelijke urenadministratie van de advieswerkzaamheden was en dat de vaste urentarieven ontbraken. Verder bleek dat het onderhanden werk door belanghebbende schattenderwijs werd bepaald en dat facturen van een aantal als zakelijke kosten verantwoorde uitgaven ontbraken.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank is in dat kader van oordeel dat de boetes terecht zijn opgelegd. Daarbij is volgens de Rechtbank van belang dat belanghebbende belastingadviseur is en dus geacht wordt terzake kundig te zijn. Door kosten waarvan belanghebbende het zakelijke karakter niet kan onderbouwen of die zelfs een overduidelijk privékarakter hebben ten laste van de winst te brengen zonder zich ervan te vergewissen of deze aftrek wel toelaatbaar is, heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank zeer nalatig gehandeld en is er sprake van grove schuld. De Rechtbank acht een boete van 25% passend en geboden. De Rechtbank oordeelt op basis van de feiten dat het belastbaar inkomen van belanghebbende, en dus de boetegrondslag, lager is. Voorts dienen de boetes volgens de Rechtbank te worden gematigd in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, aangezien deze is overschreden met 10 maanden. De Rechtbank zal de boetes matigen met 10%.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:3332