Het buiten toepassing laten van verjaringsregels bij btw-fraude is mogelijk

In de onderhavige zaak worden zeven verdachten in Italië strafrechtelijk vervolgd wegens btw-carrouselfraude in de jaren 2005-2009. Volgens de verwijzende rechter zullen alle strafbare feiten uiterlijk 8 februari 2018 verjaren, nog vóór jegens de verdachten een definitief vonnis kan worden uitgesproken. Uit vrees dat de verdachten straffeloosheid kunnen genieten als gevolg van het verstrijken van de verjaringstermijn heeft de rechter prejudiciële vragen gesteld.

Naar het oordeel van het Hof moeten lidstaten volgens artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU)onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden met afschrikkende en doeltreffende maatregelen en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.
Lidstaten zijn vrij in hun keuze van de op te leggen sancties. Niettemin kunnen strafsancties noodzakelijk zijn om bepaalde gevallen van ernstige btw-fraude daadwerkelijk en op afschrikkende wijze te bestrijden. Het is de taak van de nationale rechter om na te gaan of de toepasselijke nationale bepalingen een daadwerkelijke en afschrikkende bestraffing mogelijk maken van gevallen van ernstige fraude die de financiële belangen van de Unie schaden. Als de nationale rechter tot de slotsom komt dat door verjaring ernstige fraude niet strafrechtelijk kan worden bestraft, kunnen de maatregelen niet worden beschouwd als doeltreffend en afschrikkend, hetgeen onverenigbaar is met artikel 325 VWEU.

Het is aan de nationale rechter om de volle werking van het Unierecht te waarborgen door, indien nodig, verjaringsregels buiten toepassing te laten, zonder dat hij hoeft te verzoeken of af te wachten dat deze bepalingen eerst door de wetgever worden ingetrokken.

Hof van Justitie, 8 september 2015, C-105/14

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=167061&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=836276