Door belastingplichtige overgelegde brief van de Belastingdienst is vals opgemaakt – beroep op vertrouwensbeginsel faalt

Eiser (hierna: belanghebbende) is ondernemer in de bouw geweest en heeft daarbij met onderaannemers gewerkt. Naar aanleiding van een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting is tegen eiser een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dat verband is belanghebbende later veroordeeld voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en voor valsheid in geschrift door het vervalsen van facturen.

Na afloop van het strafrechtelijke onderzoek heeft verweerder (hierna: Belastingdienst) het boekenonderzoek hervat. Dit heeft geresulteerd in een naheffingsaanslag omzetbelasting wegens een te veel aan afgetrokken voorbelasting. De op de facturen vermelde btw is vanwege de toe te passen verleggingsregeling ten onrechte in rekening is gebracht, aldus de Belastingdienst. Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag betwist. Daartoe heeft hij een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. In dat verband is door eiser een brief overgelegd waarin de Belastingdienst volgens eiser toestemming heeft verleend om voorbelasting in aftrek te brengen die door onderaannemers van eiser aan eiser rekening werd gebracht. De Belastingdienst heeft de echtheid van de brief betwist.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de door eiser overgelegde brief als vals moet worden beschouwd. Zo stelt de rechtbank onder meer dat het als uitzonderlijk moet worden aangemerkt als een inspecteur toestemming zou verlenen aan een onderaannemer in de bouw om omzetbelasting in rekening te brengen aan diens afnemer en aan die afnemer toestemming zou verlenen om deze omzetbelasting in aftrek te brengen. Dit zou immers niet alleen strijdig zijn met de tekst van artikel 12, vijfde lid van de Wet OB en artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB, maar ook met het doel van deze bepalingen. Bovendien stemt het taalgebruik in de door eiser overgelegde brief volgens de rechtbank niet overeen met het taalgebruik in correspondentie van de Belastingdienst in het algemeen, niet met het taalgebruik van de in de brief genoemde medewerker van de Belastingdienst en ook niet met de schrijfstijl in het controlerapport. Op grond daarvan verwerpt de rechtbank het beroep van belanghebbende op het opgewekte vertrouwen. Belanghebbende kan eveneens geen aanspraak op de aftrek van voorbelasting ontlenen aan het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni 2012 nu belanghebbende kennis draagt van de wettelijke bepalingen omtrent de verleggingsregeling.

Belanghebbende heeft nog wel recht op een immateriële schadevergoeding, nu de redelijke termijn met drie jaren en 5 maanden is overschreden. Als uitgangspunt wordt hierbij een tarief gehanteerd van EUR 500 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding wordt afgerond op 3 jaren en 6 maanden. De Belastingdienst zal aan belanghebbende een bedrag van EUR 3.500 dienen te betalen.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:7531

Rechtbank Gelderland, 8 december 2015