HR: factuurbegrip dient ruim uitgelegd te worden

Belanghebbende (een ondernemer in de zin van artikel 7 Wet OB) heeft door middel van cessie vorderingen en aanspraken op een aantal vennootschappen en natuurlijke personen verkregen. Met een van deze vennootschappen, X BV, is belanghebbende overeengekomen dat X BV de vorderingen in deelbetalingen aflost. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft belanghebbende enkele bescheiden met het opschrift ‘factuur’ aan X BV uitgereikt. Op deze bescheiden zijn factuurnummers vermeld; de opgeëiste bedragen zijn vermeerderd met 19% btw.

X BV is failliet gegaan voordat alle deelbetalingen zijn gedaan. Ter zake van de facturen die wel betaald zijn heeft X BV btw in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft de ontvangen btw aangegeven noch voldaan. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd.

Hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 37 Wet OB de in rekening gebrachte btw verschuldigd is. Daarnaast heeft het Hof overwogen dat artikel 29, lid 1 Wet OB toepassing mist.

Belanghebbende heeft in cassatie aangevoerd dat de facturen niet in de hoedanigheid van ondernemer zijn uitgereikt, nu het aflossen van een vordering geen economische activiteit vormt en evenmin samenhangt met de onderneming(sactiviteiten). Artikel 37 Wet OB kan dan geen toepassing vinden. Voorts heeft belanghebbende -met een beroep op artikel 29 lid 1 Wet OB – betoogd dat de Belastingdienst niet meer omzetbelasting mag ontvangen dan dat aan de opsteller van de factuur is betaald, omdat dit anders strijd zou opleveren met het neutraliteitsbeginsel.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Op grond van artikel 37 Wet OB is hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van btw, deze btw verschuldigd, zelfs wanneer een belastbare handeling ontbreekt. De Hoge Raad overweegt dat onder het begrip ‘factuur’ in de zin van artikel 37 Wet OB “buiten redelijke twijfel” moet worden verstaan elk bescheid waarin van een ander betaling wordt gevorderd. Belanghebbende is door het versturen van dergelijke bescheiden, die dus kwalificeren als factuur in de zin van artikel 37 Wet OB, de vermelde btw verschuldigd geworden. Dat de gevorderde betaling niet samenhangt met de ondernemersactiviteiten van belanghebbende maakt dit niet anders.

Ingevolge artikel 29 lid 1 Wet OB wordt het bedrag aan verschuldigde btw verminderd, indien de belastingplichtige de overeengekomen tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt. De Hoge Raad overweegt echter dat deze bepaling, met inachtneming van de achterliggende bepaling in de Btw-richtlijn, enkel ziet op gevallen waarin een belaste levering of belaste dienst is overeengekomen. Nu het Hof reeds – in cassatie niet bestreden – heeft vastgesteld dat op de bescheiden vermelde bedragen niet de tegenprestatie vormen voor dergelijke leveringen of diensten, faalt ook dit middel.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:356