Van BTW formeel

Geen herziening ter zake van niet in aftrek gebrachte voorbelasting

Belanghebbende heeft in 2006 tien percelen grond gekocht. De verkopende wederpartij heeft naast de aankoopprijs eveneens een bedrag van € 79.831,93 aan verschuldigde omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft deze omzetbelasting echter nooit op de aangifte omzetbelasting in aftrek gebracht. Op 8 februari 2013 heeft de wederpartij drie percelen grond teruggekocht van belanghebbende. Laatstgenoemde heeft de ter zake van deze verkoop in rekening gebrachte omzetbelasting ten belope van € 26.470,59 niet op de aangifte voldaan. Derhalve heeft de behandelend Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 26.470 alsmede een verzuimboete van € 1.100.

Tussen partijen is in geschil de vraag of belanghebbende recht heeft op herziening van omzetbelasting op de voet van artikel 15 lid 4 Wet Omzetbelasting 1968 (hierna: artikel 15 lid 4 OB). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Primair voert belanghebbende daartoe aan dat voor de toepassing van vernoemd artikel geen bestemmingswijziging vereist is. Subsidiair stelt belanghebbende dat in 2006 sprake was van een vrijgestelde levering omdat belanghebbende de percelen heeft verhuurd aan de wederpartij. Vervolgens stelt belanghebbende meer subsidiair dat de notariële akte uit 2006 geen factuur is, dat artikel 15 OB in strijd is met de Btw-richtlijn en dat in de onderliggende zaak sprake is van een schending van het neutraliteitbeginsel. Ten aanzien van de opgelegde boete stelt belanghebbende dat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat de boete om die reden dient te vervallen.

Ten aanzien van de primaire grief van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat het recht op aftrek van voorbelasting onmiddellijk in het daartoe bestemde tijdvak dient te worden geëffectueerd. Belanghebbende had de bedoelde aftrek van voorbelasting dan ook moeten effectueren ten tijde van de facturering van de percelen in 2006. Hetgeen belanghebbende heeft nagelaten. Artikel 15 lid 4 OB voorziet voorts in de mogelijkheid tot herziening van te veel dan wel te weinig in aftrek gebrachte omzetbelasting, ingeval de bestemming van de betreffende goederen bij ingebruikname alsnog wijzigt. Wanneer het recht op aftrek dus niet onmiddellijk wordt geëffectueerd, verzetten doel en strekking van vermeld artikel zich ertegen dat de ten onrechte niet in aftrek gebrachte omzetbelasting, alsnog in aftrek wordt gebracht (ECLI:NL:HR:2010:BF0399).

Ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende luidende dat de percelen in 2006 zijn verhuurd aan de wederpartij als gevolg waarvan sprake is geweest van een vrijgestelde levering, wordt door de Rechtbank niet gevolgd. Het oordeel van de Rechtbank luidt immers dat geen sprake is geweest van verhuur daar de betreffende percelen niet ter beschikking zijn gesteld tegen een vergoeding. In dit verband verwijst de rechtbank naar de Temco Europe SA uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 18 november 2004 (ECLI:EU:C:2004:730).

In het kader van het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende overweegt de Rechtbank dat belanghebbende niet heeft gehandeld als privé persoon en maar derhalve belastingplichtig was voor de Omzetbelasting. Het vorenstaande in overweging nemende komt de rechtbank tot het oordeel dat de stelling van belanghebbende dat de notariële akte op grond van Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2664) niet kwalificeert als factuur, geen hout snijdt. Dit omdat in elk geval door belanghebbende een factuur uitgereikt had dienen te worden. Van strijdigheid met de Btw-richtlijn is naar het oordeel van de Rechtbank evenmin sprake aangezien artikel 184 van de Btw-richtlijn enkel bepaalt dat de toegepaste aftrek dient te worden herzien wanneer de vooraftrek tot een te hoog dan wel een te laag bedrag is geëffectueerd. Belanghebbende heeft in zijn geheel geen aftrek van voorbelasting geëffectueerd. Daar komt nog bij dat vernoemd artikel zich niet verzet tegen het stellen van een termijn, waarbinnen voorbelasting in aftrek dient te worden gebracht. Belanghebbende heeft deze termijn van vijf jaren, waarbinnen een verzoek tot ambtshalve teruggaaf had moeten worden ingediend, overschreden. Van een schending van het neutraliteitsbeginsel is om die reden eveneens geen sprake.

Tenslotte overweegt de Rechtbank dat belanghebbende geen pleitbaar standpunt toekomt met betrekking tot de opgelegde boete. Afgezien van het feit dat überhaupt geen van de door belanghebbende aangevoerde grieven een pleitbaar standpunt wettigen, heeft belanghebbende immers niet voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. Het geheel niet doen van de vereiste aangifte omzetbelasting terwijl belanghebbende over de verkoop in 2013 wel degelijk omzetbelasting verschuldigd was, is in geen geval pleitbaar. De Rechtbank acht de op basis van artikel 67c AWR opgelegde boete dan ook passend en geboden.

Gelet op het vorenstaande verklaart de Rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boete ongegrond.

Rb. Gelderland 2 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5621.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:5621

Wetsvoorstellen vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst en Btw-constructies met (on)roerende zaken ingetrokken

De Minister-President heeft aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 1 november 2017 te kennen gegeven dat enkele wetsvoorstellen zullen worden ingetrokken.

Ten aanzien van verschillende terreinen is beslist dat wetsvoorstellen zullen worden ingetrokken, te weten: op het terrein van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Financiën, Sociale Zaken en werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Op het terrein van Financiën zullen twee wetsvoorstellen worden ingetrokken. Ten eerste zal het wetsvoorstel ‘Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst’ met kamerstuknummer 33 714 worden ingetrokken. Ten tweede zal het wetsvoorstel ‘Btw-constructies met (on)roerende zaken’ met kamerstuknummer 30 061 worden ingetrokken.

Tweede Kamer 1 november 2017 34700, nr. 50.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34700-50.html

BTW-voorstellen over maatregelen voor e-commerce

Op 7 november komt de De Raad Economische en Financiële Zaken (hierna: Ecofin) bijeen voor overleg over door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen op het gebied van modernisering en vereenvoudiging van de btw voor grensoverschrijdende e-commerce en de aanpak van concurrentienadelen voor EU-leveranciers.

De verschillende nationale btw-stelsels vormen immers een belemmering voor ondernemers die zich vanwege grensoverschrijdende ondernemingsactiviteiten begeven op de interne markt. De door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen inzake e-commerce dienen het opereren binnen de digitale interne markt door middel van modernisering en vereenvoudiging dan ook te vergemakkelijken.

In het kader van de voorgenomen vereenvoudiging wordt allereerst voorgesteld om de Mini-One-Stop-Shop (hierna: MOSS) uit te breiden. Door de vermelde regeling uit te breiden wordt het voor meer ondernemers die Business-to-Consumer (hierna: B2C) presteren aan Europese particulieren, mogelijk om zich ter zake van de verschuldigde btw in één land te registreren. Vanuit die ene lidstaat kunnen deze ondernemers dan btw afdragen met betrekking tot hun gehele Europese omzet. Hiermee komt voor deze ondernemers een einde aan de verplichting tot registratie in iedere afzonderlijke lidstaat alwaar hun particuliere afnemers zich bevinden. Daarnaast is een extra tegemoetkoming geopperd ten behoeve van ondernemers die in andere lidstaten B2C prestaties verrichten, waarvan de omvang zich beperkt tot een totale waarde van maximaal € 10.000 per jaar. De tegemoetkoming ziet erop dat deze groep ondernemers over hun omzet voortaan in de eigen lidstaat btw mogen afdragen tegen het binnenlandse tarief.

Voorts wordt in het kader van de te bestrijden concurrentienadelen voor Europese leveranciers voorgesteld om de btw-vrijstelling, zoals deze geldt voor leveranciers uit derde-landen ter zake van leveringen aan Europese consumenten met een waarde beneden de € 23, te laten vervallen. De vermelde afschaffing maakt een einde aan de benadeling van Europese leveranciers en voorziet zo in het creëren van een level playing field. Europese leveranciers zijn immers op grond van de huidige situatie reeds verplicht btw af te dragen over dergelijke prestaties.

Tenslotte wordt voorgesteld dat niet Europese ondernemers voortaan gebruik kunnen maken van de One-Stop-Shop regeling ter zake van afstandsverkopen buiten de Europese Unie van goederen met een waarde beneden de € 150. Ter voorkoming van dubbele heffing wordt bij opgaaf van een geldig OSS-nummer de invoer dan niet belast met btw.

Aangezien Nederland voorstander is van het uitgangspunt om btw-belemmeringen weg te nemen bij e-commerce, steunt Nederland het besproken voorstel.

Min. v. Fin. 30 oktober 2017 2017-0000207721.

 

Zekerheidsstelling van € 500.000 voor btw-registratie niet in strijd met EU-recht

Aangezien de in Slowakije gevestigde BB-Construct een omzet van ten minste € 49.970 had behaald, was zij onder Slowaaks recht verplicht een aanvraag tot btw-registratie in te dienen. Op basis van de betreffende Slowaakse Btw-wet diende ter zake van deze registratie door BB-Construct echter een zekerheid te worden gesteld gedurende twaalf maanden. Deze zekerheid betrof een bedrag van € 500.000 en moest binnen 20 dagen door BB-Construct aan de Slowaakse Belastingdienst worden betaald.

De Slowaakse Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat de verplichting tot het stellen van een dergelijke zekerheid gerechtvaardigd was aangezien de bestuurder van BB-Construct een persoonlijke betrekking onderhield met een andere vennootschap, welke nog een btw-schuld had openstaan van meer dan € 1.000. BB-Construct heeft om nietigverklaring dan wel verlaging van de zekerheidstellingsverplichting verzocht. De rechter heeft aan het vernoemde verzoek gevolg gegeven door nietigverklaring van de zekerheidstellingsverplichting. De Slowaakse Belastingdienst heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld ten gevolge waardoor het hoogste Slowaakse rechtscollege nu uitspraak in het geding dient te doen.

Het betreffende rechtscollege schorst de behandeling van de zaak en stelt aan het Europees Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag:

‘’Levert het opleggen van de verplichting tot het stellen van een fiscale zekerheid ten belope van € 500.000 op de grond dat de huidige bestuurder van een bepaalde rechtspersoon, bestuurder is geweest van een andere rechtspersoon met een nog openstaande belastingschuld, strijd op met de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie en/of het ne-bis-in-idembeginsel?’’

Ter beantwoording van de bovenstaande vraag overweegt het Hof van Justitie ten eerste dat het betreffende vereiste tot het stellen van een zekerheid geen strafrechtelijk doel dient. Immers, vaststaat dat de rechtspersoon die een aanvraag ter registratie indient geen overtreding heeft begaan, alsmede dat het doel van de maatregel is gelegen in het garanderen van een toekomstig juiste inning van btw. Zodoende heeft de betreffende maatregel strekkende tot het stellen van zekerheid geen bestraffend karakter ten gevolge waarvan geen strijd met het ne-bis-in-idembeginsel bestaat.

Ter zake van de vraag of de betreffende maatregel indruist tegen de vrijheid van ondernemerschap overweegt het Hof vervolgens dat aan de genoemde vrijheid geen absolute gelding toekomt. Zo kan een lidstaat de bedoelde vrijheid begrenzen in het kader van het algemeen belang, mits de betreffende beperkingen noodzakelijk zijn en niet verder reiken dan nodig is ter verzekering van een juiste inning van btw. Het Hof kan zich hieromtrent in concreto niet uitlaten daar een zodanige beoordeling is voorbehouden aan de verwijzende nationale rechter.

Omtrent het verbod op discriminatie overweegt het Hof tenslotte dat, behoudens een objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare gevallen niet verschillend en verschillende gevallen niet gelijk dienen te worden behandeld. In dit kader is relevant dat ter verzekering van een juiste inning van btw, nieuwe belastingplichtigen op grond van de betreffende maatregel onderworpen worden aan de verplichting tot het stellen van zekerheid indien zij een risico ter zake van nieuwe belastingschulden opleveren. Zodoende strekt de bedoelde maatregel zich uit tot een groep belastingplichtigen die zich in een andere situatie bevinden dan belastingplichtigen die niet het vermelde risico opleveren. Om die reden is de verschillende behandeling zoals de bedoelde maatregel die teweegbrengt, gerechtvaardigd.

Gelet op alle voorgaande overwegingen, moet de prejudiciële vraag worden beantwoord als volgt:

’het gelijkheidsbeginsel alsmede de vrijheid van ondernemerschap verzetten zich er niet tegen dat een Belastingdienst bij de btw-registratie van een belastingplichtige, waarvan de bestuurder voorheen bestuurder was van een andere rechtspersoon die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, verlangt dat die belastingplichtige een zekerheid stelt waarvan het bedrag kan oplopen tot € 500.000 indien deze verlangde zekerheid niet verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van een juiste inning van btw.’’

Hof van Justitie 26 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:820.

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30d623adf63d7ffe4fefb7d19a7db79c23b5.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxyMc3r0?text=&docid=196125&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=461734

Besluit administratieve-, facturerings- en andere verplichtingen gewijzigd

Bij besluit van 10 oktober 2017 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2017-59187.html) wijzigt de Staatssecretaris diens besluit van 6 december 2014 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0035935/2017-10-20). De betreffende wijzigingen zullen ingang vinden per 20 oktober 2017. In dit artikel worden de meest relevante onderdelen van het wijzigingsbesluit besproken.

Allereerst schept het wijzigingsbesluit de mogelijkheid dat prestaties van meerdere ondernemers voortaan op één (gezamenlijke) factuur kunnen worden opgenomen. Zodoende kunnen ondernemers per 20 oktober 2017 overeenkomen dat één van deze betrokken ondernemers de tussen deze ondernemers afzonderlijk verrichte prestaties, op één bescheid vermeldt. Dit betreffende bescheid kan echter voor de btw-doeleinden alleen als een factuur kwalificeren wanneer daarop alle gegevens zijn opgenomen, welke de afzonderlijke facturen zouden hebben bevat indien voor iedere afzonderlijke prestatie een aparte factuur zou zijn uitgereikt. De ondernemer die het zojuist omschreven bescheid uitreikt, reikt deze namens alle betrokken ondernemers uit. Deze afzonderlijke ondernemers zijn echter ieder zelfstandig verantwoordelijk voor de btw-verplichtingen voor zover die op hen van toepassing zijn.

Voorts is een wijziging aangekondigd welke ziet op de vormvereisten van een factuur. In dit kader wordt gevolg gegeven aan het feit dat de Hoge Raad inmiddels heeft uitgewezen dat alleen sprake kan zijn van een factuur indien het een bescheid betreft waarop de betaling van een bedrag wordt gevorderd en het tevens alle vereiste factuurgegevens bevat (ECU:NL:HR:2016:2664). Met betrekking tot het openbaar vervoer kwalificeert voortaan het vervoersbewijs als factuur. Aangezien dergelijke fysieke vervoersbewijzen echter met de invoering van de OV-chipkaart niet langer worden verstrekt, keurt de staatssecretaris goed dat de transactieoverzichten van reizen worden aangemerkt als vervoersbewijzen. De bedoelde transactieoverzichten dienen dan echter wel de in het besluit nader vermelde elementen te bevatten.

Vervolgens kondigt het wijzigingsbesluit een aanpassing aan inzake de behandeling van facturen welke gebreken bevatten. Onlangs heeft Europese jurisprudentie immers uitgewezen dat het recht op aftrek van btw niet mag worden geweigerd op de blote grond dat een factuur niet voldoet aan alle formele vereisten, indien daarop wel alle gegevens voorhanden zijn om te bepalen of is voldaan aan de materiele voorwaarden voor het recht op aftrek (ECLI:EU:2016:690). Inzake deze beoordeling betreffende de vraag of aan deze materiële voorwaarden is voldaan, moet tevens rekening worden gehouden met door de ondernemer verstrekte aanvullende informatie. Desalniettemin wordt de aftrek van btw alsnog geweigerd wanneer de ontvanger van een factuur redelijkerwijs moest vermoeden dat degene die de factuur uitreikte, de op diens prestatie verschuldigde btw niet zou afgedragen. Tenslotte kan de constatering dat het toestaan van aftrek zou resulteren in een miskenning van de strekking van de betreffende wettelijke bepalingen, in de weg staan aan het recht op aftrek van btw. Het bovenstaande laat echter onverlet dat het schenden van de wettelijke factuureisen kan leiden tot de oplegging van een verzuimboete ex artikel 67ca lid 1 sub e AWR.

Tenslotte voegt het wijzigingsbesluit een geheel nieuw onderdeel aan het voormalige besluit toe omtrent de behandeling van een boedelbijdrage. Een dergelijke bijdrage betreft de vergoeding die aan de faillissementscurator wordt voldaan in het kader van verrichte werkzaamheden ten aanzien van separatisten. Indien in dit kader sprake is van een rechtstreeks verband tussen de werkzaamheden verricht door de curator en de betaling door de separatist, kan het zijn dat die boedelbijdrage belast is met btw. Dit laatste is alleen dan het geval wanneer de gefailleerde als ondernemer kwalificeert voor de btw-doeleinden en de verrichte dienst niet valt te relateren aan diens privévermogen.

Ministerie van Financiën 10 oktober 2017, BLKB2017/7366.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2017-59187.html

Rechtbank matigt boete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van suppletieaangiften

Belanghebbende is enig aandeelhouder van een besloten vennootschap (hierna: B.V.) waarvan de activiteiten bestaan uit het verstrekken van juridisch en financieel advies, alsmede het verzorgen van ondersteuning op administratief gebied. Belanghebbende was tevens verantwoordelijk voor de dagelijkse administratie van de B.V. en heeft in dit kader dan ook de aangiften omzetbelasting verzorgd. Op 10 april 2015 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar de juistheid van de bedoelde aangiften omzetbelasting. Kort daarna, op 29 april 2015, heeft belanghebbende namens de B.V. op 29 april 2015 suppletieaangiften omzetbelasting ingediend voor de jaren 2010 tot en met 2012.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur op 18 december 2015 aan de B.V. een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 5.000 wegens het schenden van de verplichting tot het doen van een suppletieaangifte ex artikel 10a AWR jo. artikel 15 Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting. Daarnaast heeft de Inspecteur op 9 maart 2016 belanghebbende geconfronteerd met een bestuurlijke boete ten bedrage van € 5.000 wegens het feitelijk leiding geven aan de voornoemde beboetbare gedraging van de B.V.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de bestuurlijke boete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd door de behandelend Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.

De Rechtbank overweegt dat belanghebbende in diens hoedanigheid van bestuurder van de B.V. feitelijk leiding heeft gegeven aan de voornoemde verboden gedraging. Belanghebbende droeg immers verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze indienen van aangiften omzetbelasting. Onder deze verantwoordelijkheid kan tevens, indien daartoe aanleiding bestaat, de verplichting tot het indienen van suppletieaangiften worden geschaard. Het feit dat de B.V. de voormelde suppletieaangiften niet heeft ingediend, terwijl belanghebbende wel degelijk kennis droeg van het feit dat diens B.V. te weinig omzetbelasting had voldaan, maakt dat belanghebbende de bedoelde verboden gedraging feitelijk heeft veroorzaakt. Het feit dat de betreffende fysieke handelingen niet zijn verricht door een ander dan de feitelijk leidinggever zelf, doet daaraan niet af (ECLI:NL:HR:2016:733).

De Rechtbank is echter evenwel van mening dat bepaalde omstandigheden in het voordeel van belanghebbende spreken. Zo heeft belanghebbende immers reeds een aanzienlijk gedeelte van de door de B.V. verschuldigde belasting voldaan uit eigen middelen. Ook houdt de Rechtbank rekening met de beperkte omvang van de B.V. en de omstandigheid dat de betaling van de verschuldigde boeten materieel ten laste van belanghebbende kwamen. Dit maakt dat de Rechtbank voor belanghebbende een boete van € 1.000 passend acht.

Gelet op het bovenstaande verklaart de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond.

Rb. Den Haag 22 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10715.

https://www.navigator.nl/document/idddc7ff359d8149e38affcacde3e89f48?ctx=WKNL_CSL_10000001&preventVakstudieRedirectLoop=0

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet geschonden

Belanghebbende heeft op 20 november 2013 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van een personenauto afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Het in de aangifte opgenomen bedrag aan BPM is door belanghebbende berekend op € 2.939,-. De behandelend Inspecteur heeft echter naar aanleiding van deze aangifte aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 578,-. Partijen zijn overeengekomen dat ingeval de door belanghebbende aangevoerde grieven niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag kunnen leiden, de betreffende naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 201.

De eerste grief van belanghebbende luidt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden aangezien belanghebbende voorafgaand aan de oplegging van de naheffingsaanslag niet mondeling door de Inspecteur is gehoord. Daarnaast klaagt belanghebbende dat het opleggen van een naheffingsaanslag nadat een belastbaar feit zich heeft voorgedaan, in strijd is met artikel 110 VWEU.

Het Hof overweegt inzake de eerste klacht van belanghebbende dat het feit dat belanghebbende niet is uitgenodigd voor een mondeling onderhoud, geen schending van het verdedigingsbeginsel oplevert. Dit beginsel heeft immers ten doel dat een belanghebbende als adressant van een besluit, in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken omtrent het door de Inspecteur kenbaar gemaakte voornemen. Het Hof is van mening dat de Inspecteur daaraan heeft voldaan door toezending van de vooraankondiging naheffingsaanslag aan belanghebbende, waarin aan belanghebbende de gelegenheid is geboden om te reageren vóór 25 februari 2014.

Met betrekking tot de tweede klacht verwerpt het Hof de stellingname van belanghebbende luidende dat nimmer kan worden nageheven nadat een belastbaar feit zich heeft voorgedaan, eenvoudigweg door middel van een verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Immers, de bevoegdheid tot naheffing van te weinig betaalde BPM bestaat tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan ex artikel 20 AWR.

De slotsom luidt dat het hoger beroep gegrond is en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 201.

Hof ’s-Hertogenbosch 17 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3642.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:3642

Conclusie A-G HvJ EU: Lidstaten zijn verplicht de volledige rente te vergoeden bij een te late teruggaaf van voorbelasting

Nidera B.V. heeft in februari en mei 2008 partijen graan betrokken van Litouwse producenten. Over deze inkoop heeft Nidera B.V. btw voldaan ten bedrage van € 3.400.000,-. Op 12 augustus 2008 registreert Nidera B.V. zich als btw-plichtige in Litouwen. Op 31 augustus 2008 verzoekt Nidera B.V. de Litouwse belastingdienst om teruggaaf van betaalde btw met betrekking tot de in februari en mei van dat jaar gedane aankopen. De Litouwse belastingautoriteit wijst dit verzoek af op de grond dat Nidera B.V. op het moment dat de handelingen plaatsvonden, niet geregistreerd stond als belastingplichtige voor de btw en zodoende geen recht heeft op teruggaaf van voorbelasting. Naar aanleiding van een prejudiciële beslissing van het Hof in deze heeft de Litouwse belastingautoriteit voldaan aan het door Nidera B.V. gedane verzoek tot teruggaaf van voorbelasting. Voorts heeft Nidera B.V. eveneens verzocht om een vertragingsrente over de te laat teruggegeven btw. Ter beantwoording voor het Hof van Justitie is de vraag of de verwijzende rechter bevoegd is de vertragingsrente over de teruggegeven onverschuldigd betaalde btw te verlagen in verband met de aanzienlijke hoogte van de rente in verhouding tot de hoofdsom en in verhouding tot het verlies dat de belastingplichtige daadwerkelijk heeft gedragen.

Advocaat-Generaal Szpunar besteedt in zijn conclusie allereerst aandacht aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. In het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel merkt Szpunar op dat de Litouwse wetgeving geen duidelijkheid verschaft omtrent de vraag of de rechter bevoegd is de te betalen rente wegens vertraging bij de teruggaaf van belasting vast te stellen op een lager bedrag dan het bedrag dat uit de wet voortvloeit. Vanwege een gebrek aan eenduidige bepalingen dan wel een bestendige gerechtelijke praktijk inzake deze kwestie, is een verlaging van de verschuldigde rente in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel, aldus Szpunar.

In het kader van het doeltreffendheidsbeginsel merkt Szpunar op dat uit artikel 183 van richtlijn 2006/112 voortvloeit dat een belastingplichtige recht heeft op teruggaaf van te veel betaalde belasting binnen een redelijke termijn en in geval van overschrijding van deze redelijke termijn eveneens recht heeft op volledige compensatie van de verliezen. Een verlaging van het recht op de verschuldigde rente is volgens Szpunar dan ook in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel daar dit de toepassing van het Unierecht uiterst moeilijk maakt. Een verlaging van de verschuldigde rente levert eveneens strijd met het betreffende beginsel op wanneer de belastingplichtige het recht heeft verkregen op een rentebedrag dat bijzonder hoog is in verhouding tot de hoofdsom en daarbij potentieel hoger is dan de daadwerkelijk geleden schade. Dat het bedrag aan verschuldigde rente hoger kan zijn dan de daadwerkelijk geleden schade, vloeit gewoonweg voort uit het feit dat de bedoelde rente forfaitair wordt vastgesteld. Immers, de verschuldigde rente is een afgeleide van de hoogte van de hoofdsom in combinatie met de duur van de vertraging. Op het moment dat het bedrag van de verschuldigde rente zo het bedrag aan daadwerkelijke schade overtreft, is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking: de verschuldigde rente vertegenwoordigt immers de compensatie voor het niet hebben kunnen verwerven van inkomsten.

Advocaat-Generaal Szpunar geeft het Hof dan ook in overweging de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden:

‘Artikel 183 van richtlijn 2006/112/EG moet aldus zo worden uitgelegd dat de rente die aan een belastingplichtige verschuldigd is voor vertraging bij de teruggaaf van te veel betaalde btw, niet mag worden vastgesteld op een bedrag dat lager is dan het bedrag aan rente waarop hij krachtens de normale regels recht zou hebben op gronden die geen verband houden met het optreden van de belastingplichtige.’

A-G bij HvJ 5 oktober 2017, zaak C-387/16

http://www.ndfr.nl/PDF/ag-hvj-c387-16.htm

Geen ondernemerschap inzake de omzetbelasting vanwege gebrek aan objectieve gegevens

Belanghebbende vormde met B.V. B tot 2009 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Deze fiscale eenheid is echter per 2009 ontbonden, daar geen activiteiten plaatsvonden. Voorts zijn vanaf 2009 per abuis aan belanghebbende aangiften omzetbelasting uitgereikt. Echter, belanghebbende heeft deze aangiften nooit ingediend ten gevolge waarvan belanghebbende in 2009 en 2010 geconfronteerd is met verschillende aanslagen en boetes wegens het niet doen van aangiften. Belanghebbende is voorts per 11 juni 2010 door de Rechtbank failliet verklaard. De betrokken curator heeft op 29 juli 2010 bezwaar gemaakt tegen de betreffende aanslagen alsmede tegen de boetebeschikkingen. Vernoemd bezwaar is gegrond verklaard, hetgeen tot vernietiging van de betreffende aanslagen alsmede de boetebeschikking heeft geleid. Voorts heeft de curator verzocht om teruggaaf van omzetbelasting met betrekking tot de kosten van deurwaarders en het salaris van de curator. Bij brief van 5 februari 2016 is dit verzoek afgewezen. In het tegen deze afwijzing gerichte bezwaarschrift heeft de curator aangevoerd dat belanghebbende ondernemer was ten tijde van het uitspreken van het faillissement. Dit bezwaar van de curator is door de behandeld Inspecteur afgewezen op de grond dat uit niets is gebleken dat belanghebbende ten tijde van het bedoelde faillissement ondernemer was voor de omzetbelasting.

In geschil is de vraag of belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement was aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet op de Omzetbelasting (hierna: OB).

De curator heeft namens belanghebbende de bovenstaande vraag bevestigend beantwoord en daartoe aangedragen dat belanghebbende is aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 OB vanwege het verrichten van voorbereidende ondernemingshandelingen. De Inspecteur betwist het ondernemerschap van belanghebbende op de grond dat belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement geen economische activiteiten dan wel voorbereidingshandelingen verrichte.

De Rechtbank overweegt dat uit het arrest Rompelman (ECLI:NL:XX:1985:AS0704) van het Hof van Justitie volgt dat in het kader van het ondernemerschap voor de OB tevens voorbereidingshandelingen tot de economische activiteiten moeten worden gerekend. Voorts volgt uit de uitspraak INZO (ECLI:NL:XX:1996:AW0149) van het Hof van Justitie dat het voornemen om met deze economische activiteiten een aanvang te maken met objectieve gegevens moet worden ondersteund.

Op basis van het bovenstaande komt de Rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast aangaande het aannemelijk maken dat sprake is van ondernemerschap vanwege voorbereidingshandelingen, op belanghebbende rust. In dit kader overweegt de Rechtbank dat belanghebbende niet aan deze bewijsverplichting heeft voldaan daar het standpunt van de curator met geen enkele objectieve gegevens kan worden onderbouwd. Zodoende komt de Rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement ondernemer was voor de Omzetbelasting.

Gelet op het bovenstaande komt de Rechtbank tot het oordeel dat de Inspecteur de aftrek van voorbelasting terecht heeft geweigerd.

Rechtbank Gelderland 25 september 2017, AWB 16/5744

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:4929

Osteopaat krijgt BTW terug door collectief bezwaar beroepsvereniging NVO

Belanghebbende is werkzaam als zelfstandig osteopaat en is in die hoedanigheid tevens aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Osteopathie (hierna: NVO). Belanghebbende heeft nimmer aangifte omzetbelasting gedaan daar diens dienstverlening viel onder de vrijstelling van artikel 11 lid 1 onderdeel g Wet Omzetbelasting 1968. Met ingang van 1 januari 2013 is de bedoelde vrijstelling echter gewijzigd met als gevolg dat belanghebbende met betrekking tot zijn dienstverlening belastingplichtig werd voor de omzetbelasting. Het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 heeft echter doen blijken dat belanghebbende met zijn dienstverlening wel degelijk onder het bereik van de bedoelde vrijstelling valt.

Aangezien belanghebbende van meet af aan in de veronderstelling heeft verkeerd dat zijn werkzaamheden, anders dan de wijziging van de vrijstelling destijds deed vermoeden, wel degelijk onder het bereik van de vrijstelling vielen, heeft belanghebbende vanaf het eerste kwartaal 2013 ieder kwartaal bezwaar aangetekend tegen de voldoening van omzetbelasting. Echter, vanaf juli 2014 is belanghebbende opgehouden met het maken van bezwaar, omdat hij meende dat hiertoe niet langer noodzaak bestond in verband met een vaststellingsovereenkomst van het NVO waar hij bij aanhaakte. Nadat belanghebbende bekend werd met het feit dat deze veronderstelling berustte op een onjuistheid, heeft belanghebbende op 20 juli 2015 alsnog bezwaar gemaakt over het derde en vierde kwartaal van 2014. De Inspecteur heeft echter louter de omzetbelasting voldaan over de jaren 2013, 2015 en de eerste twee kwartalen van 2014, aan belanghebbende gerestitueerd. In geschil is dan ook de vraag of de bezwaren van belanghebbende over het derde en vierde kwartaal van 2014 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Inspecteur.

Waar belanghebbende in het kader van de bovenstaande vraag aanvoert dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is op grond dat hij heeft vertrouwd op berichtgeving van NVO aangaande het collectief maken van bezwaar, stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is daar miscommunicatie tussen belanghebbende en NVO voor risico van eerstgenoemde komt.

De Rechtbank overweegt dat belanghebbende door NVO is geïnformeerd omtrent de mogelijkheid tot aangaan van een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) inzake het maken van collectief bezwaar jegens de voldoening van omzetbelasting. Voorts stamt deze berichtgeving van voor het einde van de onderhavige bezwaartermijnen. De bedoelde berichtgeving heeft bij belanghebbende de verwachting gewekt dat hij vanaf dat moment geen bezwaar meer hoefde te maken tegen de voldoeningen van omzetbelasting, aldus de Rechtbank. Nadat belanghebbende per e-mail door het NVO in kennis is gesteld van het feit dat NVO-leden nog altijd ook zelf bezwaar moeten blijven maken tegen de btw-aangiften tot het moment van tekening van de VSO, heeft belanghebbende hieraan direct gevolg gegeven. Bij brief van 20 juli 2015 heeft belanghebbende immers alsnog zelf bezwaar aangetekend tegen de voldoeningen over het derde en vierde kwartaal van 2014. Het een en ander in overweging nemend, komt de Rechtbank tot het oordeel dat redelijkheid betaamt dat belanghebbende nimmer in verzuim is geweest. De niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren over het derde en vierde kwartaal 2014 had dan ook achterwege moeten blijven. Het feit dat de Belastingdienst geen aandeel heeft gehad in de communicatie tussen belanghebbende en NVO wettigt geen andersluidende conclusie.

Gelet op het voorgaande verklaart de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond.

Rechtbank Gelderland 21 september 2017, AWB 16/6396

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:4887