Categorie: BTW formeel

Het recht op aftrek ter zake van de exploitatie van een sportcomplex vormt voor de stichting geen belastingvoordeel in strijd met doel en strekking van de wet OB

Vanaf april 1985 tot 1 januari 2010 betaalde een tennisvereniging (hierna: A) op grond van een met de gemeente gesloten overeenkomst betreffende het gebruik van een sportcomplex jaarlijks een vergoeding aan die gemeente. Ingevolge deze overeenkomst droeg A eveneens zorg voor het beheer en het onderhoud van het sportcomplex.

Eind 2009 was het sportcomplex aan renovatie toe. Op 28 december 2009 hebben de penningmeester en de voorzitter van A (daarom) een stichting opgericht (hierna: belanghebbende) die zich ten doel stelt om de beoefening van tennissport door de leden van A te bevorderen. De gemeente, A en belanghebbende zijn voorts overeengekomen dat belanghebbende de tussen de gemeente en A gesloten overeenkomst per 1 januari 2010 overneemt.

A heeft vervolgens op 5 januari 2010 bij overeenkomst de activa betreffende het sportcomplex overgedragen aan belanghebbende tegen betaling van een koopsom ten bedrage van € 24.453,30. Daarnaast hebben laatstgenoemde partijen een additionele overeenkomst gesloten op grond waarvan A aan belanghebbende een lening heeft versterkt met een omvang gelijk aan die van de koopsom. Aan deze lening kleeft een marktconforme rente.

Belanghebbende stelt vervolgens het sportcomplex ter beschikking aan A tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding van € 40.000 vermeerderd met 6% omzetbelasting, zodat A hiervan gebruik kan maken in het kader van de door haar leden te beoefenen tennissport.

Belanghebbende heeft in haar aangifte over het eerste kwartaal van 2010 de aan haar in rekening gebrachte bedragen aan omzetbelasting ter zake van onderhoudskosten (en de renovatie) van het complex, in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft deze aftrek van voorbelasting geweigerd.

In cassatie bij de Hoge Raad zijn vervolgens drie middelen aangevoerd welke zich richten tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2015.

Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof luidende dat niet gebleken is dat de door partijen verrichte rechtshandelingen niet overeenkomen met hun werkelijke bedoelingen waardoor deze handelingen, bijgevolg, niet als schijnhandelingen te gelden hebben. De Hoge Raad overweegt hieromtrent dat in het oordeel van het Hof luidende dat de rechtshandelingen verricht tussen partijen stroken met hun bedoelingen, besloten ligt het oordeel dat partijen geen schijnhandelingen hebben verricht. Dit oordeel geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.

Het tweede middel betoogt, anders dan het Hof heeft geoordeeld, dat met het onderhavige samenstel van rechtshandelingen op gekunstelde wijze een situatie is gecreëerd die naar zijn economische realiteit gelijk is aan de situatie waarin A de goederen zelf had betrokken en in welke situatie A ter zake van die goederen geen recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad. De Hoge Raad overweegt hieromtrent echter dat het feit dat A ervoor gekozen heeft het gebruik van het sportcomplex niet in eigen beheer te houden, maar om dit gebruik van belanghebbende ter beschikking gesteld te krijgen, geen strijd oplevert met doel en strekking van de Btw-richtlijn 2006. Het feit dat ditgeen heeft geresulteerd in een lagere belastingschuld, maakt dit niet anders. Immers, een belastingplichtige heeft blijkens de ‘Weald Leasing’-uitspraak het recht om zijn activiteiten zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft. De slotsom is dat aldus juist is het oordeel van het Hof dat geen sprake is van misbruik van recht.

Het derde middel richt zich tegen het oordeel van het Hof luidende dat de terbeschikkingstelling van het sportcomplex door belanghebbende aan A, wel degelijk dient te worden aangemerkt als het bieden van gelegenheid tot sportbeoefening. Het middel betoogt immers dat belanghebbende het beheer en het onderhoud van het sportcomplex, als zijnde essentiële elementen van het gelegenheid bieden tot sportbeoefening, uitbesteedt aan A. Zodoende zou de door belanghebbende aan A verrichte dienst als een vrijgestelde verhuur van een onroerende zaak kwalificeren. De Hoge Raad overweegt hieromtrent dat de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed is beperkt tot de passieve terbeschikkingstelling van dat goed (ECLI:NL:HR:2012:BY3891). Het feit dat belanghebbende het sportcomplex ter beschikking stelt aan zowel A als andere gebruikers alsmede dat belanghebbende de bar in de kantine exploiteert, maakt volgens de Hoge Raad dat de dienstverrichting van belanghebbende niet louter een passieve terbeschikkingstelling behelst. De Hoge Raad verwerpt derhalve het derde middel luidende dat de dienstverlening van belanghebbende is aan te merken als een vrijgestelde verhuur van een sportcomplex.

Gelet op het vorenstaande verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond.

HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3037.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:3037

Geen terugwerkende kracht voor subjectieve belastingvrijstelling voor kleine ondernemingen

D. Vámos verkocht van 2007 tot 22 januari 2014 elektronische artikelen op veilingsites. Vámos had zich echter niet geregistreerd als belastingplichtige en deed tevens geen aangifte van zijn inkomen uit deze verkopen. Pas op 22 januari 2014 heeft Vámos zich daadwerkelijk als btw-plichtige ingeschreven en geopteerd voor de subjectieve belastingvrijstelling, welke in Hongarije gold met betrekking tot kleine ondernemingen. De Hongaarse belastingdienst heeft vervolgens naar aanleiding van een controle met betrekking tot de aangiften van Vámos voor de jaren 2012 tot en met 2014, geconcludeerd dat Vámos met betrekking tot de betreffende periode een btw-saldo verschuldigd was en heeft hem, bijgevolg, een geldboete opgelegd. Vámos heeft tegen dit besluit beroep aangetekend. De beroepsafdeling van de belastingdienst heeft inzake het beroep geoordeeld dat Vámos als ondernemer op duurzame en regelmatige wijze roerende goederen had verkocht, wat een economische activiteit vormde, en dat hij aldus aan de btw was onderworpen. Omtrent de door Vámos bepleite subjectieve vrijstelling oordeelde de belastingdienst dat het nationale recht het een belastingplichtige niet toestaat om met terugwerkende kracht voor die vrijstelling te opteren. Vámos bestreed dit besluit bij de rechter in eerste aanleg op de grond dat de belastingdienst aan hem had moeten vragen of hij voor de subjectieve vrijstelling had willen opteren met betrekking tot de door hem gedane verkopen. Hij voldeed aan de materiële voorwaarden om van die regeling gebruik te maken, aldus Vámos.

Het een en ander leidt ertoe dat de verwijzende rechter door middel van het stellen van een prejudiciële vraag van het Hof wenst te vernemen of de btw-richtlijn zich verzet tegen nationale wetgeving die het een belastingplichtige onmogelijk maakt te verzoeken om toepassing van de vrijstellingsregeling met terugwerkende kracht, in het geval dat de belastingplichtige aan alle materiële voorwaarden voldoet maar niet tijdig opgave heeft gedaan van de aanvang van zijn activiteit en niet uitdrukkelijk voor toepassing van die regeling heeft geopteerd.

A-G N. Wahl brengt ter beantwoording van de prejudiciële vraag allereerst aan de orde dat de Hongaarse autoriteiten er met betrekking tot de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, niet voor hebben gekozen om dergelijke ondernemingen te ontheffen van de verplichting om opgave te doen van de aanvang van de activiteit als belastingplichtige. Deze keuze dient als rechtmatig te worden beschouwd (EU:C:2015:708).

Daarnaast biedt de btw-richtlijn volgens de A-G aan kleine ondernemingen geen ongebreideld recht op de toepassing van de vrijstellingsregeling. De tekst van de btw-richtlijn dient dan ook niet zo te worden geïnterpreteerd dat een belastingplichtige bij het ontbreken van een expliciete keuze van zijn kant, recht zou moeten hebben op toepassing van de vrijstellingsregeling met terugwerkende kracht. Het met terugwerkende kracht toepassen van een keuze voor een belastingregime zou namelijk gevolgen kunnen hebben voor de btw-status van bepaalde transacties. Immers, belastingplichtigen die van de vrijstelling gebruik maken, berekenen geen btw over hun prestaties en hebben zo ook geen recht op aftrek van btw waar belastingplichtigen voor wie het normale regime geldt dat wel hebben. Daar komt bij dat de vrijstellingsregeling een vorm van facultatief recht behelst, waarvoor expliciet moet worden gekozen. Het is op voorhand namelijk niet duidelijk of het bijzondere vrijstellingsregime voor een bepaalde belastingplichtige het meest voordelig is aangezien het een en ander afhankelijk is van de manier waarop die belastingplichtige zijn economische activiteiten heeft georganiseerd. Bij het ontbreken van een expliciete keuze voor dit bijzondere vrijstellingsregime ziet de A-G dan ook niet in waarom een lidstaat niet van oordeel zou mogen zijn dat in dat geval het normale btw-regime van toepassing is.

Gelet op het vorenstaande geeft de A-G het Hof in overweging om de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

‘Het recht van de Europese Unie verzet zich niet tegen nationale wetgeving die verbiedt dat een bijzondere belastingregeling waarbij een vrijstelling voor kleine ondernemingen wordt toegekend, met terugwerkende kracht wordt toegepast op een belastingplichtige die aan alle materiële voorwaarden voldeed maar die de aanvang van zijn activiteit niet tijdig aan de belastingdienst had opgegeven, en niet voor de toepassing van die regeling had geopteerd.’

Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal) 23 november 2017, ECLI:EU:C:2017:895.

https://www.navigator.nl/document/id14095de02a1042a099078c620b236f5c?ctx=WKNL_CSL_10000001&preventVakstudieRedirectLoop=0

Bulgarije handelt niet in strijd met EU-recht door btw-aftrek bij vrijstellingsregeling te weigeren

EBS is een in Bulgarije gevestigde vennootschap die internetdiensten verricht. In overeenstemming met Bulgaars recht heeft EBS zich vanaf 21 december 2010 voor btw-doeleinden geregistreerd als een in Bulgarije gevestigde belastingplichtige, welke diensten verricht met plaats van uitvoering op het grondgebied van een andere lidstaat. EBS neemt diensten af van belastingplichtigen die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gevestigd, om daarmee vervolgens diensten in andere lidstaten te verrichten. EBS heeft de btw ter zake van de afgenomen dienstverrichtingen in het kader van de verleggingsregeling voldaan en afgetrokken. De Bulgaarse belastingdienst heeft naar aanleiding van een belastingcontrole vastgesteld dat EBS vanaf 20 november 2013 niet meer in aanmerking komt voor de btw-vrijstellingsregeling, aangezien EBS een bepaalde maximum-omzet had bereikt. Zodoende heeft de Bulgaarse belastingdienst op 16 september 2015 aan EBS een naheffingsaanslag opgelegd wegens het ten onrechte in aftrek brengen van voorbelasting over de periode gedurende welke op EBS de vrijstellingsregeling van toepassing was. EBS heeft bij de bestuursrechter in eerste aanleg verzocht om nietigverklaring van deze opgelegde naheffingsaanslag.

Naar aanleiding van het vorenstaande wenst de verwijzende rechter door middel van het stellen van een prejudiciële vraag van het Hof te vernemen of de btw-richtlijn 2006/112 zich ertegen verzet dat een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde belastingplichtige die aldaar voor een belastingvrijstellingsregeling in aanmerking komt, wordt belet de voorbelasting af te trekken die in die lidstaat is verschuldigd over diensten die door in andere lidstaten gevestigde belastingplichtigen zijn verricht en die worden gebruikt om diensten te verrichten in andere lidstaten dan de lidstaat waar die belastingplichtige zelf is gevestigd.

Ter beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag overweegt het Hof dat de btw-richtlijn 2006/112 regelt dat belastingplichtigen voor wie een vrijstelling van belasting geldt, geen recht op aftrek van btw hebben. Voorts bepaalt artikel 169 onderdeel a Richtlijn 2006/112 dat de belastingplichtige recht heeft op aftrek van btw voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor buiten de lidstaat van verschuldigdheid verrichte handelingen, waarvoor recht op aftrek zou bestaan indien zij in die lidstaat zouden zijn verricht. Het recht op aftrek van voorbelasting is in de onderliggende zaak dan ook afhankelijk van het antwoord op de vraag of dit recht op aftrek zou bestaan indien al deze handelingen in dezelfde lidstaat (lees: Bulgarije) zouden zijn verricht (EU:C:2010:810). Aangezien EBS in Bulgarije voor de belastingvrijstelling in aanmerking komt en derhalve in die lidstaat geen recht op aftrek van voorbelasting heeft met betrekking tot in die lidstaat verrichte diensten, komt EBS bijgevolg evenmin in aanmerking voor het recht op aftrek van voorbelasting met betrekking tot buiten die lidstaat verrichte diensten.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof de prejudiciële vraag als volgt:

‘Richtlijn 2006/112 verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een in die lidstaat gevestigde belastingplichtige die aldaar voor een vrijstellingsregeling in aanmerking komt, belet de voorbelasting af te trekken die in die lidstaat verschuldigd is over diensten die door in andere lidstaten gevestigde belastingplichtigen zijn verricht en die worden gebruikt om diensten te verrichten in andere lidstaten dan de lidstaat waar die belastingplichtige is gevestigd.’

Hof van Justitie van de Europese Unie 15 november 2017, ECLI:EU:C:2017:864.

https://www.navigator.nl/document/ida4b12a8ef6c64d7c942e1e89e02a9aa4?ctx=WKNL_CSL_176&preventVakstudieRedirectLoop=0

Beantwoording prejudiciële vraag omtrent het verdedigingsbeginsel

Het echtpaar Ispas is aan een belastingcontrole onderworpen welke betrekking had op het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011. Tijdens deze belastingcontrole is vast komen te staan dat het echtpaar Ispas vijf bouwvergunningen had verkregen van een Roemeense gemeenteraad op basis waarvan vanaf december 2007 gebouwde appartementen zijn verkocht. Aangezien deze transacties op duurzame basis werden verricht, was het echtpaar volgens de Roemeense belastingdienst btw-plichtig met betrekking tot deze transacties. Dientengevolge heeft de Roemeense belastingdienst het echtpaar geconfronteerd met twee belastingaanslagen, waarin iedere echtgenoot is verzocht over te gaan tot betaling van een aanvullend btw-bedrag. Het echtpaar heeft de betreffende belastingaanslagen bestreden op de grond dat deze nietig zijn wegens schending van het verdedigingsbeginsel. Immers, de belastingdienst had al in de administratieve fase ambtshalve toegang moeten verlenen tot alle informatie op basis waarvan zij het controleverslag alsmede de twee belastingaanslagen heeft vastgesteld, aldus het echtpaar. Daartoe behoorden volgens het echtpaar nadrukkelijk ook informatie en bewijzen die buiten de belastingcontrole om waren verzameld.

De verwijzende rechter geeft het Hof de navolgende prejudiciële vraag in overweging: ‘Vereist het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging dat een particulier in een nationale administratieve procedure gericht op de inning van de btw, toegang heeft tot alle informatie en documenten in het administratieve dossier die de overheidsinstantie in aanmerking heeft genomen bij het nemen van haar besluit?’

Ter beantwoording van de bovenstaande prejudiciële vraag overweegt het Hof allereerst dat het verdedigingsbeginsel in de kern behelst dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat dienen te worden gesteld hun standpunt over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren, naar behoren kenbaar te maken (ECLI:EU:C:2015:832). Maar zoals Advocaat-Generaal M. Bobek reeds in zijn conclusie heeft opgemerkt, rust op de nationale belastingautoriteiten in dit verband niet de algemene verplichting om volledige toegang te geven tot het dossier waarover zij beschikken of om de documenten en informatie ter ondersteuning van het voorgenomen besluit ambtshalve te verstrekken. Immers, van belastingplichtigen mag worden verwacht dat zij die toegang wensen tot de voormelde informatie, daartoe op eigen initiatief verzoeken. Het is dus niet in strijd met het verdedigingsbeginsel als de belastingautoriteit niet spontaan of ambtshalve overgaat tot het verschaffen van toegang tot deze informatie. Tenslotte overweegt het Hof dat het verdedigingsbeginsel geen absolute gelding heeft,  beperkingen van het verdedigingsbeginsel zijn mogelijk, mits deze beantwoorden aan de doelstellingen van de betrokken maatregel en tevens niet te gelden hebben als een onduldbare ingreep (ECLI:EU:C:2014:2041).

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof de prejudiciële vraag als volgt: “Het verdedigingsbeginsel vereist dat particulieren in administratieve procedures ter vaststelling van de heffing van btw, de mogelijkheid moeten hebben om op hun verzoek de informatie te ontvangen die is opgenomen in het administratieve dossier en door de overheidsinstantie bij het nemen van haar besluit in aanmerking is genomen, tenzij de beperking van die toegang is gerechtvaardigd vanuit de doelstelling van het algemeen belang.”

Hof van Justitie van de Europese Unie 9 november 2017, ECLI:EU:C:2017:843.

https://www.navigator.nl/document/id4d2123f57466452eafd4276a4ffee973?ctx=WKNL_CSL_10000001&preventVakstudieRedirectLoop=0

Kritische kanttekeningen van NL bij de voorstellen EC voor herziening btw

De Europese Commissie heeft op 4 oktober 2017 plannen gepresenteerd voor een grootschalige herziening van het btw-systeem. Het doel van deze herziening is het bereiken van een vereenvoudigd en fraude-robuust btw-systeem voor zowel het bedrijfsleven als de belastingdiensten. Daartoe bevat het Voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn de hoekstenen voor de invoering van het definitieve btw-systeem alsmede de introductie van de gecertificeerde ondernemer (‘Certified Taxable Person’).

De in het voorstel vervatte hoekstenen van het definitieve btw-systeem behelzen een belasting van grensoverschrijdende B2B-leveringen met btw naar het tarief van het land van de afnemende ondernemer. De leverancier zal die btw in rekening brengen aan zijn afnemer en vervolgens aangeven en afdragen in de eigen lidstaat via de zogenoemde One-Stop-Shop-regeling (OSS), welke daarvoor zal worden uitgebreid. Om een dergelijke overgang naar een definitief systeem soepel te laten verlopen, wordt tevens de mogelijkheid gecreëerd om de verschuldigdheid van de btw ter zake van de grensoverschrijdende B2B-levering van goederen te verleggen naar de afnemer, indien deze kwalificeert als een gecertificeerd ondernemer (‘Certified Taxable Person’). Deze verleggingsvariant zal naast het reguliere systeem van heffing ter zake van grensoverschrijdende B2B-leveringen blijven bestaan.

Voor het uiteindelijk te bereiken definitieve stelsel heeft de Commissie gekozen voor het belasten van grensoverschrijdende B2B-leveringen met btw, omdat deze variant het best aansluit bij de doelstellingen van vereenvoudiging en fraudebestrijding. Anders dan op basis van de huidige btw-systematiek inzake grensoverschrijdende leveringen het geval is, zal een koper niet langer vrij van btw-inkopen kunnen doen vanuit andere lidstaten. De grensoverschrijdende levering zal immers, net zoals binnenlandse leveringen, worden belast tegen het btw-tarief van de lidstaat alwaar de afnemende partij is gevestigd. Hierdoor kan de koper/ploffer geen fraudewinst meer realiseren door de ingekochte goederen in het binnenland tegen het daar geldende btw-tarief te verkopen om vervolgens de gegenereerde fraudewinst te verduisteren. Voorts vervallen binnen dit beoogde systeem de aan het bewijs van de vrijgestelde grensoverschrijdende levering gekoppelde administratieve verplichtingen, omdat de grensoverschrijdende levering van goederen op dezelfde wijze behandeld wordt als een binnenlandse levering van goederen.

Los van het feit dat Nederland de door de Commissie nagestreefde doelstellingen steunt, bestaan bij de Nederlandse regering de nodige zorgen omtrent de vraag of deze doelstellingen ook daadwerkelijk bereikt worden met het onderdeel van het voorstel dat ziet op de hoekstenen van het definitieve btw-systeem. De Commissie houdt immers met het onderliggende voorstel waarin wordt voorgesteld om grensoverschrijdende B2B leveringen van goederen te belasten met btw, geen rekening met gedragseffecten van fraudeurs. Daarnaast dienen er bij een juiste toepassing van de voorgestelde methode, enorme geldstromen op gang te komen tussen zowel ondernemers als overheden onderling. De vraag of het juiste bedrag terecht komt bij het juiste subject is in dit verband afhankelijk van de mate van solvabiliteit van een leverancier/afnemer, alsmede van het door belastingdiensten te houden toezicht op een juiste en volledige afdracht. Zodanig toezicht kan enkel op deugdelijke wijze geschieden indien zij gepaard gaat met een zorgvuldige uitwisseling van data, waarvoor op de koper rapportageverplichtingen dienen te rusten. Dergelijke verplichtingen noemt het voorstel echter niet. Tenslotte bestaat de vrees dat de beoogde methodiek juist afbreuk doet aan vereenvoudiging van het btw-systeem. Immers, voor grensoverschrijdende B2B-leveringen komen straks twee systemen naast elkaar te bestaan aangezien de verleggingsregeling slechts toepassing kan vinden wanneer de afnemer een gecertificeerd ondernemer is.

Min. v. Fin. 10 november 2017 BZDOC-1015490419-119.

https://www.eerstekamer.nl/eu/behandeling/20171110/brief_regering_fiche_mededeling_3/document3/f=/vkjcp1xwixz9.pdf

 

Btw-aftrekverbod bij transacties met Roemeense ‘inactieven’ in strijd met EU-recht

Op 3 januari 2011 heeft Paper Consult een dienstenovereenkomst gesloten met Rom Packaging krachtens welke overeenkomst laatstgenoemde diensten heeft verleend aan Paper Consult. Rom Packaging had echter verzuimd de wettelijk verplichte belastingaangiften neer te leggen wat ertoe heeft geleid dat Rom Packaging reeds per 7 oktober 2010 inactief is verklaard om per 1 november 2010 uit het register van btw-plichtigen te worden geschrapt. Het besluit waarin Rom Packaging inactief is verklaard, is door de Roemeense Belastingdienst gepubliceerd op diens internetsite. De Belastingautoriteiten hebben aan Paper Consult te kennen gegeven dat laatstgenoemde geen recht op aftrek heeft van het bedrag dat uit hoofde van btw is betaald door Paper Consult ter zake van door Rom Packaging verrichte diensten. Immers, Rom Packaging heeft deze betreffende diensten aan Paper Consult verricht, nadat Rom Packaging als inactief in het register van ‘inactieve belastingplichtigen’ was ingeschreven. De verwijzende rechter overweegt dat de plicht tot raadpleging van de website van de Belastingdienst om na te gaan of een wederpartij al dan niet inactief verklaard is, niet als een buitensporige last te gelden heeft.

Desalniettemin stelt de verwijzende rechter de navolgende prejudiciële vraag: “Verzet richtlijn 2006/112 zich tegen een nationale regeling op grond waarvan het recht op aftrek van btw wordt geweigerd aan een belastingplichtige op de grond dat de marktdeelnemer die voor hem een dienst heeft verricht door de Belastingdienst van een lidstaat inactief is verklaard, welke inactiefverklaring voor elke belastingplichtige in die lidstaat toegankelijk is op internet?”

Het Hof overweegt dat lidstaten aan belastingplichtigen verplichtingen mogen voorschrijven welke zij noodzakelijk achten ter waarborging van een juiste inning van btw, alsmede ter voorkoming van fraude. Het mag alleen niet zo zijn dat de Belastingdienst ter verwezenlijking van genoemde doelstellingen, vereist dat belastingplichtigen grondige en complexe controles van leveranciers dienen uit te voeren om zo in feite zijn eigen controletaken naar hen door te schuiven. Van dat laatste is in de onderliggende zaak echter geen sprake aangezien het raadplegen van de lijst van inactief verklaarde belastingplichtigen heeft te gelden als een controle welke eenvoudig kan worden uitgevoerd, aldus het Hof. Desondanks overweegt het Hof dat deze wettelijke regeling verder gaat dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken. Immers, ook ingeval Rom Packaging zichzelf als belastingplichtige door middel van reactivering (lees: schrapping van de lijst) heeft geregulariseerd, kan Paper Consult als afnemer het recht op aftrek niet alsnog uitoefenen. De niet-erkenning van het recht op aftrek is zo dan ook definitief. Een zodanige omstandigheid, waarin belastingplichtigen niet de mogelijkheid hebben te bewijzen dat de met de inactief verklaarde marktdeelnemer gesloten transacties voldoen aan de in richtlijn 2006/112 gestelde voorwaarden, gaat verder dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de legitieme doelstelling van de betreffende richtlijn.

Het Hof van Justitie beantwoordt de prejudiciële vraag dan ook als volgt: “Richtlijn 2006/112 verzet zich ertegen dat aftrek van btw wordt geweigerd aan een belastingplichtige op de grond dat de marktdeelnemer die jegens hem een dienst heeft verricht, inactief is verklaard en welke verklaring voor elke belastingplichtige in die lidstaat toegankelijk is, indien deze weigering van het recht op aftrek definitief is en de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft het bewijs te leveren dat geen sprake is van belastingfraude of derving van belastinginkomsten.”

Hof van Justitie van de Europese Unie 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:775.

https://www.navigator.nl/document/idfcbf9cad6fb441d08f2c5baa04cd8158?ctx=WKNL_CSL_10000001&preventVakstudieRedirectLoop=0

Geen herziening ter zake van niet in aftrek gebrachte voorbelasting

Belanghebbende heeft in 2006 tien percelen grond gekocht. De verkopende wederpartij heeft naast de aankoopprijs eveneens een bedrag van € 79.831,93 aan verschuldigde omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft deze omzetbelasting echter nooit op de aangifte omzetbelasting in aftrek gebracht. Op 8 februari 2013 heeft de wederpartij drie percelen grond teruggekocht van belanghebbende. Laatstgenoemde heeft de ter zake van deze verkoop in rekening gebrachte omzetbelasting ten belope van € 26.470,59 niet op de aangifte voldaan. Derhalve heeft de behandelend Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 26.470 alsmede een verzuimboete van € 1.100.

Tussen partijen is in geschil de vraag of belanghebbende recht heeft op herziening van omzetbelasting op de voet van artikel 15 lid 4 Wet Omzetbelasting 1968 (hierna: artikel 15 lid 4 OB). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Primair voert belanghebbende daartoe aan dat voor de toepassing van vernoemd artikel geen bestemmingswijziging vereist is. Subsidiair stelt belanghebbende dat in 2006 sprake was van een vrijgestelde levering omdat belanghebbende de percelen heeft verhuurd aan de wederpartij. Vervolgens stelt belanghebbende meer subsidiair dat de notariële akte uit 2006 geen factuur is, dat artikel 15 OB in strijd is met de Btw-richtlijn en dat in de onderliggende zaak sprake is van een schending van het neutraliteitbeginsel. Ten aanzien van de opgelegde boete stelt belanghebbende dat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat de boete om die reden dient te vervallen.

Ten aanzien van de primaire grief van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat het recht op aftrek van voorbelasting onmiddellijk in het daartoe bestemde tijdvak dient te worden geëffectueerd. Belanghebbende had de bedoelde aftrek van voorbelasting dan ook moeten effectueren ten tijde van de facturering van de percelen in 2006. Hetgeen belanghebbende heeft nagelaten. Artikel 15 lid 4 OB voorziet voorts in de mogelijkheid tot herziening van te veel dan wel te weinig in aftrek gebrachte omzetbelasting, ingeval de bestemming van de betreffende goederen bij ingebruikname alsnog wijzigt. Wanneer het recht op aftrek dus niet onmiddellijk wordt geëffectueerd, verzetten doel en strekking van vermeld artikel zich ertegen dat de ten onrechte niet in aftrek gebrachte omzetbelasting, alsnog in aftrek wordt gebracht (ECLI:NL:HR:2010:BF0399).

Ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende luidende dat de percelen in 2006 zijn verhuurd aan de wederpartij als gevolg waarvan sprake is geweest van een vrijgestelde levering, wordt door de Rechtbank niet gevolgd. Het oordeel van de Rechtbank luidt immers dat geen sprake is geweest van verhuur daar de betreffende percelen niet ter beschikking zijn gesteld tegen een vergoeding. In dit verband verwijst de rechtbank naar de Temco Europe SA uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 18 november 2004 (ECLI:EU:C:2004:730).

In het kader van het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat belanghebbende niet heeft gehandeld als privé persoon en maar derhalve belastingplichtig was voor de Omzetbelasting. Het vorenstaande in overweging nemende komt de rechtbank tot het oordeel dat de stelling van belanghebbende dat de notariële akte op grond van Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2664) niet kwalificeert als factuur, geen hout snijdt. Dit omdat in elk geval door belanghebbende een factuur uitgereikt had dienen te worden. Van strijdigheid met de Btw-richtlijn is naar het oordeel van de Rechtbank evenmin sprake aangezien artikel 184 van de Btw-richtlijn enkel bepaalt dat de toegepaste aftrek dient te worden herzien wanneer de vooraftrek tot een te hoog dan wel een te laag bedrag is geëffectueerd. Belanghebbende heeft in zijn geheel geen aftrek van voorbelasting geëffectueerd. Daar komt nog bij dat vernoemd artikel zich niet verzet tegen het stellen van een termijn, waarbinnen voorbelasting in aftrek dient te worden gebracht. Belanghebbende heeft deze termijn van vijf jaren, waarbinnen een verzoek tot ambtshalve teruggaaf had moeten worden ingediend, overschreden. Van een schending van het neutraliteitsbeginsel is om die reden eveneens geen sprake.

Tenslotte overweegt de Rechtbank dat belanghebbende geen pleitbaar standpunt toekomt met betrekking tot de opgelegde boete. Afgezien van het feit dat überhaupt geen van de door belanghebbende aangevoerde grieven een pleitbaar standpunt wettigen, heeft belanghebbende immers niet voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. Het geheel niet doen van de vereiste aangifte omzetbelasting terwijl belanghebbende over de verkoop in 2013 wel degelijk omzetbelasting verschuldigd was, is in geen geval pleitbaar. De Rechtbank acht de op basis van artikel 67c AWR opgelegde boete dan ook passend en geboden.

Gelet op het vorenstaande verklaart de Rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boete ongegrond.

Rb. Gelderland 2 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5621.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:5621

Wetsvoorstellen vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst en Btw-constructies met (on)roerende zaken ingetrokken

De Minister-President heeft aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 1 november 2017 te kennen gegeven dat enkele wetsvoorstellen zullen worden ingetrokken.

Ten aanzien van verschillende terreinen is beslist dat wetsvoorstellen zullen worden ingetrokken, te weten: op het terrein van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Financiën, Sociale Zaken en werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Op het terrein van Financiën zullen twee wetsvoorstellen worden ingetrokken. Ten eerste zal het wetsvoorstel ‘Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst’ met kamerstuknummer 33 714 worden ingetrokken. Ten tweede zal het wetsvoorstel ‘Btw-constructies met (on)roerende zaken’ met kamerstuknummer 30 061 worden ingetrokken.

Tweede Kamer 1 november 2017 34700, nr. 50.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34700-50.html

BTW-voorstellen over maatregelen voor e-commerce

Op 7 november komt de De Raad Economische en Financiële Zaken (hierna: Ecofin) bijeen voor overleg over door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen op het gebied van modernisering en vereenvoudiging van de btw voor grensoverschrijdende e-commerce en de aanpak van concurrentienadelen voor EU-leveranciers.

De verschillende nationale btw-stelsels vormen immers een belemmering voor ondernemers die zich vanwege grensoverschrijdende ondernemingsactiviteiten begeven op de interne markt. De door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen inzake e-commerce dienen het opereren binnen de digitale interne markt door middel van modernisering en vereenvoudiging dan ook te vergemakkelijken.

In het kader van de voorgenomen vereenvoudiging wordt allereerst voorgesteld om de Mini-One-Stop-Shop (hierna: MOSS) uit te breiden. Door de vermelde regeling uit te breiden wordt het voor meer ondernemers die Business-to-Consumer (hierna: B2C) presteren aan Europese particulieren, mogelijk om zich ter zake van de verschuldigde btw in één land te registreren. Vanuit die ene lidstaat kunnen deze ondernemers dan btw afdragen met betrekking tot hun gehele Europese omzet. Hiermee komt voor deze ondernemers een einde aan de verplichting tot registratie in iedere afzonderlijke lidstaat alwaar hun particuliere afnemers zich bevinden. Daarnaast is een extra tegemoetkoming geopperd ten behoeve van ondernemers die in andere lidstaten B2C prestaties verrichten, waarvan de omvang zich beperkt tot een totale waarde van maximaal € 10.000 per jaar. De tegemoetkoming ziet erop dat deze groep ondernemers over hun omzet voortaan in de eigen lidstaat btw mogen afdragen tegen het binnenlandse tarief.

Voorts wordt in het kader van de te bestrijden concurrentienadelen voor Europese leveranciers voorgesteld om de btw-vrijstelling, zoals deze geldt voor leveranciers uit derde-landen ter zake van leveringen aan Europese consumenten met een waarde beneden de € 23, te laten vervallen. De vermelde afschaffing maakt een einde aan de benadeling van Europese leveranciers en voorziet zo in het creëren van een level playing field. Europese leveranciers zijn immers op grond van de huidige situatie reeds verplicht btw af te dragen over dergelijke prestaties.

Tenslotte wordt voorgesteld dat niet Europese ondernemers voortaan gebruik kunnen maken van de One-Stop-Shop regeling ter zake van afstandsverkopen buiten de Europese Unie van goederen met een waarde beneden de € 150. Ter voorkoming van dubbele heffing wordt bij opgaaf van een geldig OSS-nummer de invoer dan niet belast met btw.

Aangezien Nederland voorstander is van het uitgangspunt om btw-belemmeringen weg te nemen bij e-commerce, steunt Nederland het besproken voorstel.

Min. v. Fin. 30 oktober 2017 2017-0000207721.