Categorie: Douane

Blog: Is de accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen een risicoaansprakelijkheid?

Er verschijnt regelmatig jurisprudentie over de vraag wie in welke gevallen aansprakelijk is voor de accijnsschuld wanneer goederen ten onrechte niet in de accijnsheffing zijn betrokken.

Unierecht en nationaal recht

Na de nieuwe Accijnsrichtlijn 2008 (van 16 december 2008, 2008/118/EG) heeft de Nederlandse wetgever de Wet op de Accijns (hierna: WA) dienovereenkomstig aangepast.

In artikel 2, lid 1, onderdeel b WA is sindsdien bepaald dat onder uitslag tot verbruik wordt verstaan “het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.”

Artikel 51, lid 1, onderdeel b WA bepaalt sindsdien dat bij toepassing van het hiervoor genoemde artikel, de accijns wordt geheven van “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.”

In de Memorie van Toelichting (MvT) is gesteld dat de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor accijnsaansprakelijkheid ex art. 2f (oud) WA niet meer van belang zijn voor de accijnsaansprakelijkheid op grond van het nieuwe artikel 2, lid 1, onderdeel b WA. Dit betekent dat de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zoals de Hoge Raad die als voorwaarden voor accijnsaansprakelijkheid had gesteld niet meer van toepassing zijn. Dus ook een (rechts)persoon die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, kan als belastingplichtige door de douane worden aangesproken, aldus nog steeds de wetgever in de MvT.

Volgens de wetgever kan de accijns nu ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter de fraude (TK, 2008-2009, nr. 32 031, nr. 3, p. 8 en 23).

De nationale jurisprudentie

In de jurisprudentie van de feitelijke instanties (rechtbank en gerechtshof) van de laatste tijd lijken de rechters deze lijn van de wetgever inmiddels te hebben overgenomen. Echter de Hoge Raad heeft zich tot nu toe hierover in geen enkele zaak uitgelaten. In de wil van de nationale wetgever lijkt hier  van een risicoaansprakelijkheid sprake te zijn. Echter het is primair aan de Europese rechter om uitleg te geven aan de EU Accijnsrichtlijn.

In de praktijk is het wel zo dat de rechters in veel gevallen de vraag of hier sprake is van een risicoaansprakelijkheid niet hoeven te beantwoorden. Immers op basis van de feiten en omstandigheden van het geval kan de rechter in verreweg de meeste gevallen toch wel concluderen dat sprake is van feitelijke beschikkingsmacht en/of wetenschap, conform de (oude?) jurisprudentiële vereisten van de Hoge Raad.

Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 17 maart 2017 (ECLI:NL:GHDA:2017:1390):

“5.3. Het Hof hecht eraan op te merken dat de stelling van belanghebbende dat hij niet heeft geweten dat het om een lading onveraccijnsde sigaretten ging, geen doel treft, reeds omdat de Inspecteur foto’s in het geding heeft gebracht omlijst met een – niet afdoende weersproken – verklaring dat de foto’s een exacte weergave zijn van de aangetroffen situatie in de loods, waaruit de conclusie is te trekken dat het ongeloofwaardig is, althans in elk geval niet aannemelijk, dat personen onder wie belanghebbende, die, naar vaststaat, essentiële handelingen met de sigaretten hebben verricht, niet hebben gezien, gemerkt of geweten dat het onveraccijnsde sigaretten zijn.”

En:

“5.4. De stelling van belanghebbende dat hij slechts op geringe wijze betrokken is geweest bij de overslag van de sigaretten, welke stelling door de inspecteur overtuigend is bestreden en overigens niet strookt met de werkelijkheid, faalt naar ’s Hofs oordeel evenzeer, al was het maar omdat ook die stelling bevestigt dat belanghebbende betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de sigaretten.”

Hoewel feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap in deze zaak dus feitelijk door het Hof zijn vastgesteld, merkt het Hof ‘en passant’ op dat ook slechts een geringe betrokkenheid voldoende is voor accijnsaansprakelijkheid. Maar daarmee is de vraag wat moet worden verstaan onder “voorhanden hebben” en “betrokkenheid” echter nog steeds niet beantwoord.

In de zaak van de uitspraak van Rechtbank Den Haag 31 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12055) heeft belanghebbende tijdens de accijnscontrole niets over de aanwezigheid van niet veraccijnsde gasolie (diesel) in een schip willen verklaren maar heeft zij volgens de rechtbank wel zonder protest een fiscale strafbeschikking aanvaard en betaald. De inspecteur heeft aan de desbetreffende N.V. als “enig andere persoon die bij het voorhanden hebben” van de gasolie “is betrokken” (als bedoeld in art. 51 WA) de naheffingsaanslag accijns opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur door op bovengenoemde omstandigheden te wijzen aannemelijk gemaakt dat eiseres moet worden aangemerkt als “enig andere persoon” die bij het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie betrokken was. Een dergelijke betrokkenheid is volgens de rechtbank blijkens de wetsgeschiedenis niet beperkt tot een daadwerkelijke fysieke betrokkenheid. Nu eiseres (de N.V.) het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt is zij dan ook terecht aangemerkt als belastingplichtige.

Een weigering om mee te werken aan het onderzoek en de enkele aanvaarding van een fiscale strafbeschikking (hetgeen juridisch gelijkstaat met een erkenning van schuld in de zin van het strafrecht), leidt dus ook al snel tot accijnsaansprakelijkheid.

Ook Hof Arnhem-Leeuwarden gaat er in zijn uitspraak van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11204) vanuit dat feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap geen vereisten meer zijn voor een accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen. Maar in een overweging ten overvloede overweegt het Hof dat de naheffingsaanslag eveneens terecht aan belanghebbende (een man-vrouwfirma) is opgelegd indien de rechtsopvatting dat deze beide vereisten niet meer gelden onjuist is omdat toch óók aan die vereisten wordt voldaan. Het Hof lijkt er daarmee niet zeker van te zijn dat die opvatting juist is.

Rechtbank Gelderland heeft in een met de vorige zaak samenhangende zaak (tegen de man van de VOF) een interessante juridische opvatting in haar uitspraak ontwikkeld. De redenering van de rechtbank was als volgt:

  1. Blijkens nummer 8 van de considerans van de Accijnsrichtlijn 2008 is het voor de goede werking van de interne markt noodzakelijk dat het concept “accijns” en de omstandigheden waaronder deze verschuldigd wordt, in alle lidstaten dezelfde zijn.
  2. In situaties waarin accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd zijn tot voldoening van de accijns gehouden onder meer alle personen die bij een onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde.

iii. Met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarvoor geen accijns is geheven buiten een schorsingsregeling (en buiten het vervoer van de goederen), is de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan is betrokken gehouden de accijns te voldoen.

  1. Blijkens de wetsgeschiedenis van de wijziging van de WA op basis van de Accijnsrichtlijn 2008 zijn de door de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van art. 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, voor de toepassing van het nieuwe art. 2, lid 1, onderdeel b, niet meer van belang. Het wetenschapsvereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling.
  2. De bewijslast dat aan eiser een naheffingsaanslag accijns kan worden opgelegd rust op verweerder (de douane-inspecteur). Daarbij hoeft de inspecteur alleen aannemelijk te maken dat eiser onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of daarbij betrokken is geweest. De inspecteur hoeft niet aannemelijk te maken dat eiser wist of redelijkerwijze kon weten dat het voorhanden hebben betrekking had op accijnsgoederen.

“Omdat het hier evenwel een bepaling betreft die is bedoeld om de belastingschuldige aan te wijzen, brengt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA mee dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld te bewijzen dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Een andere uitleg zou met zich brengen dat in feite sprake is van risicoaansprakelijkheid waardoor de keuze van degene aan wie de naheffingsaanslag accijns wordt opgelegd in de keten van betrokkenen volledig arbitrair wordt. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA te ver gaan.”

Tot zover de rechtbank. Dit is een interessante opvatting.

Conclusie

Kennelijk zijn meerdere rechters er toch niet zeker van of de voorwaarden, die de Hoge Raad heeft gesteld aan het ontstaan van een accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen, nu inderdaad vervallen zijn. Zoals ook Kalshoven in zijn commentaar onder NTFR 2018/325 (Rechtbank Den Haag 31 oktober 2017) stelt, zal pas na een arrest van de Hoge Raad blijken of de wetgever inderdaad slaagt in zijn opzet om deze voorwaarden voor aansprakelijkheid voor de accijns te laten vervallen en min of meer een vorm van risicoaansprakelijkheid te creëren. Te meer nu de feitelijke barrière voor het kunnen naheffen van accijns bij het vasthouden aan de vereisten van feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste (het redelijkerwijze kunnen weten incluis) helemaal niet hoog is, zoals inmiddels uit de diverse rechtspraak ook al blijkt, is juist te bepleiten dat de Hoge Raad vasthoudt aan de door haar ontwikkelde vereisten.

Nog duidelijker zou het zijn indien ook het HvJ EU wordt uitgedaagd middels prejudiciële vragen om zich hierover uit te laten. Immers het is onduidelijk waarom in de Accijnsrichtlijn 2008 wel de wetenschapseis wordt gesteld voor het ontstaan van een accijnsschuld bij het vervoer onder een schorsingsregeling maar dat deze eis ontbreekt of althans lijkt te ontbreken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen. Tenslotte lag ook aan de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin de beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste zijn ontwikkeld, rechtspraak van het HvJ EU ten grondslag.

Ook voor de rechtszekerheid is het duidelijker – en dat is helemaal geen hoge drempel – om vast te houden aan de eisen van feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap dan de belanghebbende op te zadelen met de bewijslast van de afwezigheid van alle schuld, zoals rechtbank Gelderland voorstaat.

Formele verweren over het heffen van definitief antidumpingrecht met terugwerkende kracht slagen niet

Aan belanghebbende is na een controle achteraf een UTB uitgereikt voor de import van buizen uit China. Voor deze import zou op de aanvaardingsdatum antidumpingrecht verschuldigd zijn. Eerst nadat de goederen zijn geïmporteerd, is de Uitvoeringsverordening tot instelling van het definitief antidumpingrecht in kwestie in werking getreden. In de UTB stonden deze antidumpingrechten verschuldigd op de aanvaardingsdatum aangeduid als ”definitieve antidumpingrechten”.

Het Hof bepaalde dat de inspecteur ten onrechte de door belanghebbende verschuldigde voorlopige antidumpingrechten heeft aangeduid als definitieve antidumpingrechten. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze onjuiste aanduiding van het belastingmiddel niet leidt tot vernietiging van de UTB. In cassatie betoogt belanghebbende dat deze onjuiste aanduiding op het aanslagbiljet wel degelijk de vernietiging van de UTB tot gevolg moet hebben. Daarnaast stelt belanghebbende dat navordering niet mogelijk is, omdat er geen zekerheid is gesteld.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Hoge Raad stelt – anders dan dat het Hof heeft geoordeeld – dat bij een definitieve verordening een antidumpingrecht wordt ingesteld dat ook van toepassing wordt op de producten die zijn ingevoerd gedurende de looptijd van de voorlopige verordening. De met terugwerkende kracht ingestelde antidumpingrechten worden definitief geacht nadat de Raad de voorlopig ingestelde maatregel tegen dumping van de Commissie bekrachtigd. Tevens geldt dat navordering van definitieve antidumpingrechten niet is beperkt tot producten waarvoor eerder zekerheid is gesteld bij de vrijgave. Daarmee slaagt het beroep van belanghebbende niet.

Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:125

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:125

HvJ EU geeft uitleg aan het begrip “de nodige gegevens” die in het kader van onderzoek naar antidumpingmaatregel moeten worden verstrekt

Een Europese branchevereniging verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie, waaruit volgt dat de antidumpingverordening voor de invoer van bepaalde fietsen uit China deels nietig moet worden verklaard voor zover van toepassing op een specifieke Chinese producent-exporteur. De belangenorganisatie van de Europese rijwielindustrie tracht aldus alsnog de antidumpingverordening van toepassing te laten verklaren op de Chinese producent-exporteur.

Reden voor het (initieel) van toepassing verklaren van de antidumpingverordening op de Chinese producent-exporteur door de Raad, is dat de Commissie na onderzoek van mening was geen individuele dumpingmarge vast te kunnen stellen op basis van de verstrekte “nodige gegevens” en deze buiten beschouwing heeft gelaten. Voor de vraag of de “nodige gegevens” ex art. 18 van de verordening (EG) nr. 1225/2009 zijn verstrekt, verduidelijkt het Hof van Justitie thans welke gegevens kunnen worden beschouwd als zodanig.

Het Hof oordeelt dat op basis van de tekst, context en doelstelling van de bepaling de “nodige gegevens” te omschrijven zijn als: “Zoals de advocaat-generaal in de punten 53 en 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten de belanghebbenden, die naar best vermogen moeten meewerken, alle gegevens verstrekken waarover zij beschikken en die de instellingen nodig menen te hebben om hun conclusies te kunnen trekken. Derhalve volgt uit de bewoordingen, de context en de doelstelling van artikel 18, lid 1, van de basisverordening dat het begrip „nodige gegevens” ziet op de inlichtingen waarover de belanghebbenden beschikken en die de instellingen van de Unie van hen wensen te verkrijgen om in het kader van het antidumpingonderzoek de passende conclusies te kunnen trekken”.

HvJ EU 14 december 2017, nr. C-61/16 P

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130deb2b6eb313bba4898ae47eae184d2a613.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4PaNySe0?text=&docid=197825&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=767480

Naheffingsaanslag accijns terecht opgelegd ondanks beroep op het ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht over, of wetenschap van, onveraccijnsde accijnsgoederen

Belanghebbende is sinds 2003 actief binnen de EU op het gebied van transport en logistiek en heeft als bemiddelaar in de transportsector onveraccijnsde goederen voorhanden gehad in een loods die door haar gehuurd werd. De FIOD is een onderzoek gestart naar aanleiding van een onderschept transport van onveraccijnsde waterpijptabak afkomstig uit deze loods.

Bij het onderzoek in de door belanghebbende gehuurde loods zijn onveraccijnsde accijnsgoederen gevonden en in beslag genomen. Een naheffingsaanslag accijns ten aanzien van deze goederen is opgelegd aan belanghebbende. De Rechtbank heeft deze naheffingsaanslag gehandhaafd, waarna belanghebbende in hoger beroep is gekomen. 

Belanghebbende betoogt dat zij niet als accijnsplichtige kan worden aangemerkt, omdat zij geen feitelijke beschikkingsmacht had over de accijnsgoederen of wetenschap had dat het om accijnsgoederen zou gaan. 

Het Hof oordeelt dat onder uitslag tot verbruik wordt verstaan het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling waarover geen accijns is geheven, en vervolgens dat de accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft. Hierbij volgt uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis dat feitelijke beschikkingsmacht over de goederen en wetenschap van het feit dat de goederen niet in de heffing zijn betrokken géén vereisten (meer) zijn voor het aanmerken van een (rechts)persoon als accijnsplichtig wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen.

Het Hof komt vervolgens tot het oordeel dat de inspecteur terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns heeft opgelegd. Wel wordt de aanslag op basis van het gewicht van de goederen herberekend. 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19-12-2017 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2017:11204

Achteraf doorgevoerde prijscorrectie gebaseerd op APA kan in bepaalde gevallen geen invloed hebben op de gehanteerde douanewaarde

Een Duitse vennootschap importeert en verkoopt producten welke zij inkoopt bij haar Japanse moedermaatschappij. Voor de vaststelling van de transactiewaarde bij invoer worden de interne verrekenprijzen gehanteerd, welke vastgesteld worden conform een APA gesloten met de Duitse belastingdienst. De vastgestelde prijzen worden indien nodig achteraf gecorrigeerd op basis van de APA. 

Belanghebbende verzocht om een terugbetaling van douanerechten ex art. 236 CDW, nadat een prijscorrectie naar beneden had plaatsgevonden op ingevoerde goederen. De Duitse douaneautoriteiten wezen dit verzoek af en stelden dat de gehanteerde methode voor de prijsbepaling van de goederen onverenigbaar was met art. 29 CDW.

Het Hof van Justitie oordeelt dat art. 28 – 31 CDW moeten worden uitgelegd dat ”zij niet toestaan dat als douanewaarde wordt gehanteerd een overeengekomen transactiewaarde die bestaat uit deels een aanvankelijk in rekening gebracht en aangegeven bedrag en deels een forfaitaire correctie daarop na afloop van het afrekeningstijdvak, zonder dat het mogelijk is om te weten of aan het eind van het afrekeningstijdvak deze correctie naar boven of naar beneden zal plaatsvinden.” 

HvJ EU 20 december 2017, nr. C-529/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30dc86720d76e7fa4887a0f9e864bacd3096.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxyNaN10?text=&docid=198053&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=878509

HvJ EU bevestigt dat automatisch uitstel van betaling ingeval bezwaar of beroep niet vereist is

Een Italiaans bedrijf voerde goederen in onder schorsing van btw, door bij de aangifte te vermelden dat zij de goederen in een btw-entrepot plaatste. De Italiaanse douane vorderde in 2009 betaling van de – vermeend – niet afgedragen btw bij invoer omdat de goederen niet fysiek in het entrepot zouden zijn geplaatst.

Belanghebbende voerde aan dat het Europees verdedigingsbeginsel was geschonden omdat er een aanslag was opgelegd zonder de belanghebbende te horen, waarbij niet automatisch uitstel van betaling werd verleend. 

Het HvJ EU wijst de opvatting dat het verdedigingsbeginsel zou zijn geschonden door de onderhavige Italiaanse regeling, die niet voorziet in automatisch uitstel van betaling, als de belastingplichtige niet is gehoord vóór de vaststelling van de belastingaanslag, van de hand.

Met verwijzing naar art. 244 CDW (thans: 45 DWU) heeft een beroep geen opschortende werking en staat het niet in de weg aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Wel verwijst het HvJ EU naar ditzelfde artikel waaruit volgt dat de douaneautoriteiten evenwel de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk dienen te schorsen, indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de beschikking niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden. Dat raakt aan de Nederlandse praktijk waarbij het verzoek om uitstel van betaling doorgaans niet inhoudelijk getoetst wordt op houdbaarheid van de beschikking of de eventuele betalingsonmacht van de belanghebbende.

Hof van Justitie 20 december 2017, HvJ EU C-276/16 

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130d526481cd2495f4c49801db65901b5b818.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4PaNuNe0?text=&docid=198070&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=855297

Hoge Raad laat uitspraak Hof in stand over een bestreden – wel of niet representatief en behoorlijk – monsteronderzoek

In de zaak http://www.debontspoton.nl/douane/gerechtshof-amsterdam-bevestigt-conclusie-inspecteur-dat-bulgurtarwe-is-ingevoerd/ is voor de tweede maal beroep in cassatie ingesteld.

Het Hof Amsterdam had na verwijzing door de Hoge Raad, uitspraak gedaan in deze zaak waarin onder andere de vraag centraal stond of belanghebbende in aanmerking kwam voor terugbetaling op de voet van artikel 236 CDW. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het bedrag van de geheven douanerechten op het moment van betaling niet wettelijk verschuldigd was en dat zij niet vooraf is ingelicht over de monsterneming en voorts dat de wijze van monsterneming ondeugdelijk is geweest. 

De eerdere verwijzingsopdracht van de Hoge Raad hield in dat het verwijzingshof de aan te tonen gebreken in de procedures rond de monsterneming en het onderzoek van het genomen monster (nog) in de beoordeling diende te betrekken. Het verwijzingshof kwam vervolgens tot de conclusie dat bij de uitvoering van het monsteronderzoek en het heronderzoek door belanghebbende niet (voldoende) aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van procedurele gebreken. De belanghebbende kwam o.a. tegen dit oordeel op, maar de Hoge Raad laat het oordeel van het verwijzingshof in stand. 

Hoge Raad 22 december 2017, ECLI NL HR 2017 3239

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:3239

Hoge Raad staat vermindering douanewaarde voor met fabricage samenhangend risico op defecten toe onder voorwaarden

De Hoge Raad heeft arrest gewezen op het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland. In het kader van dit geding waren eerder al prejudiciële vragen gesteld door de Hoge Raad aan het HvJ EU. (Zie de SpotOn van 26 oktober 2017: HvJ oordeelt over douanewaarde ingevoerde auto’s: www.debontspoton.nl/category/douane/)

Uit de prejudiciële beslissing van het HvJ EU volgt dat art. 145, lid 2 UCDW ook ziet op een situatie waarin wordt vastgesteld dat op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van een goed het met de fabricage samenhangende risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan defect zal raken. De verkoper kan om die reden een prijsvermindering toekennen in de vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig aan te passen dat het risico wordt uitgesloten. Dienovereenkomstig mag de douanewaarde worden verminderd en kunnen invoerrechten worden teruggevraagd.

Gelet op de visie van het HvJ EU kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en draagt de Inspecteur op belanghebbende terugbetaling van douanerechten te verlenen.

Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3085

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:3085

Hoge Raad laat uitspraak Hof Amsterdam in stand waarin de inspecteur niet voldeed aan de bewijslast voor de onjuistheid van de aangegeven transactiewaarden

De Hoge Raad heeft arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. (Zie de SpotOn van 6 juli 2017: Douaneschulden niet door verjaring teniet gedaan, maar inspecteur voldoet niet aan bewijslast: www.debontspoton.nl/category/douane/page/3/)

Voor het Hof was in geschil of de bestreden UTB terecht aan belanghebbende is uitgereikt. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of de Inspecteur terecht de door belanghebbende vermelde douanewaarde heeft verhoogd. Het Hof bevestigt de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland en oordeelt dat de Inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, zodat geen sprake is van na te vorderen douaneschulden. 

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie met toepassing van art. 81 RO ongegrond. 

Hoge Raad 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3046

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:3046

Boete voor doorvoer militaire goederen naar Rusland

Op 17 maart 2015 is door de Douane op Schiphol een zending stopgezet. De zending betrof een doorvoerzending van twee defecte onderdelen van radarsystemen van Royal Malaysia Airforce welke ter reparatie naar het productiebedrijf in Rusland zijn gestuurd. Naar aanleiding van de stopzetting is door team POSS van de Douane Nederland een opsporingsonderzoek gestart. Verdachte, zijnde een transport- en opslagbedrijf, wordt verweten dat zij militaire goederen heeft doorgevoerd naar een entiteit in Rusland. 

De Rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk militaire goederen, aangewezen in de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012, heeft doorgevoerd naar een entiteit in Rusland. De doorvoer van militaire goederen naar Rusland is verboden op grond van de Sanctieregeling Oekraïne. Deze sanctieregeling is in het leven geroepen door de EU wegens de gewapende conflicten tussen Oekraïne en Rusland. Door deze goederen toch door te voeren, terwijl verdachte naar eigen zeggen op de hoogte was van de boycot op Rusland, heeft zij de sancties en daarmee de Nederlandse staat ondermijnd. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 50.000, waarvan een gedeelte van EUR 25.000 voorwaardelijk.

De directeur van het bedrijf werd verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan de verboden gedraging en wordt vrijgesproken. Niet is bewezen dat hij van dit transport op de hoogte was. Nu niet kan worden bewezen dat verdachte enige wetenschap had van strafbare gedragingen, kan niet worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

Rechtbank Amsterdam, 23 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8591 & ECLI:NL:RBAMS:2017:8592

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:8591

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:8592