Geen recht op integrale proceskostenvergoeding

Eind 2011 heeft eiseres enkele woningen gekocht en vrijgesteld van btw verhuurd. Eind 2012 heeft eiseres deze woningen verkocht aan een gelieerde onderneming. Daarbij is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Als gevolg van een controle heeft de inspecteur (hierna: verweerder) naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetebeschikkingen ten aanzien van de jaren 2011 en 2012 opgelegd.

In de bezwaarprocedure blijven de naheffingsaanslag en boetebeschikking voor wat betreft het jaar 2011 in stand. Het gaat hierbij om voorbelasting die ten onrechte in aftrek is gebracht. De naheffingsaanslag en boetebeschikking ten aanzien van het jaar 2012 zijn verminderd naar nihil, nu de verkoop van de woningen een overgang van een algemeenheid van goederen betrof en derhalve geen omzetbelasting hierover verschuldigd was.

Voor de rechtbank is nog in geschil of (1) de boete over het jaar 2011 terecht is opgelegd en of (2) het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding terecht is afgewezen.

  1. Boete

De opgelegde boete betreft de aftrek van voorbelasting. Verweerder stelt dat het aan grove schuld van eiseres te wijten is dat over 2011 te weinig belasting is betaald en legt daarom op grond van art. 67f AWR een vergrijpboete van 25% op. Eiseres stelt dat van grove schuld geen sprake is, omdat haar directeur tot een cursus in 2013 onvoldoende kennis had van omzetbelasting en daarom niet wist dat hij niet alle voorbelasting in aftrek mocht brengen. Verweerder heeft aangevoerd dat de directeur wel degelijk voldoende kennis van omzetbelasting had en dat de directeur had moeten weten dat hij niet de voorbelasting kon aftrekken. Gelet op de vrijgestelde prestaties van eiseres, had zij volgens verweerder moeten concluderen dat de voorbelasting niet op belaste prestaties zag.

De rechtbank oordeelt dat verweerder geslaagd is in de bewijslast dat sprake is van grove schuld. De rechtbank laat daarbij in het midden hoeveel kennis de directeur had. Als de directeur onvoldoende kennis had, dan had hij een adviseur moeten inschakelen. De rechtbank meent dat het aftrekken van voorbelasting, terwijl geen belaste prestaties worden verricht, dermate lichtvaardig handelen oplevert dat het aan de grove schuld van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Eiseres – en daarmee de directeur – had moeten weten dat geen recht op aftrek bestond. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de boete over het jaar 2011 terecht is opgelegd.

  1. Integrale proceskostenvergoeding

Voor wat betreft de toekenning van een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient op grond van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht sprake te zijn van bijzondere omstandigheden. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak doet/in rechte handhaaft terwijl op dat moment al duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (HR 13 april 2007, ECLI: NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit een grond opleveren om een bijzondere omstandigheid aan te nemen (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Eiseres stelt dat het zo evident is dat bij de verkoop van de verhuurde woningen sprake was van een overgang van een algemeenheid van goederen, dat het in verregaande mate onzorgvuldig was van verweerder om een naheffingsaanslag met boete op te leggen.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. De rechtbank meent dat het aan eiseres zelf te wijten is dat de inspecteur dit punt niet heeft onderkend. Eiseres nam zelf wisselende standpunten in over de fiscale eenheid, waarbij de namen van de vennootschappen diverse keren zijn veranderd waardoor het onoverzichtelijk werd. Eveneens volgt uit het controlerapport niet dat aan de orde is geweest dat sprake zou zijn van een algemeenheid van goederen. Ondanks dat de rechtbank van oordeel is dat de controleur zonder een specifieke stelling van eiseres had moeten onderkennen dat sprake was van een overgang van algemeenheid van goederen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de controleur dit punt niet heeft onderkend en daarom geen sprake is geweest van bewustheid of van handelen tegen beter weten in. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van zodanige onzorgvuldigheid van verweerder dat een integrale proceskostenvergoeding op zijn plaats is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Rechtbank Gelderland, 28-6-2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:3446