Van BTW formeel

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad omtrent de reikwijdte van artikel 24 Invorderingswet

A B.V. en haar dochtervennootschappen Holding B.V., Recreatie B.V. en Projectontwikkeling B.V. failliet verklaard. Alle betrokken vennootschappen maakten destijds deel uit van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting welke eenheid na faillissement is blijven voortbestaan. De genoemde dochtervennootschappen hebben allen recht op teruggaaf van omzetbelasting over tijdvakken na faillissementsdatum. Dit recht vindt zijn grondslag in door de boedel betaalde facturen ter zake van aan deze boedel geleverde goederen. De curatoren in kwestie hebben eveneens, nu op basis van artikel 29 lid 1 Wet op de Omzetbelasting, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van €308.065,- wegens na faillissementsdatum oninbaar gebleken debiteuren. De Ontvanger heeft echter te kennen gegeven niet aan deze teruggaafverzoeken te zullen voldoen.

Bij de Rechtbank Overijssel stellen de curatoren dat de Ontvanger niet bevoegd is de teruggaven omzetbelasting betreffende door de boedel betaalde facturen ter zake van door derden geleverde goederen, te verrekenen met belastingschulden die zijn ontstaan voor faillissementsdatum op basis van artikel 24 Invorderingswet.

Daarnaast stellen de curatoren dat de Ontvanger niet bevoegd is om de op basis van artikel 29 Wet Omzetbelasting verzochte teruggave wegens na faillissementsdatum oninbaar gebleken facturen, op basis van artikel 24 Invorderingswet te verrekenen met belastingschulden die zijn ontstaan voor faillissementsdatum.

Ten aanzien van het eerste standpunt van de curatoren stelt de Ontvanger dat hij bevoegd is elke door de curatoren verzochte teruggaaf van omzetbelasting, te verrekenen met een belastingschuld die materieel ontstaan is voor faillissementsdatum op basis van artikel 24 Invorderingswet. De Ontvanger schraagt dit standpunt op het gegeven dat met de wijziging van vernoemd artikel per 1 januari 2003 de werking is ontnomen aan het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1999 (Wilderink q.q./Ontvanger). Bovendien zou uit de wetgeschiedenis blijken dat in dezen het belang van de Ontvanger om tot verrekening te kunnen overgaan, prevaleert.

Ten aanzien van het tweede standpunt van de curatoren stelt de Ontvanger zich op het standpunt dat hij op basis van artikel 24 Invorderingswet juncto artikel 53 Faillissementswet bevoegd is een teruggaaf ex artikel 29 Wet Omzetbelasting, te verrekenen met een belastingschuld die materieel ontstaan is voor faillissementsdatum. De Ontvanger stelt dat verrekening derhalve zelfs mogelijk is in combinatie met laatstgenoemd artikel, omdat dit recht op teruggaaf van omzetbelasting ‘rechtstreeks voortvloeit uit de afwikkeling van een voor de faillietverklaring tot stand gekomen rechtsbetrekking’. De na faillissementsdatum oninbaar gebleken facturen vinden immers hun oorsprong in een rechtsbetrekking die de betreffende vennootschappen voor faillissementsdatum zijn aangegaan.

Op verzoek van partijen stelt de Rechtbank vervolgens de volgende prejudiciële vragen ter beantwoording aan de Hoge Raad:

‘Kan een aan de belastingschuldige als bedoeld in art. 24, lid 1, vierde volzin Invorderngswet uit te betalen bedrag ter zake van omzetbelasting dat materieel verschuldigd is geworden nadat deze belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard, door de Ontvanger worden verrekend met een van deze belastingschuldige of van een andere maatschappij als bedoeld in art. 24, lid 1, vierde volzin Invorderingswet te innen bedrag ter zake van rijksbelastingen dat materieel voor faillissement verschuldigd is geworden?’

‘Kan een aan belastingschuldige verleende omzetbelasting ex artikel 29 Wet Omzetbelasting die materieel ontstaan is nadat deze belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard, door de Ontvanger op grond van artikel 53, lid 1, Faillissementswet worden verrekend met een belastingschuld van deze belastingschuldige die materieel is ontstaan voor faillissement?’

Rechtbank Overijssel 5 april 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:1824

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:1824

Hof beoordeelt ambtshalve of een verzoek om teruggaaf omzetbelasting tijdig is ingediend

Belanghebbende verzoekt op 5 mei 2014 om teruggave van omzetbelasting voor een bedrag van €256.043,- op basis van artikel 29 lid 1 sub a Wet op de omzetbelasting. Het betreffende verzoek heeft betrekking op de periode 1 januari 2010 tot en met 30 september 2013. De behandelend Inspecteur heeft dit verzoek echter afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende slecht ten dele gegrond verklaard en geoordeeld dat belanghebbende slechts recht heeft op een teruggaaf van €61.269,- . Belanghebbende is tegen deze beslissing in beroep gekomen bij het Hof.

In de onderliggende zaak komen voor het Hof de volgende relevante feiten vast te staan.

Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak welke belanghebbende verhuurt aan bedrijf I. Laatstgenoemde heeft vanaf het tweede kwartaal van 2010 geen huur meer betaald aan belanghebbende.

Ter afwikkeling van de openstaande huurschuld ten bedrage van €1.002.665,- sluiten partijen op 26 april 2012 een vaststellingsovereenkomst. Hierin komen partijen overeen dat de openstaande post ter voldoening van de huurschuld wordt omgezet in een rekening-courant. Echter, reeds ten tijde van het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst stond vast dat bedrijf I in materiële zin failliet was. Het transformeren van de huurvordering in een rekening –courant betrof dan ook slechts een papieren exercitie, gericht op het ophouden van de schijn dat bedrijf I financieel gezond was.

Voorts sluiten belanghebbende en bedrijf I op 10 september 2013 een nieuwe vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de huurovereenkomst per 1 september 2013. Hierin is vervat dat de door bedrijf I niet-betaalde huur inmiddels is opgelopen tot een bedrag van €1.612.911,-, waarvan €1.259.886,- als rekening-courant en €353.025,- als huurschuld geboekt staat. De door belanghebbende aan bedrijf I gefactureerde omzetbelasting over beide bedragen bedraagt €264.228. De omzetbelasting over de huurschuld bedraagt op dat moment echter €61.269,-. Ook bij het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst was aanstonds duidelijk dat bedrijf I nimmer haar schuld aan belanghebbende zou kunnen voldoen.

In geschil is de vraag of belanghebbende recht heeft op volledige teruggaaf van omzetbelasting zoals zij die gefactureerd heeft aan het inmiddels failliet verklaarde bedrijf I.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 oktober 2009 geoordeeld dat het recht op teruggaaf ontstaat op het moment dat ‘redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven’. De Hoge Raad overwoog destijds bovendien dat de crediteur in die beoordeling enige beoordelingsvrijheid bezit.

Het Hof overweegt vervolgens dat een belanghebbende inderdaad enige beoordelingsvrijheid bezit in de zojuist omschreven beoordeling, maar dat belanghebbende deze beoordelingsvrijheid in casu ruimschoots heeft overschreden. Uit de benoemde feiten blijkt immers dat ruim voor 2014 reeds vaststond dat debiteur ‘bedrijf I’ niet in staat zou zijn om aan zijn schuld te kunnen voldoen. Ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst op 10 september 2013 heeft bedrijf I immers al haar ondernemingsactiviteiten overgedragen aan een andere vennootschap. Deze overdracht heeft ertoe geleid dat er vanaf dat moment geen inkomstenbron in bedrijf I meer aanwezig was.  Zodoende is het verzoek van 5 mei 2014 om teruggave van omzetbelasting over de periode 1 januari tot en met 30 september 2013 door belanghebbende niet tijdig ingediend en om die reden niet-ontvankelijk.

Omtrent het zojuist door het Hof overwogene klaagt de belanghebbende tijdens het onderzoek ter terechtzitting dat het Hof zich ten onrechte heeft gebogen over de vraag of het verzoek door belanghebbende al dan niet tijdig is ingediend. De Inspecteur had tot op dat moment immers niet te kennen gegeven dat het verzoek te laat zou zijn ingediend, aldus belanghebbende. Het Hof legt deze klacht naast zich neer met de overweging dat indien dat partijen zich niet hebben geconcentreerd op een rechtsvraag die voor de beslissing van het geschil wel degelijk doorslaggevend is, dit niet betekent dat het Hof zich over een dergelijke vraag niet mag buigen.

De slotsom luidt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Gerechtshof ’s -Hertogenbosch 13 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3228

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:3228

 

Verlegging omzetbelastingplicht inzake telecommunicatiediensten met ingang van 1 september 2017

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 29 mei 2017 de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd over een vorm van carrrouselfraude met telecommunicatiediensten (o.a. belminuten).

Bij het plegen van deze fraude koopt een in Nederland gevestigde onderneming diensten zonder btw in bij een niet in de EU gevestigde onderneming. Vervolgens wordt de betreffende dienst door diezelfde Nederlandse onderneming doorverkocht aan een andere in Nederland gevestigde onderneming. Deze binnenlandse verkoop vindt echter wel met berekening van btw plaats. De betaling van deze btw wordt door de Nederlandse leverancier (ook wel aangeduid als ploffer) niet afgedragen.. Voor zover de afnemende onderneming echter aftrekgerechtigd is, heeft deze onderneming in beginsel recht op teruggaaf van de aan de leverancier betaalde btw. Ten gevolge van deze fraude loopt Nederland derhalve aanzienlijke  btw-inkomsten mis.

Ter bestrijding van de zojuist omschreven fraude is  artikel 24ba lid 1 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 gewijzigd. Deze wijziging betreft de toevoeging van onderdeel h aan vernoemd artikel. Het gevolg van deze toevoeging is dat inzake telecommunicatiediensten, welke plaatsvinden tussen binnenlandse ondernemers die deze diensten verrichten, de belasting wordt geheven van degene aan wie de betreffende dienst is verricht. Deze regeling is derhalve niet toepasbaar op telecommunicatiediensten die worden verricht aan eindgebruikers daar zij dergelijke diensten zelf niet verrichten.

Deze zogenaamde ‘verleggingsregeling’ verlegt zo de plicht tot aangifte van btw van de ondernemer die de dienst verricht naar de ondernemer die deze dienst afneemt. Op die manier berekent de leverancier van de dienst geen btw, zodat de afnemer slechts een netto-vergoeding betaalt. Diezelfde afnemer geeft de verlegde btw vervolgens wel aan in zijn aangifte. Vanzelfsprekend heeft de afnemer in diezelfde aangifte recht op aftrek van de verlegde btw. Zo voorkomt deze antimisbruikbepaling budgettair verlies zonder dat deze tot extra uitvoeringskosten voor de Belastingdienst leidt.

Zoals vaak het geval is, gaat deze antimisbruikbepaling wel gepaard met gevolgen voor het bedrijfsleven. Deze gevolgen zijn gelegen in het feit dat de administratieve systemen van Nederlandse ondernemingen op deze regeling moeten worden afgestemd. Enerzijds dient nu de leverancier op diens factuur niet langer btw in rekening te brengen, maar dient daarop de woorden ‘btw verlegd’ te vermelden.  Anderzijds dient nu de afnemer van zo een telecommunicatiedienst de btw  in zijn aangifte op te nemen onder de vermelding ‘btw naar mij verlegd’. Een ander kenmerk van de regeling is dat deze complexiteit verhogend werkt daar de regeling afwijkt van het reguliere systeem.

De regeling is uitvoerbaar per 1 september 2017.

Besluit van 28 augustus 2017 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 met betrekking tot verlegging omzetbelastingplicht inzake telecommunicatiediensten, Staatsblad 2017, 325

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-325.html

Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel zorgt voor vernietiging naheffingsaanslag wegens BTW-fraude

In het geding staat de belastingplichtige centraal die een groothandel in computers, randapparatuur en software exploiteert welke wordt gelinkt aan BTW-carrouselfraude. De inspecteur heeft in de periode 2005 tot en met 2010 135 internationale verzoeken om inlichtingen op het gebied van de BTW (hierna: SCAC-verzoeken) ontvangen die betrekking hadden op intracommunautaire leveringen door belastingplichtige. De belastingdienst is naar aanleiding daarvan op 29 april 2010 een boekenonderzoek bij belastingplichtige gestart. De conclusie van het rapport luidt dat belastingplichtige geen recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van inkopen voorafgaand aan intracommunautaire leveringen aan zogenoemde ‘missing traders’.

De inspecteur heeft voor deze periode een naheffingsaanslag met heffingsrente en boete opgelegd. Deze zijn bij de uitspraak op bezwaar verminderd en de belastingplichtige heeft daarop beroep ingesteld. In geschil is dus of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belastingplichtige heeft gesteld dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Voorts stelt belastingplichtige dat onvoldoende onderbouwd is dat sprake is van fraude bij haar afnemers of bij de afnemers van haar afnemers. Ook is onvoldoende onderbouwd dat zij van de fraude wist dan wel had moeten weten. Belastingplichtige heeft voldoende zorgvuldigheid in acht genomen en gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag om te voorkomen dat ze bij fraude betrokken zou raken. Verder wordt een beroep gedaan op de fiscale neutraliteit, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play.

Het unierechtelijke verdedigingsbeginsel is de verplichting van de lidstaten om de rechten van de verdediging te eerbiedigen. Het verdedigingsbeginsel is een beginsel van Unierecht, dat geldt wanneer bezwarende besluiten worden genomen die binnen het toepassingsbereik van het recht van de Europese Unie vallen. Bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften, zoals in dit geval de Wet op de omzetbelasting 1968 uitvoering geeft aan de Zesde richtlijn (thans: BTW-richtlijn), vallen binnen het toepassingsbereik van het recht van de Europese Unie. Voorop staat dan ook dat belastingplichtigen zich voor de nationale rechter op eerbiediging van de rechten van de verdediging kunnen beroepen. Het beginsel om de rechten van de verdediging te eerbiedigen brengt in het bijzonder mee dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden.
Schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een bezwarend besluit leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de inspecteur zonder deze schending zou hebben afgezien van het vaststellen van de naheffingsaanslag en de boete of dat hij deze op een lager bedrag zou hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de naheffingsaanslag en de boete zijn gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen daarvan van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden (het ‘andere afloop criterium’).

Naar het oordeel van de Rechtbank is in casu sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel. Volgens de Rechtbank heeft belastingplichtige aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan het ‘andere afloop criterium’.

Belastingplichtige had niet de beschikking over alle stukken die ten grondslag lagen aan het voornemen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking op te leggen. Daardoor was zij niet in staat op detailniveau de voorgenomen correcties en boete te bestrijden. Voorts was voldaan aan het ‘andere afloop criterium’ omdat de aanslagen bij de uitspraak op bezwaar zijn verminderd.

Hierna gaat de Rechtbank ten overvloede in op het Inhoudelijke geschil. Hierbij stelt de Rechtbank dat de inspecteur om vooraftrek te kunnen weigeren aannemelijk moest maken dat belastingplichtige had moeten weten dat hij met zijn handelingen deelnam aan omzetbelastingfraude. De Rechtbank stelt vast dat er sprake is van fraude in de keten.

Belastingplichtige had echter een interne procedure ontwikkeld ter voorkoming van het betrokken raken bij BTW-carrouselfraude. Belastingplichtige heeft deze procedure toegepast in de onderhavige periode. Hierdoor heeft naar het oordeel van de Rechtbank belastingplichtige in de onderhavige zaak de nodige zorgvuldigheid betracht. Naar het oordeel van de Rechtbank had de inspecteur dan ook niet aannemelijk gemaakt dat belastingplichtige had moeten weten dat zij had deelgenomen aan de fraude.

De Rechtbank komt niet toe aan de beroepen van belastingplichtige op de fiscale neutraliteit, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play. Dit heeft ook te gelden voor hetgeen belastingplichtige heeft aangevoerd tegen de boete. Deze dient op grond van al het voorgaande reeds te worden vernietig.

De Rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:6221

Aftrek omzetbelasting van bouw woning door fiscale eenheid tussen belanghebbende en diens BV kan niet worden nageheven bij belanghebbende.

Belanghebbende en diens BV vormden van 1 juli 2005 tot en met april 2007 een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet OB. Dit op grond van het arrest Van der Steen.

 Belanghebbende heeft in 2006/2007 een woning laten bouwen. Ter zake van de bouw van de woning is hem in totaal € 324.942 aan omzetbelasting in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft de woning in mei 2007 in gebruik genomen. Een gedeelte van de woning wordt door belanghebbende gebruikt voor zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder van de BV. De fiscale eenheid heeft de woning tot haar ondernemingsvermogen gerekend en heeft de in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de bouw van de woning als voorbelasting in aanmerking genomen.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 222.259 (€ 194.964 herzienings-BTW en € 27.295 ter zake van het privé gebruik) opgelegd, alsmede een vergrijpboete van € 27.782. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en boete beroep ingesteld.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en voor juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Hierbij draait het primair om de vraag of en in welk tijdvak de voorbelasting moet worden herzien. Hiernaast komt aan de orde of belanghebbende ter zake van het privégebruik van de woning omzetbelasting is verschuldigd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van arrest van 23 december 2016 (nr. 15/01370, ECLI:NL:HR:2016:2898) de naheffing aan belanghebbende niet kan worden gebaseerd op de door de fiscale eenheid in aftrek gebrachte omzetbelasting omdat het hier geen omzetbelasting betreft welke door belanghebbende in aftrek is gebracht maar door de fiscale eenheid.

Voorts stelde de inspecteur dat ter zake van het einde van de verhuur in 2010 sprake was van een met een levering gelijkgestelde handeling in de zin van artikel 3, derde lid, onder c, van de Wet OB waarbij de woning onder algemene titel was overgegaan op belanghebbende. Met betrekking tot deze stelling oordeelt de rechtbank dat door belanghebbende geen omzetbelasting in aftrek is gebracht en dus ook geen “recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van belasting is ontstaan” in de zin van artikel 3, derde lid, onder c, van de Wet OB.

De omstandigheid dat de FE de in verband met de bouw van de woning in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, kan voorts niet aan belanghebbende worden toegerekend. Belanghebbende is immers een andere belanghebbende dan de FE. Van een overgang onder algemene titel als bedoeld in artikel 37d van de Wet OB is evenmin sprake. Er heeft geen overgang plaatsgevonden waarbij de woning is overgegaan van de FE naar belanghebbende, belanghebbende had de woning al in eigendom.

 Wel was belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank voor de verhuur van de werkruimte aan de BV ondernemer en derhalve omzetbelasting verschuldigd over privégebruik.

De inspecteur heeft gesteld dat de boete op twee aspecten ziet, te weten de correcties ten aanzien van de herziening en het privégebruik. Omdat de correctie ter zake van de herziening wordt vernietigd dient het hierop ziende deel van de boete tevens te worden vernietigd.

Overigens stelt de inspecteur dat het aan grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan, de bewijslast hiertoe rust op de inspecteur. De inspecteur heeft gesteld dat sprake was van grove schuld omdat het voor de belanghebbende duidelijk was dat voor het jaar 2010 omzetbelasting ter zake van het privégebruik verschuldigd was.

De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval belanghebbende geen grove schuld kan worden verweten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat gelet op de vele onduidelijkheden over de juridische consequenties na het Van der Steen arrest en de correspondenties tussen de belanghebbende en de inspecteur over de feitelijkheden over de werkruimte, geen sprake is van een verwijt aan belanghebbende dat aangemerkt moet worden als grove schuld. Voor een vergrijpboete ter zake van het privégebruik is dan ook geen plaats.
De rechtbank derhalve verklaart het beroep gegrond. Hierbij worden de naheffingsaanslag voor zover deze de herziening betreft alsmede de boetebeschikking vernietigd. Ter zake van het privégebruik blijft de naheffingsaanslag in stand.

 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3464

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:3464

Geen intracommunautaire levering bij de binnenlandse tussenpersoon

„Toridas” UAB is een in Litouwen is gevestigde vishandelaar. In de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2010 heeft zij vanuit Kazachstan diepgevroren vis in Litouwen geïmporteerd

 De betrokken goederen werden vervolgens verkocht aan de vennootschap Megalain OÜ, een vennootschap gevestigd in Estland (eerste leveringen). Megalain verkocht de vis op de dag van de eerste levering of de dag erop aan klanten in Denemarken, Duitsland, Nederland en Polen (tweede leveringen).

 De goederen werden door Toridas aan Megalain verkocht overeenkomstig een tussen partijen gesloten samenwerkingscontract. Op basis van dit contract verbond Megalain zich ertoe de betrokken goederen binnen 30 dagen na de eerste levering het Litouwse grondgebied te laten verlaten en Toridas de documenten te overhandigen ten bewijze dat deze goederen dit grondgebied daadwerkelijk hadden verlaten. Toridas had zich van haar kant ertoe verbonden de goederen in ontvangst te nemen, inclusief de opslag, en alle bijhorende kosten voor haar rekening te nemen totdat deze goederen Litouwen daadwerkelijk hadden verlaten.

Een deel van de betrokken goederen werd onmiddellijk na doorverkoop verzonden vanuit Litouwen naar de andere lidstaten waar de afnemers van de tweede leveringen waren gevestigd, zonder via Estland te transiteren.

Een ander deel werd vervoerd naar de bedrijfsruimte van tussenpersonen in Litouwen, om te worden bewerkt alvorens rechtstreeks te worden vervoerd naar de afnemers. In alle gevallen zorgde Megalain ervoor dat de betrokken goederen werden bewerkt alsook uitgevoerd.

Voor de eerste leveringen werd op de facturen welke Toridas aan Megalain uitreikte, vermeld dat de handelingen tegen het nultarief werden belast als intracommunautaire leveringen van goederen. Op de facturen werd vermeld dat de betrokken goederen werden geladen en geleverd op het adressen van tussenpersonen in Litouwen.

Voor de tweede leveringen stelde Megalain de facturen exclusief btw op, overeenkomstig het bepaalde in de btw-richtlijn betreffende de vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen van goederen. Ook werd melding gemaakt van de plaats van lading van de betrokken goederen, namelijk de bedrijfsruimte van tussenpersonen, in Litouwen, en van een plaats van levering van de betrokken goederen, namelijk een adres in de lidstaat van elke afnemer.

Bij een controle stelde de Litouwse belastingdienst zich op het standpunt dat de eerste leveringen kwalificeerden als binnenlandse welke tegen het normale tarief belastbaar waren. Toridas was het niet eens met dit standpunt van de Litouwse belastingdienst en stelde beroep in. In deze beroepsprocedure stelde de Litouwse rechter prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie.

De eerste prejudiciële vraag welke de Litouwse rechter stelde was of de levering van goederen door een in Litouwen gevestigde belastingplichtige (dus de eerste levering) moest worden vrijgesteld van omzetbelasting indien voordat de daadwerkelijke levering plaatsvond, de afnemer in de andere lidstaat die goederen onmiddellijk doorverkocht aan een in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige, voor wie die goederen ook werden vervoerd naar de desbetreffende derde lidstaat.

In dit verband besliste het Hof van Justitie dat geen sprake was van een vrijgestelde intracommunautaire transactie indien de afnemer in de andere lidstaat nog voor de levering tot stand kwam aan de leverancier heeft gemeld dat de goederen zijn doorverkocht aan een afnemer in een derde lidstaat voordat ze de eerste lidstaat hebben verlaten en zouden worden vervoerd met als bestemming een belastingplichtige in een derde lidstaat. Wel stelt het Hof voor deze uitleg als voorwaarde dat de tweede levering daadwerkelijk plaatsheeft en de goederen vanuit de eerste lidstaat rechtstreeks worden vervoerd naar de afnemer in de derde lidstaat.

Voorts oordeelde het Hof dat het feit dat de eerste afnemer voor de omzetbelasting is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van de plaats van de eerste levering of van de plaats van de eindverwerving, geen criterium is om een handeling te kwalificeren als een intracommunautaire handeling en vormt op zich geen afdoende bewijs van de intracommunautaire aard van een handeling.

Ook stelde de Litouwse rechter de vraag of het voor het antwoord op de eerste vraag verschil maakt of een deel van de goederen werd bewerkt in opdracht van een belastingplichtige (i.e. Megalain) die is gevestigd (en voor btw-doeleinden is geïdentificeerd) in de tweede lidstaat, voordat zij werden vervoerd naar de derde lidstaat?”

In dit verband oordeelde het Europees Hof dat het feit dat de goederen tijdens een keten van twee opeenvolgende leveringen als hiervoor beschreven, in opdracht van de afnemer die als tussenpersoon handelt, zijn bewerkt alvorens te zijn vervoerd naar de lidstaat van de eindafnemer, van geen belang is voor de voorwaarden voor de eventuele vrijstelling voor de eerste levering voor zover deze bewerking na de eerste levering plaatsvindt.

Hof van Justitie EU 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:599

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=193212&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=718542

Benchmarkdienst voor zorgverzekeraars valt niet onder de sociaal-culturele-, koepel- en medische vrijstelling

Rechtbank Gelderland heeft op 17 juli 2017 een tweetal samenhangende uitspraken gedaan met betrekking tot een non-profit stichting welke een benchmarkdienst verricht voor zorgverzekeraars en zorginstellingen. Deze benchmarkdienst houdt in dat zij door het beschikbaar stellen van gegevens, waaronder klanttevredenheidgegevens , aan zorgverzekeraars bijdraagt aan de kwaliteit van de (geestelijke) gezondheidszorg.

In de eerste zaak (ECLI:NL:RBGEL:2017:3656) was de rangschikking van belanghebbende als instelling van sociaal en culturele aard aan de orde. Ten aanzien van de aanvraag van belanghebbende om gerangschikt te worden betoogde de belastingdienst dat sprake was van een herhaalde aanvraag welke onder verwijzing naar de eerdere afwijzing werd verworpen. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake van een herhaalde aanvraag maar een nieuwe, omdat sprake is van een latere ingangsdatum en de erkenning alleen voor de toekomst werkt.

De belastingdienst heeft -ondanks het eerder ingenomen standpunt- het verzoek van belanghebbende wel inhoudelijk getoetst. Ten aanzien van deze toetsing is echter sprake van een motiveringsgebrek hetgeen de rechtbank echter met een beroep op 6:22 Awb (het ontbreken van benadeling) passeert.

Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat niet wordt voldaan aan de zogenoemde activiteiteneis. Belanghebbende verricht geen dienst die nauw samenhangt met sociale zekerheid omdat geen oordelen of adviezen over kwaliteit worden gegeven  maar slechts gegevens toegankelijk worden gemaakt die inzicht geven in scores. Het beroep van belanghebbende in deze zaak wordt derhalve ongegrond verklaard. Hetgeen tevens van belang is in de samenhangende zaak.

In de samenhangende zaak (ECLI:NL:RBGEL:2017:3656) oordeelde de rechtbank ten eerste dat belanghebbende was aan te merken als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting omdat zij de benchmarkingdiensten tegen vergoeding verrichtte. De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat sprake was van een exploitatiesubsidie omdat de (benchmark) gegevens in ruil voor de verkregen vergoeding aan zorgverzekeraars werden verstrekt.

Voorts betoogde belanghebbende dat sprake was van de sociaal-culturele vrijstelling. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet beschikte over de benodigde erkenning Voorts oordeelde de rechtbank dat ook materieel belanghebbende niet aan te merken is als instelling van sociaal en culturele aard. Hierbij werd verwezen naar de samenhangende zaak.

Vervolgens doet belanghebbende een beroep op de koepelvrijstelling. Ook aan de voorwaarden hiervan niet voldaan. Omdat benchmarking door belanghebbende  niet rechtstreeks nodig is voor de prestaties van de zorginstellingen of de zorgverzekeraars.

Tot slot doet belanghebbende een beroep op de medische vrijstelling. Deze is naar het  oordeel van de rechtbank ook niet van toepassing omdat eiseres geen medische handelingen verricht, alsmede geen ziekenhuis of inrichting van gelijke aard is.

Het beroep van de belastingplichtige wordt derhalve ook hier ongegrond verklaard.

Rechtbank Gelderland 13 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3657

Rechtbank Gelderland 13 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3656

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:3657

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:3656

Ontbreken van suppletieaangifte t.o.v. andere jaren brengt aanvaarding aanmerkelijke kans van onjuist indienen van aangifte omzetbelasting

De belastingplichtige wordt veroordeeld ter zake van het opdracht geven tot het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Het gaat om een fiscale fraude zaak.

Ten laste was gelegd aan de onderneming van de belastingplichtige, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 maart 2008 tot en met 2 september 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de onderneming van de belastingplichtige over verschillende tijdvakken onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen.
De belastingplichtige heeft toen aldaar (telkens) opzettelijk op bij de Belastingdienst te Apeldoorn, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), ten onrechte zakelijk weergegeven. Dit feit strekt er toe dat te weinig belasting werd geheven.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de boekhouder ernstig nalatig is geweest in haar werkzaamheden. De aan de boekhouder gegeven opdracht tot het opmaken van jaarrekeningen en het doen van aangiften vennootschapsbelasting is hij niet nagekomen, terwijl ook de daarvoor benodigde verwerking van de administratie door hem niet of nauwelijks is uitgevoerd.

Hoewel de boekhouder ernstig nalatig is geweest in haar werkzaamheden, betekent dit niet zonder meer dat de verdachte vrijuit gaat. Het hof is van oordeel dat ondanks de beperkte fiscale en boekhoudkundige kennis van de verdachte, zij gelet op de grote verschillen in vergelijking met de gang van zaken bij haar eerdere boekhouder waaronder het feit dat de kasboeken niet langer behoefden te worden aangeleverd en er geen suppletieaangifte werden gedaan, had moeten ingrijpen.

Door niet in te grijpen waar de verdachte had behoren in te grijpen, is zij tekortgeschoten in haar samenwerking met de boekhouder. Door dit tekortschieten, in combinatie met de omstandigheid dat zij zelf maandelijks enkel de bedragen aan omzetbelasting aan haar boekhouder doorgaf, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften omzetbelasting onjuist werden ingediend. Aldus had de verdachte voorwaardelijk opzet op de verboden gedragingen.

De verdachte wordt veroordeeld ter zake van het opdracht geven tot het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:2996

Vestigingsvereiste fiscale eenheid ontbreekt waardoor de belastingplicht voor de omzetbelasting ontbreekt

Verdachte wordt ten laste gelegd in 2007-2008 onjuiste aangiften omzetbelasting te hebben gedaan ten name van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

Verdachte is in eerste aanleg ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte, begaan door een rechtspersoon, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld. Tegen dit vonnis stelt de verdachte hoger beroep in.

Omdat het een vereiste is dat de gedraging moet zijn begaan door een rechtspersoon,  stelt het hof zich de vraag of in de periode van de ten laste gelegde feiten sprake was van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

Het hof is van oordeel dat de tot de fiscale eenheid behorende [werkmaatschappij B] B.V., [werkmaatschappij C] B.V. en [holding A] B.V. in de loop van 2005, maar in ieder geval vóór 2007, hun feitelijke vestigingsplaats naar België hebben verplaatst.

Aangezien de tot de fiscale eenheid behorende [werkmaatschappij B] B.V., [werkmaatschappij C] B.V. en [holding A] B.V. hun feitelijke vestigingsplaats naar België hebben verplaatst en er geen sprake was van een vaste inrichting in Nederland, voldeden deze vennootschappen niet meer aan het vestigingsvereiste, inhoudende dat de lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid in Nederland moeten zijn gevestigd. Aangezien de verdachte in 2005 in België is gaan wonen voldeed hij niet meer aan het woonplaatsvereiste, inhoudende dat de natuurlijk persoon die deel uitmaakt van de fiscale eenheid in Nederland zijn woonplaats moet hebben.

Gelet op het voorgaande is de fiscale eenheid, in ieder geval vóór 2007, van rechtswege ontbonden. De omstandigheid dat van de verplaatsing van de feitelijke vestigings- en woonplaats geen melding is gemaakt bij de rijksbelastingdienst doet daar niet aan af. Dit leidt tot de conclusie dat er in 2007 en 2008, dus in de periode van de ten laste gelegde feiten, de fiscale eenheid ‘ [werkmaatschappij C] B.V., [verdachte] , c.s.’ niet meer bestond. Een niet (meer) bestaande belastingplichtige is geen omzetbelasting verschuldigd.

Het hof komt uit bij de volgende conclusie: “aldus kan bij gebreke van het bestaan van de fiscale eenheid niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Daarom zal de verdachte van het aan hem ten laste gelegde worden vrijgesproken”.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2771

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:2771

Aftrek omzetbelasting niet mogelijk wegens ontbreken verband bezwarende titel en levering schoolgebouw

In geschil is of de inspecteur terecht het bezwaar van de belastingplichtige tegen de voldoening van € 745.064 omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015 heeft afgewezen en of hij terecht het verzoek om teruggaaf van € 2.187.825 over het tijdvak 2010 tot en met 2015 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende de omzetbelasting die haar ter zake van de bouw van het gebouw in rekening is gebracht, als voorbelasting in aftrek kan brengen. Het vereiste dat er sprake moet zijn van een prestatie in het economisch verkeer staat hier centraal.

Met betrekking tot het verzoek van de belastingplichtige om teruggaaf sluit het hof zich aan bij de beslissing van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren. Vervolgens gaat het hof in op het bezwaar tegen de op aangifte voldane omzetbelasting. Hierbij wordt door het hof eerst beoordeeld of er sprake is van een prestatie tegen vergoeding. Het hof beantwoord deze vraag bevestigend.

Hierna beoordeelt het hof of er sprake is van prestaties in het economisch verkeer. Of er sprake is van een prestatie in het economisch verkeer dient volgens het hof conform het Lajver arrest van het Europees Hof van Justitie (ECLI:EU: C:2016:392) beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden waaronder de aan de orde zijnde diensten worden verricht.

In deze zaak heeft belastingplichtige met de betrokken scholen de afspraak gemaakt om een schoolgebouw te realiseren dat is bestemd voor voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Onder verwijzing naar het Slaby Kuć arrest van het Europees Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2011:589) oordeelt het hof dat belastingplichtige voor de verkoop van het schoolgebouw niet actief middelen, zoals marketing, heeft gebruikt die een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea van de Btw-richtlijn zou aanwenden. Belanghebbende is in zoverre niet vergelijkbaar met een handelaar zoals die normaal gesproken optreedt in het economisch verkeer.

Het hof concludeert hierna dat de levering van een schoolgebouw door onafhankelijk van elkaar optredende marktpartijen niet onder dezelfde omstandigheden zal plaatsvinden. De scholen hadden met een willekeurige derde, niet zijnde belanghebbende, nimmer een dergelijke koopprijs kunnen overeenkomen en belanghebbende zou aan willekeurige derden geen schoolgebouw leveren tegen een verkoopprijs als de onderhavige. Het vereiste rechtstreeks verband tussen de levering van het schoolgebouw als zodanig en de vergoeding (de bezwarende titel) ontbreekt.

Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat belanghebbende geen levering verricht op de algemene markt voor onroerende zaken. De door belastingplichtige verrichte levering vormt dus geen prestatie in het economisch verkeer. De voldane omzetbelasting kan dus niet in aftrek worden gebracht. Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gerechtshof Den Haag 9 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1384

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:1384