Onduidelijkheid omtrent verzenddatum poststuk voor rekening van verzender

Belanghebbende verricht in 2003 en 2004 werkzaamheden in de tuinbouw. De Inspecteur legt naheffingsaanslagen omzetbelasting met boetebeschikkingen op voor de jaren 2003 en 2004, gedagtekend respectievelijk 24 december 2008 en 24 december 2009. Belanghebbende stelt voornoemde naheffingsaanslagen eerst op 15 januari 2009 en 7 januari 2010 te hebben ontvangen en betwist dat de naheffingsaanslagen uiterlijk 31 december 2008 respectievelijk 31 december 2009 ter post zijn bezorgd. Het bezwaar en beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep  is onder andere in geschil  of de naheffingsaanslagen – en daarmee de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente – binnen de termijn van art. 20 lid 3 AWR zijn opgelegd.

Ingevolge art. 5 lid 1 AWR geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. Nu de datum van bekendmaking na de datum van dagtekening ligt, komt voor toepassing van art. 5 lid 1 AWR de datum van bekendmaking van de belastingaanslag in de plaats van de dagtekening van het aanslagbiljet. Dit zou in dit geval betekenen dat de naheffingsaanslagen 2003 en 2004, inclusief boetebeschikkingen, niet binnen de daarvoor geldende termijnen zijn vastgesteld. Het is aan de Inspecteur om de gemotiveerde stellingname van belanghebbende te weerleggen.

De Inspecteur voert aan dat uit het interne informatiesysteem van de Belastingdienst blijkt dat de naheffingsaanslagen vóór de dagtekening ter post zijn bezorgd. Belanghebbende stelt echter dat de gegevens die aan dit systeem worden ontleend van algemene aard zijn en geen inlichtingen verschaffen over individuele poststukken.

Het Hof oordeelt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen 2003 en 2004 tijdig zijn opgelegd. Het Hof overweegt dat onduidelijkheid omtrent de verzenddatum van een poststuk voor rekening van de verzender komt en vernietigt om die reden de naheffingsaanslagen 2003 en 2004.

Op het beroep in cassatie volgt een art. 81 RO afdoening.

Hoge Raad 18 december 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:3587