Ondanks onjuist betalingskenmerk komt het terugstorten voor risico van verweerder

Eiseres heeft aangifte omzetbelasting gedaan en de verschuldigde belasting ad € 22 onder vermelding van een onjuist betalingskenmerk voldaan. Vanwege dit onjuiste betalingskenmerk is het bedrag teruggestort op de bankrekening van eiseres. Vervolgens is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het bedrag van € 22 en een boete van € 50.

In bezwaar wordt de boete verminderd tot nihil en wordt een proceskostenvergoeding toegekend. De aanmaningskosten zijn vervallen. Omdat de verschuldigde belasting nog niet is ontvangen, is het bezwaar gedeeltelijk afgewezen. Per saldo dient eiseres volgens verweerder de verschuldigde omzetbelasting namelijk alsnog te voldoen.

In beroep voert eiseres aan dat de belastingschuld door haar betaling teniet is gegaan en dat zij dus niets meer verschuldigd is. De omstandigheid dat het betaalde heeft teruggestort in verband met een onjuist betalingskenmerk is volgens eiseres voor risico van verweerder.

De rechtbank gaat in haar overwegingen in op het arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN3847). De Hoge Raad heeft daarin geoordeeld dat door overmaking de verschuldigde belasting is betaald in de zin van art. 20 AWR, en daarom in beginsel geen grond bestond voor naheffing. De rechtbank neemt aan dat dit oordeel impliciet berust op art. 6:114 lid 2 BW, waarin is bepaald dat girale betaling plaatsvindt op het moment waarop het geld op de rekening van de schuldeiser wordt bijgeschreven. De rechtbank is echter van oordeel dat de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een betaling aan de Belastingdienst, gelet op de omvang van de organisatie van de Belastingdienst en het grote aantal betalingen dat dagelijks bij de Belastingdienst binnen komt, dient te worden gedaan onder vermelding van het juiste betalingskenmerk en dat een betaling zonder het juiste kenmerk, welke betaling direct wordt teruggestort omdat niet traceerbaar is waarop deze betrekking heeft, niet geldt als een betaling in de zin van art. 6:114 lid 1 BW. Girale betaling kan volgens dit artikellid namelijk door de schuldeiser worden uitgesloten en de schuldeiser kan ook een bepaalde rekening aanwijzen, waardoor een andere rekening uitgesloten is. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het ook mogelijk is dat de schuldeiser alleen girale betaling accepteert als het juiste kenmerk is vermeld.

Nu dit echter niet door verweerder is aangevoerd, en gelet op de uitspraak van de Hoge Raad en het geringe betrokken bedrag, stelt de rechtbank eiseres in het gelijk en verklaart het beroep gegrond.

Rechtbank Gelderland, 15-8-16

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:4501