Voorraadadministratie coffeeshop gebrekkig; informatiebeschikking terecht vastgesteld

Belanghebbende drijft een coffeeshop. In 2013 stelt de Inspecteur een boekenonderzoek in. Naar aanleiding van dit onderzoek stelt de Inspecteur een informatiebeschikking vast. Naar zijn mening voldoet de voorraadadministratie niet aan de eisen die de wet stelt. Zo constateert de Inspecteur dat de voorraadadministratie niet strookt met de verkochte aantallen softdrugs, dat er geen deugdelijke kascontrole heeft plaatsgevonden, dat ten aanzien van de inkoop van “gripzakjes” geen inkoopnota’s zijn bewaard en dat de brutowinstmarges onwaarschijnlijk en onlogisch fluctueren.

Belanghebbende heeft tegen de informatiebeschikking bezwaar en beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep voert belanghebbende aan dat zij wel voldoet aan de wettelijke voorschriften en dat de inhoudelijke gebreken (indien al aanwezig) dusdanig klein zijn dat dit geen schending van de administratieplicht inhoudt. De Inspecteur betwist de stelling van belanghebbende.

Het Hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de administratieplicht, rekening moet worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming. Dit brengt mee dat van een coffeeshop – gelet op de met softdrugs verbonden strafrechtelijke problematiek – niet mag worden verwacht dat deze beschikt over facturen en betalingsbewijzen van de inkoop van softdrugs. Dit neemt echter niet weg de verplichting op de voet van artikel 52 ARW van belanghebbende om de inkoop van softdrugs op een systematische en voor de Inspecteur inzichtelijke en controleerbare wijze vast te leggen (vlgs. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

 Naar het oordeel van het Hof voldoet de administratie van belanghebbende niet aan de eisen van artikel 52 AWR. Vanwege gebreken in de wijze van administreren is het voor de Inspecteur niet mogelijk om op een verantwoorde wijze de volledigheid en de verantwoording van inkopen en verkopen te controleren. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat er aanwijzingen bestaan voor twijfel aan de juistheid van hetgeen in de administratie is vastgelegd, gelet op de sterke wisseling in behaalde brutowinstpercentages.

De hiervoor genoemde gebreken kunnen – zoals belanghebbende aanbood – niet achteraf worden hersteld. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:2456