Auteur: admin

Verdachte, zijn echtgenote en zoon vrijgesproken voor indienen valse aangiften kansspelbelasting

De verdenkingen in deze zaak hebben betrekking op het, samen met anderen, feitelijk leiding dan wel opdracht geven aan X GmbH om opzettelijk onjuiste aangiften kansspelbelasting te doen.

De Rechtbank stelt voorop dat de aangifteplichtige onder dreiging van een strafvervolging wordt gedwongen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud een verklaring af te leggen die de inspecteur in staat stelt de hoogte van de verschuldigde belasting vast te stellen. Die verplichting brengt noodzakelijkerwijs met zich mee dat de betrokkene bij het doen van aangifte de – niet zelden complexe – belastingwetgeving moet uitleggen, ook in gevallen waarin onduidelijkheid bestaat over de vraag welke interpretatie juist is.

De Rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting af dat verdachte een man is die zich meer bezig hield met de praktische gang van zaken binnen zijn bedrijven en zeker niet zodanig onderlegd is dat hij complexe juridische vraagstukken kan overzien en beantwoorden. Daarbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat de regelgeving omtrent de kansspelbelasting, zeker voor een niet-deskundige, complex te noemen is. Verdachte is daardoor afhankelijk van derden die hem daarin ondersteunen en begeleiden.

De Rechtbank stelt vast dat verdachte advies heeft ingewonnen van onafhankelijke deskundigen, waaronder een advocaat en een accountant. Het ingewonnen advies luidde dat – ter voorkoming van dubbele belastingheffing – in Nederland geen kansspelbelasting verschuldigd was. Onder deze omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het doen van de aangiften – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat de ingezonden (nihil)aangiften conform deskundig advies en daarmee juist en volledig waren. Het opzettelijk doen van onjuiste aangiften is niet bewezen.

De Rechtbank spreekt verdachte – alsook zijn echtgenote en zoon – vrij van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften.

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2060

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2061

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2066

Rechtbank vernietigt verzuimboete wegens bijzondere feiten en omstandigheden

De inspecteur heeft aan belanghebbende een verzuimboetebeschikking opgelegd, omdat belanghebbende niet tijdig aangifte inkomstenbelasting over 2016 zou hebben gedaan ondanks dat belanghebbende hiertoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De verzuimboete bedraagt € 369.

Het vermogen van belanghebbende is onder bewind gesteld en de broer van gemachtigde is door de kantonrechter benoemd tot bewindvoerder. Hij is kort voor de laatste dag waarbinnen de aangifte moest zijn ontvangen door de inspecteur begonnen met de aangifte van belanghebbende. Zijn computer is echter gecrasht waardoor de aangifte pas op 24 juli 2017 door de inspecteur is ontvangen.

De Rechtbank ziet in het feit dat er slechts één werkdag te laat aangifte is gedaan geen aanleiding om te oordelen dat geen sprake is van een verzuim. Dat het indienen van de aangifte op het laatste moment fout is gegaan, is een omstandigheid die voor rekening en risico van de broer, als gemachtigde van belanghebbende, komt. De vraag rijst echter of dit aan belanghebbende kan worden toegerekend.

De Rechtbank ziet een verschil met een gekozen gemachtigde en een gemachtigde die door de kantonrechter is aangesteld. In de gegeven omstandigheden acht de Rechtbank een boete niet passend en geboden. Daarbij is voor  de Rechtbank van belang dat belanghebbende aan dementie lijdt en dat aannemelijk is dat belanghebbende zelf geen besef heeft gehad van het feit dat ze belastingaangifte moest doen. . Er is naar het oordeel van de Rechtbank niet voldoende informatie om te concluderen dat belanghebbende volledig ontoerekeningsvatbaar is, in welk geval geen sprake kan zijn van schuld, maar deze omstandigheden wegen wel nadrukkelijk mee. Belanghebbende heeft er niet zelf voor gekozen of kunnen kiezen dat haar broer als bewindvoerder werd aangewezen. De Rechtbank weegt ook mee dat slechts sprake is van een geringe termijnoverschrijding en dat de gemachtigde van belanghebbende maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen.

De Rechtbank ziet derhalve aanleiding om de verzuimboetebeschikking te vernietigen.

Rechtbank Gelderland 28 mei 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2432

Grote belastingfraude in de vleessector

Aan verdachte wordt (onder meer)  tenlastegelegd dat hij opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting, loonheffingen en inkomstenbelasting heeft ingediend, waardoor te weinig belasting is geheven. Tevens wordt verdachte verweten een valse bedrijfsadministratie te hebben gevoerd door opzettelijk valse facturen te maken dan wel in de administratie op te nemen alsmede het witwassen van gelden.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich gedurende een periode van ruim 6 jaar schuldig gemaakt aan het op grote schaal zwart in- en verkopen van vlees. Om dit te verhullen werden valse facturen geaccepteerd bij de inkoop en opgesteld voor en verstrekt bij de verkoop. De valse facturen werden opgenomen in de bedrijfsadministratie. Tevens werden er onjuiste aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting gedaan en werd er geld witgewassen.

Verdachte heeft derhalve naar het oordeel van de Rechtbank jarenlang een zwart geldcircuit in stand gehouden. Volgens de Rechtbank heeft verdachte de zaken in zijn onderneming pas aangepast omdat zijn strafbare handelen is opgemerkt door de autoriteiten. De Rechtbank stelt vast dat verdachte ondanks een veelheid aan bewijsmateriaal nog steeds is blijven ontkennen. Naar het oordeel van de Rechtbank is dat zijn goed recht, maar hierdoor heeft de Rechtbank geen inzicht in zijn beweegredenen Daardoor blijft het beeld dat uit het dossier oprijst dat verdachte louter heeft gehandeld uit financieel gewin onweersproken. Verdachte geeft daarmee geen blijk van inzicht in de strafwaardigheid van zijn gedragingen hetgeen ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn ter zitting geuite beweringen, dat hij inmiddels alles onder controle heeft en dat er in de toekomst geen vrees voor herhaling bestaat.

Gelet op de ernst en duur van de feiten en het kennelijk louter financieel motief van verdachte, kan de Rechtbank niet anders reageren dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De Rechtbank heft de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte niet op, zodat verdachte in de gelegenheid is om maatregelen te nemen om de voortgang van zijn bedrijf te verzekeren bij de executie van de straf.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Naast verdachte is een aantal medeverdachten veroordeeld ter zake van de onderhavige fraude. Ook aan deze medeverdachten zijn door de Rechtbank straffen opgelegd, waaronder gevangenisstraffen en geldboetes.

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4939

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4940

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4941

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4942

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4943

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4944

Rechtbank Rotterdam 18 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4945

 

Veroordeling vennoot VOF die aangifte baseerde op onvolledige of onjuiste administratie van de VOF waardoor te weinig belasting is geheven

Aan verdachte wordt (onder meer) tenlastegelegd dat hij – al dan niet als feitelijk leidinggever – een gebrekkige administratie heeft gevoerd, waardoor te weinig belasting is geheven.

De verdediging heeft aangevoerd dat het fiscale onderzoek naar verdachte ten onrechte of te vroeg is overgegaan in een strafrechtelijk onderzoek, nu van een redelijk vermoeden van schuld bij enig strafbaar feit op dat moment geen sprake was. Het gevolg is dat het verkregen bewijs niet kan worden gebruikt in de strafzaak.

Het Hof stelt vast dat uit onderzoek naar de administraties van de VOF, waarin verdachte vennoot was, is gebleken dat er grote verschillen zaten in de verkoopfacturen aan de afnemers in België en de inkoopfacturen van die afnemers. In de administratie van de VOF werden (vrijwel) geen weegbonnen en in- en verkoopfacturen aangetroffen, terwijl in de administraties van de afnemers voor ongeveer € 1.000.000 aan inkoop bij de VOF was aangegeven. De VOF heeft geen gehoor gegeven aan de vorderingen van de Belastingdienst om de ontbrekende administratie te overleggen. Anders dan de verdediging is het Hof van oordeel dat de feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit opleveren.

Uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat de administratie van de VOF onvolledig en/of onjuist was, maar ook dat de onjuistheid of onvolledigheid van deze administratie niet heeft geleid tot de afdracht van te weinig omzetbelasting. De vennoten van een VOF zijn belastingplichtig als ondernemer voor de inkomstenbelasting en uit dien hoofde afzonderlijk administratieplichtig. Het Hof overweegt dat het niet ongebruikelijk is dat de administratie van een vennoot afwijkt van de administratie van de VOF. Slechts indien de afzonderlijke vennoten hun administratie (ook) niet op orde hebben, wordt daardoor te weinig belasting afgedragen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben als vennoten van de VOF nagelaten een eigen (juiste en volledige) administratie voor de inkomstenbelasting te voeren. Van afzonderlijke administraties is geen sprake en daarom zijn ook voor de belastingheffing van de afzonderlijke vennoten relevante bescheiden niet bewaard. De verdachte en zijn medeverdachte hebben aldus als vennoot geen eigen administratie voor zichzelf gevoerd, maar ervoor gekozen om hun aangiften inkomstenbelasting te baseren op de administratie van de VOF, die weer was gebaseerd op onvolledige of onjuiste gegevens die door hen waren aangeleverd aan het administratiekantoor.

Het Hof oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat van ondernemers mag worden verwacht dat zij er alles aan doen om hun geldstromen inzichtelijk te maken, zeker als zij de beschikking hebben over grote hoeveelheden contant geld. De verdachte en zijn broer hebben dat nagelaten door niet de conform de wet vereiste administratie te voeren. Het gevolg is dat de belastingcontrole en -heffing daardoor ernstig is bemoeilijkt en belastingfraude tot gevolg heeft gehad. Het Hof overweegt dat verdachte weliswaar laaggeletterd is, maar dit hem geenszins ontslaat van de verplichting tot het voeren van een juiste administratie, het bewaren van fiscaal relevante bescheiden en het doen van een juiste aangifte. Het Hof gaat verder uit van een benadelingsbedrag van € 1.000.000.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een geldboete van € 20.000. 

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1149 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1149

Boete vanwege ‘’zomaar’’ verstrekken van geldbedragen aan werknemer TEST

De inspecteur heeft aan belanghebbende, een commanditaire vennootschap, een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd met een vergrijpboete van € 39.773.

Aan belanghebbende is een vergrijpboete opgelegd ter zake van grove schuld. Belanghebbende doet zelf de loonadministratie en wist dat de heer X in de loonadministratie was opgenomen. Het is belanghebbende, als inhoudingsplichtige, bekend, althans het had bekend moeten zijn, dat het fiscaal niet is toegestaan om “zomaar” bedragen aan een werknemer te verstrekken. Belanghebbende heeft geen afspraken gemaakt met X over de aan hem betaalde/voorgeschoten bedragen (een vordering en een afkoopsom) en heeft geen aantoonbare invorderingsactiviteiten ontplooid om de vordering te incasseren. Dit is te wijten aan belanghebbende.

Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat er sprake was van een dienstbetrekking tussen X en belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn welke feiten ten grondslag liggen aan de boete en de door de inspecteur vastgestelde grove schuld. De bewoordingen van de inspecteur dat het fiscaal niet is toegestaan om zomaar bedragen aan een werknemer te verstrekken laten naar het oordeel van het Hof – in tegenstelling tot de Rechtbank – geen andere conclusie toe dan dat het door de inspecteur beboete feit hetzelfde is als ter zake waarvan feitelijk is nageheven, namelijk het ten onrechte niet afdragen van loonheffingen over de kwijtschelding van een vordering en een betaalde afkoopsom. Het is dan ook niet aannemelijk dat belanghebbende door de wijze waarop de inspecteur de boete heeft toegelicht, in haar verdediging is geschaad.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een in laakbaarheid aan opzet grenzende grove nalatigheid kan worden verweten, mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende de loonadministratie zelf verzorgde en X daarin had opgenomen. Het Hof acht een boete van 25% gelet op de ernst van de overtreding en uit een oogpunt van normhandhaving geboden.

Gerechtshof Den Haag 25 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1459

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1459

Hof verklaart OM niet-ontvankelijk in de strafvervolging wegens misbruik van bevoegdheid

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat hij – als feitelijk leidinggever van een trustkantoor – opzettelijk geen inlichtingen heeft verstrekt aan de Belastingdienst dan wel opzettelijk geen boeken en/of bescheiden ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst.

Het Hof ziet zich eerst gesteld voor de vraag of het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk is in de strafvervolging.

Het Hof stelt daarbij voorop dat aan het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of er vervolging moet plaatsvinden. Er is slechts in zeer beperkte mate ruimte voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.

Het Hof stelt vast dat verdachte bezwaar heeft gemaakt tegen een aan hem opgelegde informatiebeschikking. Daarmee is sprake van een fiscaalrechtelijke procedure. In de bezwaarprocedure heeft verdachte naar voren gebracht dat de privacy van zijn cliënten en werknemers geschonden kunnen worden. Met de inspecteur is in goed overleg afgesproken dat de digitale bestanden in afwachting van de beslissing in de bezwaar- en/of beroepsprocedure op een DVD in een verzegelde enveloppe zouden worden bewaard.

Hangende de bezwaarprocedure is het OM overgegaan tot strafvervolging. Aangezien de informatieverplichting nog niet onherroepelijk was, is de keuze om tot strafvervolging over te gaan naar het oordeel van het Hof prematuur. Middels strafrechtelijke dwang zijn de bestanden uiteindelijk – via artikel 55 AWR – bij de inspecteur terecht gekomen en heeft verdachte zijn bezwaarschrift ingetrokken.

Aldus kan naar het oordeel van het Hof de conclusie geen andere zijn dan dat er een strafrechtelijke procedure is geëntameerd om strafvorderlijk beslag op de DVD met e-mails te kunnen leggen, terwijl de weigering om de e-mails te verstrekken in een lopende fiscaalrechtelijke bezwaarprocedure nog onderwerp was van discussie. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat door het instellen van strafvervolging en daarbij tot inbeslagname van de DVD met e-mails over te gaan, het OM een aan hem toekomende strafrechtelijke bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Het OM heeft daarmee het beginsel van zuiverheid van oogmerk, ofwel het verbod van détournement de pouvoir naar het oordeel van het Hof met voeten getreden.

Het Hof verklaart het OM derhalve niet-ontvankelijk in de strafvervolging.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 12 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2472 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2472

Omvangrijke belastingfraude met emissierechten leidt tot 8 jaar gevangenisstraf voor voortvluchtige verdachte

Aan verdachte wordt – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij als oprichter en bestuurder een criminele organisatie heeft gevormd met enkele medeverdachten en verschillende rechtspersonen, welke onder meer als doel had het plegen van belastingfraude. Voorts wordt aan verdachte tenlastegelegd dat hij (als feitelijk leidinggever) geen aangifte(n) omzetbelasting heeft gedaan waardoor er € 6.455.846 te weinig belasting is geheven. Ook wordt tenlastegelegd dat hij facturen valselijk heeft opgemaakt en geldbedragen heeft witgewassen.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die tot doel had om door middel van grootschalige omzetbelastingfraude met emissierechten grote financiële voordelen te behalen. Uit het dossier blijkt dat verdachte feitelijke controle heeft gehad over alle bij deze fraude betrokken rechtspersonen. Daarbij is hij er niet voor teruggeschrokken om een bestaande rechtspersoon, die op een legale wijze handel dreef, en natuurlijke personen (stromannen) voor zijn doel te gebruiken, kennelijk om te voorkomen dat de fraude en zijn rol daarin ontdekt zou worden.

Uiteindelijk betreft het Nederlandse belastingnadeel volgens de Rechtbank ruim 6 miljoen euro. Door verdachtes handelen heeft hij naar het oordeel van de Rechtbank zowel het belastingstelsel als het stelsel van de handel in emissierechten ernstig ondermijnd.

De Rechtbank heeft eveneens acht geslagen op de omstandigheid dat de criminele organisatie deel uitmaakte van een veel grotere organisatie, waarin verdachte eveneens een (prominente) rol vervulde. Deze organisatie heeft in zes lidstaten van de Europese Unie voor meer dan 100 miljoen euro buitgemaakt met omzetbelastingfraude op emissierechten.

Verdachte heeft zich met succes weten te onttrekken aan de opsporingsautoriteiten die bijzonder veel inspanningen hebben verricht om contact te krijgen met verdachte.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 5 jaar gevorderd. Gelet op de feiten en omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat in een gevangenisstraf van 5 jaren de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking komt. Niet alleen zijn de Nederlandse Staat en daarmee de Europese Unie in financiële zin getroffen, verdachte heeft zichzelf en anderen verrijkt ten koste van de samenleving. De Rechtbank acht om die reden een gevangenisstraf van 8 jaren passend.

Nu sprake is van vluchtgevaar zal de Rechtbank voorts de gevangenneming van verdachte bevelen. 

Rechtbank Den Haag 12 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6869 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:6869

Veroordeling vennoot VOF die aangifte baseerde op onvolledige of onjuiste administratie van de VOF waardoor te weinig belasting is geheven

Aan verdachte wordt (onder meer) tenlastegelegd dat hij – al dan niet als feitelijk leidinggever – een gebrekkige administratie heeft gevoerd, waardoor te weinig belasting is geheven.

De verdediging heeft aangevoerd dat het fiscale onderzoek naar verdachte ten onrechte of te vroeg is overgegaan in een strafrechtelijk onderzoek, nu van een redelijk vermoeden van schuld bij enig strafbaar feit op dat moment geen sprake was. Het gevolg is dat het verkregen bewijs niet kan worden gebruikt in de strafzaak.

Het Hof stelt vast dat uit onderzoek naar de administraties van de VOF, waarin verdachte vennoot was, is gebleken dat er grote verschillen zaten in de verkoopfacturen aan de afnemers in België en de inkoopfacturen van die afnemers. In de administratie van de VOF werden (vrijwel) geen weegbonnen en in- en verkoopfacturen aangetroffen, terwijl in de administraties van de afnemers voor ongeveer € 1.000.000 aan inkoop bij de VOF was aangegeven. De VOF heeft geen gehoor gegeven aan de vorderingen van de Belastingdienst om de ontbrekende administratie te overleggen. Anders dan de verdediging is het Hof van oordeel dat de feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit opleveren.

Uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat de administratie van de VOF onvolledig en/of onjuist was, maar ook dat de onjuistheid of onvolledigheid van deze administratie niet heeft geleid tot de afdracht van te weinig omzetbelasting. De vennoten van een VOF zijn belastingplichtig als ondernemer voor de inkomstenbelasting en uit dien hoofde afzonderlijk administratieplichtig. Het Hof overweegt dat het niet ongebruikelijk is dat de administratie van een vennoot afwijkt van de administratie van de VOF. Slechts indien de afzonderlijke vennoten hun administratie (ook) niet op orde hebben, wordt daardoor te weinig belasting afgedragen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben als vennoten van de VOF nagelaten een eigen (juiste en volledige) administratie voor de inkomstenbelasting te voeren. Van afzonderlijke administraties is geen sprake en daarom zijn ook voor de belastingheffing van de afzonderlijke vennoten relevante bescheiden niet bewaard. De verdachte en zijn medeverdachte hebben aldus als vennoot geen eigen administratie voor zichzelf gevoerd, maar ervoor gekozen om hun aangiften inkomstenbelasting te baseren op de administratie van de VOF, die weer was gebaseerd op onvolledige of onjuiste gegevens die door hen waren aangeleverd aan het administratiekantoor.

Het Hof oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat van ondernemers mag worden verwacht dat zij er alles aan doen om hun geldstromen inzichtelijk te maken, zeker als zij de beschikking hebben over grote hoeveelheden contant geld. De verdachte en zijn broer hebben dat nagelaten door niet de conform de wet vereiste administratie te voeren. Het gevolg is dat de belastingcontrole en -heffing daardoor ernstig is bemoeilijkt en belastingfraude tot gevolg heeft gehad. Het Hof overweegt dat verdachte weliswaar laaggeletterd is, maar dit hem geenszins ontslaat van de verplichting tot het voeren van een juiste administratie, het bewaren van fiscaal relevante bescheiden en het doen van een juiste aangifte. Het Hof gaat verder uit van een benadelingsbedrag van € 1.000.000.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een geldboete van € 20.000.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1149 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1149

Boete vanwege ‘’zomaar’’ verstrekken van geldbedragen aan werknemer

De inspecteur heeft aan belanghebbende, een commanditaire vennootschap, een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd met een vergrijpboete van € 39.773.

Aan belanghebbende is een vergrijpboete opgelegd ter zake van grove schuld. Belanghebbende doet zelf de loonadministratie en wist dat de heer X in de loonadministratie was opgenomen. Het is belanghebbende, als inhoudingsplichtige, bekend, althans het had bekend moeten zijn, dat het fiscaal niet is toegestaan om “zomaar” bedragen aan een werknemer te verstrekken. Belanghebbende heeft geen afspraken gemaakt met X over de aan hem betaalde/voorgeschoten bedragen (een vordering en een afkoopsom) en heeft geen aantoonbare invorderingsactiviteiten ontplooid om de vordering te incasseren. Dit is te wijten aan belanghebbende.

Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat er sprake was van een dienstbetrekking tussen X en belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn welke feiten ten grondslag liggen aan de boete en de door de inspecteur vastgestelde grove schuld. De bewoordingen van de inspecteur dat het fiscaal niet is toegestaan om zomaar bedragen aan een werknemer te verstrekken laten naar het oordeel van het Hof – in tegenstelling tot de Rechtbank – geen andere conclusie toe dan dat het door de inspecteur beboete feit hetzelfde is als ter zake waarvan feitelijk is nageheven, namelijk het ten onrechte niet afdragen van loonheffingen over de kwijtschelding van een vordering en een betaalde afkoopsom. Het is dan ook niet aannemelijk dat belanghebbende door de wijze waarop de inspecteur de boete heeft toegelicht, in haar verdediging is geschaad.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een in laakbaarheid aan opzet grenzende grove nalatigheid kan worden verweten, mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende de loonadministratie zelf verzorgde en X daarin had opgenomen. Het Hof acht een boete van 25% gelet op de ernst van de overtreding en uit een oogpunt van normhandhaving geboden.

Gerechtshof Den Haag 25 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1459

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1459

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJ EU over het wel of niet kunnen verwerpen van de aangegeven cif-invoerprijs bij invoer pluimveevlees

Belanghebbende voert pluimveevlees in vanuit Brazilië en verkoopt dit door op de Europese markt aan gelieerde en niet-gelieerde afnemers. Over de invoer zijn aanvullende rechten verschuldigd indien de cif-invoerprijs lager is dan de in de verordening voor landbouwproducten vastgelegde (reactie)prijs.

Belanghebbende heeft met de inspecteur vooraf afspraken gemaakt over de wijze waarop de douanewaarde moest worden berekend. Deze afspraken zijn gemaakt onder het voorbehoud dat de inspecteur achteraf de afzetvoorwaarden mocht controleren. Bij een controle achteraf bleek dat voor 705 van de 709 aangiften de gehanteerde doorverkoopprijs lager was dan de opgegeven cif-invoerprijs en met verlies doorverkocht was onder de representatieve prijs. Hierop volgde een naheffingsaanslag van de inspecteur van ruim €2 mln. De vraag is of deze omstandigheden voldoende zijn om de aangegeven cif-invoerprijs te verwerpen en aanvullende rechten na te vorderen uitgaande van de representatieve prijs.

In de uitspraak van het Hof, en niet bestreden in cassatie, is vastgesteld dat de doorverkoop niet marktconform was. Ook ziet het Hof geen aanleiding voor de inspecteur om af te zien van de naheffingsaanslag vanwege een vergissing, omdat de afspraken die waren gemaakt zagen op de methode van de prijsberekening en niet op de hoogte van de cif-invoerprijs.

De Hoge Raad bespreekt twee mogelijke invalshoeken alvorens de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ EU stelt. De eerste zienswijze houdt in, in lijn met de hofuitspraak, dat het feit dat de doorverkoop onder de cif-invoerprijs is verricht, voldoende is om aan te tonen dat de cif-invoerprijs niet klopt en een naheffing gerechtvaardigd is. De Hoge Raad acht een andere uitleg echter beter verdedigbaar, namelijk dat de voorziene verificatie of controle achteraf in het kader van de cif-invoerprijs ertoe strekt de douaneautoriteiten tijdig van informatie te voorzien met betrekking tot opeenvolgende transacties. Indien aanwijzingen worden gevonden van het gebruik van onjuiste cif-invoerprijzen dient nader onderzoek te worden ingesteld. Dit zou betekenen dat nu de doorverkoopprijs lager is dan de representatieve prijs, dit niet direct betekent dat de cif-invoerprijs moet worden verworpen. De Hoge Raad acht twijfel aanwezig in de juiste opvatting van het recht en stelt hierover prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De zaak is aldaar geregistreerd onder zaaknummer C-160/18.

Hoge Raad, 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:265

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:265