Feitelijke werkzaamheden wijken af van vaststellingsovereenkomst: voor heffing omzetbelasting is vaststellingsovereenkomst leidend

Belanghebbende exploiteert een privéhuis. Dit privéhuis bestaat uit een ruimte van waaruit klanten kunnen kennismaken met prostituees en uit kamers waar prostituees hun diensten verrichten. De klanten betalen belanghebbende en belanghebbende betaalt de prostituees. Belanghebbende is voor de exploitatie van dit privéhuis ondernemer voor de omzetbelasting. Voor de jaren 2008 t/m 2014 heeft belanghebbende met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de fiscale consequenties van de exploitatie van het privéhuis, waaronder de praktische gevolgen voor de heffing van omzetbelasting. In de vaststellingsovereenkomst is de totale omzet (inclusief het door de prostituees te genieten aandeel in deze omzet) aan belanghebbende toegerekend. De vaststellingsovereenkomst bepaalt dat belanghebbende hierover omzetbelasting moet voldoen.

Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende conform de afspraken in de vaststellingsovereenkomst aangiften voor de omzetbelasting gedaan. Bij de rechtbank is in geschil of belanghebbende terecht omzetbelasting heeft voldaan over de totale binnen de onderneming gerealiseerde omzet. Hierbij stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij alleen omzetbelasting hoeft te voldoen over de omzet die ziet op de verhuur van kamers. De feitelijke werkwijze binnen het bedrijf is immers anders dan waarvan in de vaststellingsovereenkomst wordt uitgegaan. De prostituees moeten zelf over de door hun verrichte diensten omzetbelasting betalen, omdat zij deze als zelfstandig ondernemer verrichten. Belanghebbende stelt daarom dat de vaststellingsovereenkomst contra legem is door deze omzet aan belanghebbende toe te rekenen. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende. Hij meent dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat de werkwijze waarvan wordt uitgegaan in de vaststellingsovereenkomst, afwijkt van de feitelijke werkwijze. Daarnaast wijst de inspecteur erop dat belanghebbende bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar werkwijze aan de orde te stellen. Dit heeft belanghebbende niet gedaan, zodat zij volgens de inspecteur nu gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst.

De rechtbank overweegt dat krachtens de vaststellingsovereenkomst niet de omzet van de ene belastingplichtige wordt toegerekend aan de andere, maar dat de totale omzet geacht wordt te zijn gerealiseerd door belanghebbende. Dit is niet in strijd met de voor de omzetbelasting geldende wettelijke regelingen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een vaststellingsovereenkomst juist poogt discussie over de feiten te voorkomen, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van belanghebbende dat de feitelijke werkzaamheden afwijken van de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank meent overigens dat belanghebbende dit ook niet aannemelijk maakt. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat de vaststellingsovereenkomst niet contra legem is.

In hoger beroep bevestigt gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Gerechtshof Den Haag, 17 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1986

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1986