Geen reden om af te wijken van forfaitaire proceskostenvergoeding

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2008 t/m 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Ook is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend. De Inspecteur heeft in bezwaar de naheffingsaanslag omzetbelasting en heffingsrente verminderd. Belanghebbende is tegen deze uitspraak op bezwaar in beroep gegaan.

De Inspecteur is na het instellen van beroep alsnog volledig aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet gekomen. Belanghebbende heeft hierop het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten op grond van art. 8:75a Awb.

De rechtbank heeft aan belanghebbende overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 973 toegekend. Belanghebbende wenst echter de integrale proceskosten vergoed te krijgen en heeft hoger beroep ingesteld.

Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt dat afgeweken kan worden van de forfaitaire bedragen “indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Deze regel sluit niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bbp (zie HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975). ”

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de controleambtenaar reeds voor het opleggen van de naheffingsaanslagen twee factuurkopieën in handen had waaruit bleek dat door belanghebbende geen fout is gemaakt in deze in geschil zijnde boekstuknummers. De Belastingdienst heeft deze stelling van belanghebbende betwist.

Het is aan belanghebbende om diens stelling aannemelijk te maken. Hierin slaagt belanghebbende naar de mening van het Hof echter niet. Voorts overweegt het Hof dat zelfs al zou de stelling van belanghebbende zijn gevolgd, dit nog niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat zou hebben geleid, daar ook andere boekstuknummers in geschil waren waarvoor een naheffingsaanslag kon worden opgelegd. Tot slot acht het Hof ook de stelling van de voormalige gemachtigde van belanghebbende, namelijk dat sprake was van een communicatiestop, niet aannemelijk. Bewijs dat communicatie met de Inspecteur juist wel mogelijk was, vindt het Hof in de verlaging van de naheffingsaanslag in verschillende fasen van de gevoerde procedure.

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:1766