Voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het niet indienen van suppleties (schending art. 10a AWR)

Bij de FIOD is een melding binnengekomen dat de onderneming waarvan verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is, de omzetbelasting niet volledig zou hebben afgedragen. De FIOD heeft deze melding doorgegeven aan de Belastingdienst, waarna een boekenonderzoek is ingesteld. Uit het onderzoek is gebleken dat over een aantal jaren onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Het fiscaal nadeel zou € 146.434 bedragen.

Verdachte is door meerdere getuigen, waaronder zijn accountant(s) en boekhouder(s), erop gewezen dat een suppletieaangifte moest worden ingediend. Verdachte zou de suppletieaangifte niet ingediend willen hebben, omdat hij de cijfers niet vertrouwde.

Volgens de Rechtbank had verdachte van meet af aan wetenschap van het feit dat de aangiften omzetbelasting niet correct waren gedaan. De Rechtbank is van oordeel dat verdachte ondanks die wetenschap niet is overgegaan tot het indienen van de vereiste aangiften dan wel suppleties. Verdachte stelt dat hij wilde afwachten tot het moment dat hij zekerheid had over de vraag of de gevoerde administratie al dan niet correct was en daarmee niet bewust de onjuiste aangiften dan wel het achterwege laten van corrigerende inlichtingen zou hebben geaccordeerd. Dit wordt volgens de Rechtbank weersproken door de wetenschap die bij verdachte bestond over de opgezette constructies teneinde de verschuldigde omzetbelasting niet, dan wel niet tijdig te hoeven betalen. Daarnaast is volgens de Rechtbank niet gebleken dat de administratie incorrect was. Dat verdachte telkenmale, in weerwil van de conclusies van zijn boekhouders en accountants, naar eigen zeggen meende dat de administratie niet betrouwbaar was en op grond van zijn ‘zesde zintuig’ minder omzetbelasting afdroeg dan door zijn adviseurs was berekend, sterkt de Rechtbank in haar conclusie dat verdachte bewust de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan dan wel opzettelijk de suppletieaangiften (art. 10a AWR) achterwege heeft gelaten in zijn rol als feitelijk leidinggever.

Bij bepaling van de straf moet volgens de Rechtbank rekening gehouden worden met het feit dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke delicten met justitie in aanraking is geweest en dat verdachte reeds op leeftijd is. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren om bij verdachte door te dringen dat hij zijn fiscale verplichtingen stipt dient na te komen.

Rechtbank Overijssel, 8 februari 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2016:420