Categorie: Douane

Antidumpingrechten komen in mindering op douanewaarde bij naheffing bij een DPP levering indien koper te goeder trouw heeft gehandeld

Aan belanghebbende, de rechtsopvolger van A BV, zijn UTB’s uitgereikt voor de naheffing van douanerechten en UTB’s voor de naheffing van antidumpingrechten. Deze zien op transacties van A BV, waarbij bevestigingsmiddelen werden geïmporteerd met opgave van preferentiële oorsprong Indonesië waarbij Form A certificaten van oorsprong zijn overlegd. Deze bevestigingsmiddelen werden geleverd onder de leveringsvoorwaarde DDP. Uit onderzoek van OLAF zou zijn gebleken dat de goederen ingevoerd hadden moeten worden met niet-preferentiële oorsprong China en antidumpingrechten hadden moeten worden betaald.

Het geschil spitst zich toe op de bepaling van de douanewaarde voor de naheffingsaanslag nu de goederen onder de voorwaarde DDP zijn geleverd. De inspecteur hanteert de transactieprijs genoemd in de invoeraangifte verminderd met de na te vorderen douanerechten. Op deze transactieprijs heeft de inspecteur niet de na te vorderen antidumpingrechten in aftrek gebracht omdat dit volgens de inspecteur zou leiden tot een irreële douanewaarde. Belanghebbende is het hier niet mee eens en meent dat ook de antidumpingrechten in mindering komen op de transactieprijs nu deze voor rekening van de leverancier komen vanwege de levering onder DDP, wat zij baseert op het HvJ EU arrest ‘Gaston Schul’ (C-354/09, ECLI:EU:C:2010:439). Het Hof is van mening dat dit een onjuiste interpretatie van dit arrest is, omdat in het arrest de koper en verkoper te goeder trouw waren en dachten dat er geen douanerechten verschuldigd waren. Het Hof was van mening dat deze regel achterwege dient te blijven in dit geval, nu er te kwader trouw gehandeld is.

De Hoge Raad herhaalt de regel van art. 33, aanhef CDW, op grond waarvan bepaalde elementen van de prijs geen onderdeel uitmaken van de douanewaarde indien zij zijn onderscheiden van de voor de goederen daadwerkelijk betaalde prijs. Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de interpretatie van het arrest Gaston Schul. Hierbij legt de Hoge Raad nogmaals uit dat bij een vergissing over de verschuldigdheid van douanerechten bij een DDP levering deze in mindering komen op de transactiewaarde waarover de naheffing berekend wordt. De Hoge Raad stelt dat uit het arrest Gaston Schul moet worden afgeleid dat art. 33, aanhef CDW hetzelfde moet worden uitgelegd indien alleen de verkoper te kwader trouw heeft gehandeld bij het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad vernietigt aldus de uitspraak van het Hof, omdat art. 33, aanhef CDW toepassing kan vinden indien de verkoper te kwader trouw is. De antidumpingrechten mogen daarnaast in aftrek komen op de transactiewaarde, omdat de inspecteur niet de methode ter vaststelling van de douanewaarde heeft verworpen. Nu de inspecteur dit niet heeft gedaan moet de douanewaarde worden vastgesteld middels de transactiewaardemethode van art. 29 CDW, waarbij de antidumpingrechten dus in mindering komen op de douanewaarde.

Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1022

Vertegenwoordiger terecht aangewezen als douaneschuldenaar ondanks afwezigheid van eigendom en betrokkenheid bij transacties

A heeft als direct vertegenwoordiger van belanghebbende en o.b.v. een door belanghebbende afgegeven volmacht 13 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van biodiesel. De biodiesel was gekocht door D SA, een Zwitserse vennootschap verbonden met belanghebbende die de goederen wilde invoeren in de EU. De aangiften zijn gedaan met preferentiële oorsprong Noorwegen, onder overlegging van certificaten EUR.1 om de Noorse oorsprong aan te tonen. Achteraf bleek dat ten onrechte aanspraak is gemaakt op het preferentiële tarief en ging de inspecteur over tot naheffing van belanghebbende van de douanerechten.

Belanghebbende stelde dat zij niet als douaneschuldenaar ex. art. 201 lid 3 CDW kan worden aangemerkt, omdat zij niet op de hoogte was van de transacties. Het hof ging hier niet in mee, en achtte het aannemelijk dat het aanmerken van belanghebbende als aangever een welbewust keuze was omdat D SA de goederen niet zelf in het vrije verkeer kon brengen (zijnde een Zwitserse vennootschap, ex. art. 64 lid 2 aanhef en letter b CDW).

De Hoge Raad behandelt het eerste middel slechts gedeeltelijk omdat het in de eerste plaats klaagt over feitelijke elementen van de hofuitspraak, namelijk of de keuze ‘welbewust’ is geweest om belanghebbende als aangever aan te wijzen. Belanghebbende draagt tevens aan niet als douaneschuldenaar aangewezen te kunnen worden omdat zij geen eigenaar was van de biodiesel en niet betrokken was bij de handelstransacties. O.g.v. art. 64 lid 1 CDW staan deze omstandigheden er niet aan in de weg dat A rechtsgeldig als vertegenwoordiger van belanghebbende heeft kunnen optreden. Belanghebbende voert tot slot nog aan dat het ten tijde van het doen van de aangiften nog niet mogelijk was als indirect vertegenwoordiger op te treden, omdat het elektronisch aangiftesysteem Sagitta deze mogelijkheid niet bood. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof dat deze achtergrond van de keuze niet van belang is voor de beoordeling wie als douaneschuldenaar is aan te merken.

Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:HR:NL:2018:957

HR casseert: door nauwe en bewuste betrokkenheid bij fraude is belanghebbende toch aan te merken als douaneschuldenaar

A B.V. (aangever), een Nederlandse douane-expediteur, stelde in opdracht van X GmbH (belanghebbende) 16 aangiften op voor de invoer van pijpfittingen met niet-preferentiële oorsprong India in de periode van 20 september 2006 tot 20 maart 2007. B s.r.o. (B), gevestigd in Tsjechië, heeft in de daaropvolgende periode van 22 maart 2007 tot en met 5 oktober 2007 aan aangever de opdracht gegeven 13 aangiften te doen voor eveneens pijpfittingen met niet-preferentiële oorsprong India.

Achteraf zou uit onderzoek van OLAF zijn gebleken dat de pijpfittingen de niet-preferentiële oorsprong China hadden en onderdeel waren van een fraudenetwerk waarbij het doel was antidumpingrechten te ontlopen. Uit dit onderzoek zou ook naar voren zijn gekomen dat belanghebbende de fraude heeft bedacht en aan het hoofd stond van het fraudenetwerk. Belanghebbende is aangewezen als schuldenaar voor de naheffing van de antidumpingrechten voor zowel de eerste 16 aangiften als de 13 daaropvolgende aangiften. Hierbij baseert de minister zich op art. 54 van het Douanebesluit i.c.m. art. 201 lid 3 CDW, omdat belanghebbende gegevens heeft verstrekt voor de aangifte waarvan men wist of behoorde te weten dat deze onjuist waren.

In geschil is of belanghebbende ook voor de 13 aangiften die zijn opgesteld in opdracht van B als schuldenaar kan worden aangewezen. De rechtbank zag voldoende aanleiding om belanghebbende als medeschuldenaar aan te wijzen nu nauwe en bewuste betrokkenheid bij de fraude vaststaat, in ogenschouw nemende dat B en belanghebbende juridische banden hebben. Het hof stelde dat de rechtbank de feiten juist had vastgesteld, maar niet kunnen leiden tot het oordeel dat belanghebbende als schuldenaar kon worden aangewezen. Dit omdat niet belanghebbende maar B de opdrachten aan de aangever heeft verstrekt, en B ondanks de juridische banden een andere rechtspersoon is.

De minister heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad vangt aan met de uitleg van de in art. 201 lid 3 CDW opgenomen uitbreiding van de kring van personen die als schuldenaar kunnen worden aangemerkt. Uit jurisprudentie van het HvJ EU (19 oktober 2017, A, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778) volgt dat niet is vereist dat de persoon die als douaneschuldenaar wordt aangewezen o.g.v. art. 201 lid 3 CDW de verkeerde gegevens zelf direct of indirect aan de douaneautoriteiten heeft verstrekt. Uit dit arrest volgt ook dat de bepaling juist ziet op andere personen dan de aangever. Nu onbestreden is vastgesteld dat de uitkomsten van het onderzoek van OLAF juist zijn, kan worden vastgesteld dat belanghebbende nauw en bewust betrokken is geweest bij het verstrekken van de verkeerde gegevens en daarom o.g.v. art. 201 lid 3 CDW als schuldenaar is aan te merken. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en verklaart het beroep in cassatie gegrond.

Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:911

Hoge Raad: ondanks BOI moet het hof beoordelen of er sprake is van ontwijken ex. art. 25 CDW

Belanghebbende verzorgde tussen november 2009 en maart 2010 in opdracht van B B.V. aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van biodiesel met niet-preferentiële oorsprong Canada. De douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben bindende inlichtingen betreffende de oorsprong (BOI) voor de invoer van de biodiesel afgegeven aan B B.V. met daarin de vermelding dat de biodiesel de niet-preferentiële oorsprong Canada had (onder verwijzing naar art. 24 CDW). Na onderzoek van OLAF zou zijn gebleken dat biodiesel met niet-preferentiële oorsprong VS werd opgegeven als niet-preferentiële Canadese oorsprong, om zo compenserende rechten en heffing van antidumpingrechten te ontlopen. Dit vormde voor de inspecteur reden over te gaan tot naheffing bij belanghebbende.

Het hof stelt dat belanghebbende bij het doen van de aangiften is opgetreden als indirect vertegenwoordiger van B B.V. en aldus o.g.v. art. 10 lid 1 Uv. CDW een beroep kan doen op de aan B B.V. afgegeven BOI. De UTB moet volgens het hof worden vernietigd, omdat de inspecteur niet betwist dat de ingevoerde biodiesel overeenkomt het de in de BOI omschreven producten.

In cassatie brengt de inspecteur naar voren dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht in de hofuitspraak. De inspecteur stelt dat het vermoeden is gewettigd dat B B.V. met de bewerking van de biodiesel in Canada slechts ontduiking in de zin van art. 25 CDW heeft beoogd en dat indien art. 25 CDW van toepassing is men niet meer voor hetzelfde goed een beroep kan doen op een afgegeven BOI. De Hoge Raad acht deze stellingen van de inspecteur essentieel die het hof daarom had moeten behandelen. Hieruit komt naar voren dat goederen die slechts worden bewerkt om heffingen op goederen uit bepaalde landen te ontduiken, “in geen geval” van oorsprong zijn uit het land waar deze bewerking plaats heeft gevonden. In deze gevallen kan dan ook geen beroep op een BOI worden gedaan, tenzij deze bindende inlichting mede inhoudt dat art. 25 CDW niet van toepassing is. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar Hof Amsterdam.

Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:910

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJ EU over het wel of niet kunnen verwerpen van de aangegeven cif-invoerprijs bij invoer pluimveevlees

Belanghebbende voert pluimveevlees in vanuit Brazilië en verkoopt dit door op de Europese markt aan gelieerde en niet-gelieerde afnemers. Over de invoer zijn aanvullende rechten verschuldigd indien de cif-invoerprijs lager is dan de in de verordening voor landbouwproducten vastgelegde (reactie)prijs.

Belanghebbende heeft met de inspecteur vooraf afspraken gemaakt over de wijze waarop de douanewaarde moest worden berekend. Deze afspraken zijn gemaakt onder het voorbehoud dat de inspecteur achteraf de afzetvoorwaarden mocht controleren. Bij een controle achteraf bleek dat voor 705 van de 709 aangiften de gehanteerde doorverkoopprijs lager was dan de opgegeven cif-invoerprijs en met verlies doorverkocht was onder de representatieve prijs. Hierop volgde een naheffingsaanslag van de inspecteur van ruim €2 mln. De vraag is of deze omstandigheden voldoende zijn om de aangegeven cif-invoerprijs te verwerpen en aanvullende rechten na te vorderen uitgaande van de representatieve prijs.

In de uitspraak van het Hof, en niet bestreden in cassatie, is vastgesteld dat de doorverkoop niet marktconform was. Ook ziet het Hof geen aanleiding voor de inspecteur om af te zien van de naheffingsaanslag vanwege een vergissing, omdat de afspraken die waren gemaakt zagen op de methode van de prijsberekening en niet op de hoogte van de cif-invoerprijs.

De Hoge Raad bespreekt twee mogelijke invalshoeken alvorens de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ EU stelt. De eerste zienswijze houdt in, in lijn met de hofuitspraak, dat het feit dat de doorverkoop onder de cif-invoerprijs is verricht, voldoende is om aan te tonen dat de cif-invoerprijs niet klopt en een naheffing gerechtvaardigd is. De Hoge Raad acht een andere uitleg echter beter verdedigbaar, namelijk dat de voorziene verificatie of controle achteraf in het kader van de cif-invoerprijs ertoe strekt de douaneautoriteiten tijdig van informatie te voorzien met betrekking tot opeenvolgende transacties. Indien aanwijzingen worden gevonden van het gebruik van onjuiste cif-invoerprijzen dient nader onderzoek te worden ingesteld. Dit zou betekenen dat nu de doorverkoopprijs lager is dan de representatieve prijs, dit niet direct betekent dat de cif-invoerprijs moet worden verworpen. De Hoge Raad acht twijfel aanwezig in de juiste opvatting van het recht en stelt hierover prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De zaak is aldaar geregistreerd onder zaaknummer C-160/18.

Hoge Raad, 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:265

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:265

Hof Den Haag: vervoerscommissionair kan niet als belastingplichtige worden aangemerkt voor accijnsheffing

Belanghebbende treedt als vervoerscommissionair op die contracten voor het vervoer voor goederen afsluit in eigen naam maar het vervoer zelf door derden laat uitvoeren. Na controle van de twee bunkertanks van een schip bleek de inhoud van de tanks niet te voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling voor accijns. Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag accijns daarvoor opgelegd. In hoger beroep stelt belanghebbende dat zij ten onrechte is aangemerkt als belastingplichtige en de goederen niet voorhanden heeft gehad of bij dit voorhanden hebben betrokken is geweest.

Het Hof oordeelt dat het aan de inspecteur is om aan te tonen dat belanghebbende de goederen voorhanden heeft gehad of hierbij betrokken is geweest. Als voornaamste reden hiervoor voert de inspecteur aan dat belanghebbende een zustermaatschappij is van de eigenaar van het schip. Daarnaast zijn de eigenaar en belanghebbende op hetzelfde e-mailadres te bereiken en heeft belanghebbende een strafbeschikking hierover voldaan.

Belanghebbende voert aan dat het feit dat er sprake is van zustermaatschappijen geen reden is om aan te nemen dat zij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen. De strafbeschikking is uitsluitend uit kostenoverwegingen betaald. Het Hof stelt dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Belanghebbende is geen eigenaar van het schip en kan ook niet als exploitant van het schip worden aangemerkt. Daarom kan belanghebbende niet als belastingplichtige worden aangemerkt, waardoor men niet meer toekomt aan de vraag of er sprake is van voorhanden hebben in de zin van art. 2, eerste lid, aanhef en letter b WA.

Gerechtshof Den Haag, 1 mei 2018

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1192

Conclusie A-G Ettema over de graad van de bewijslast voor ‘blijken’ bij herziening van de aangifte ex art. 78 lid 3 CDW

Belanghebbende is in cassatie gegaan tegen de eerdere hofuitspraak, waarin meerdere UTB’s in stand zijn gelaten door het Hof die betrekking hebben op herziene aangiften omdat ten onrechte geen antidumpingrechten zouden zijn ingehouden. De ingevoerde goederen zouden namelijk (na controle achteraf) niet uit Thailand zijn gekomen, maar de niet-preferentiële oorsprong China hebben gehad.

Belanghebbende voert vijf cassatiemiddelen aan, waarbij het middel dat zich richt tot de graad van de bewijslast uitvoerig wordt behandeld door de A-G. Artikel 78 lid 3 CDW schrijft voor dat wanneer uit de herziening of de controles achter blijkt dat de toepasselijke bepalingen niet juist zijn toegepast, de nodige maatregelen getroffen moeten worden dit recht te zetten. Belanghebbende leidt uit het woord ‘blijkt’ af dat, ingeval de douaneautoriteiten menen dat de aangifte onjuist is, zij slechts mogen navorderen indien zij dit ‘overtuigend aantonen’.

De A-G deelt deze opvatting niet. Het Hof heeft voldoende bevonden dat de inspecteur ‘aannemelijk maakt’ dat de aangifte onjuist is. A-G Ettema stelt dat de Uniewetgever niet de bedoeling heeft gehad de graad van de bewijslast te bepalen bij de totstandkoming van art. 78 lid 3 CDW. Dit is een nationale aangelegenheid. Het middel zou dan ook moeten falen en kan in de ogen van de A-G afgedaan worden ingevolge art. 81 lid 1 wet RO.

Conclusie A-G Ettema, Hoge Raad, 3 april 2018

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:375

Blog: Hoe kan HvJ EU interessante vragen van de Hoge Raad inzake de mogelijkheid van herziening van aangiften en verjaring van de douaneschuld beantwoorden?

De Hoge Raad stelt met de prejudiciële vragen in het arrest van 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:522) het HvJ EU in staat zich uit te spreken over twee voor de douanepraktijk belangrijke onderwerpen, te weten de herziening van de aangifte op grond van art. 78 CDW en de verjaringstermijn van art. 221 CDW. De Hoge Raad brengt in zijn arrest verschillende zienswijzen naar voren waarvoor het inspiratie put uit eerdere jurisprudentie van met name het HvJ EU. Daarnaast spreekt de Hoge Raad uit welke argumenten in zijn ogen zwaarder dienen te wegen in het kader van de vraag betreffende de herzieningsmogelijkheid van art. 78 CDW. Het HvJ EU is geenszins gebonden de Hoge Raad te volgen in zijn voorkeur. Een beoordeling van de argumentatie van de Hoge Raad moet aldus uitwijzen welke verwachting kan worden uitgesproken over de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EU.

Casus en de prejudiciële vragen

De douane bracht bij controle na invoer van een partij mediaspelers een classificatiewijzing aan, waarbij de nieuwe postonderverdeling leidde tot een hoger tarief (13,9% i.p.v. 0%). De inspecteur ging over tot navordering van douanerechten, waarbij belanghebbende (X BV) na het opleggen van deze navorderingsaanslag gebruik wilde maken van de herzieningsmogelijkheid opgenomen in art. 78 lid 1 CDW. Belanghebbende had namelijk in de eerdere aangiften bij invoer (zonder bewuste keuze) de verkoopwaarde i.p.v. de wettelijk ook mogelijke (lagere) inkoopprijs als douanewaarde opgegeven, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat toch geen douanerechten waren verschuldigd. Echter het verzoek om herziening op de voet van art. 78 CDW werd door de inspecteur geweigerd. Belanghebbende ging in beroep.

Verder was nog in geschil of de navorderingstermijn is overschreden. Ingevolge art. 221 lid 3 CDW moet het bedrag aan rechten aan de schuldenaar worden medegedeeld binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. De vaststelling van het tijdstip van de mededeling vormt in de onderhavige zaak aanleiding voor de Hoge Raad om de volgende prejudiciële vragen te stellen:

  1. Moet artikel 78 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat een aangever in het kader van een boeking achteraf alsnog onder verwijzing naar artikel 147, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie tot vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 kan kiezen voor een andere, lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van de douaneschuld?

2a. Vormt voor de toepassing van artikel 221, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 het bepalen van het tijdstip waarop de mededeling aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden, een vraag van Unierecht?

2b. Indien vraag 2a bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 221, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde mededeling door de schuldenaar moet zijn ontvangen binnen de termijn van drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan, of volstaat dat die mededeling binnen die termijn aan de schuldenaar is verzonden?

Herziening van de aangifte o.g.v. art. 78 lid 3 CDW

De redenering van de Hoge Raad is glashelder:

In het arrest Overland Footwear II heeft het HvJ EU overwogen dat art. 78 CDA per 1 januari 1994 uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft ingevoerd dat de douane een douaneaangifte op een na de vrijgave van de goederen ingediend verzoek van de aangever herziet.

Het ‘rechtzetten’ in art. 78 lid 3 CDW ziet op in of bij een douaneaangifte verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens. Uit jurisprudentie van het HvJ EU kan worden afgeleid dat hiermee wordt gedoeld op materiële fouten of vergissingen, gegevens die zijn weggelaten, of onjuiste uitleg van het toepasselijke recht (arresten Veloserviss SIA, C-427/14 en VAEX Varkens- en Veehandel BV, C-387/13).

In dit geval is niet in geschil dat bij belanghebbende geen onzekerheid bestond over de juiste uitleg van de wet. Zij meende dat de hoogte van de prijs van de goederen niet van belang was omdat zij er vanuit ging dat de goederen vrij van invoerrechten konden worden ingevoerd.

Enerzijds wijst de Hoge Raad op het belang van de douane dat zij zonder meer moet kunnen uitgaan van de gegevens en bescheiden die bij een aangifte door een aangever zijn verstrekt, en dat zij ook ervan moet kunnen uitgaan dat in gevallen waarin gegevens in of bij een aangifte zijn verstrekt die een aangever op grond van de wet mocht kiezen, die keuze onherroepelijk is.  De aangever moet er ook rekening mee houden dat de douane die gegevens zonder meer moet kunnen gebruiken.  De herziening van art. 78 CDW is in deze opvatting niet bedoeld om van een gemaakte keuze terug te komen. In de punten 60 en 63 van het arrest Overland Footwear II, C-468/03 lijkt steun te vinden voor deze uitleg. Terugkomen van een keuze is in die visie alleen mogelijk als i. de in een aangifte vermelde gegeven niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, dan wel ii. de aangever zich heeft vergist vanwege een onjuiste uitleg van de betrokken wetsbepaling.

Bij deze uitleg zou het opgeven van de hoogste prijs van de te kiezen prijs als grondslag voor de douanewaarde, voor rekening van belanghebbende blijven nu niet een onjuiste prijs is.

Anderzijds  – aldus de Hoge Raad – kan worden betoogd op grond van punt 69 van het arrest Overland Footwear II dat ‘onbedoelde vergissingen’ ruim moet worden opgevat. De wettelijke bepalingen omtrent de in een douaneaangifte aan te geven douanewaarde maken het mogelijk dat een aangever kiest uit meerdere transacties (ook wel genoemd: ‘first sale’ en ‘last sale’ voor uitvoer naar de EU) met het oog op een vermindering van de douaneschuld in het kader van zijn mogelijkheid om herziening te vragen op grond van art. 78 lid 3 CDW, mits hij een ander gegeven (in dit geval: een andere waarde) inbrengt dat even juist en bruikbaar is voor douanedoeleinden.

Zo geeft het HvJ EU in voormeld arrest zelf het voorbeeld dat de aangever een bij de aangifte vergeten inkoopcommissie ook door een herziening mag rechtzetten. Volgens het Hof mag zo’n vergissing niet tot gevolg hebben dat rechten die op grond van loutere bewijsregels rechtmatig zijn geheven, achteraf met de wettelijk verschuldigde rechten in de zin van het CDW worden gelijkgesteld. Voorts biedt volgens de Hoge Raad ook het arrest Tigers, C-156/16 steun voor deze ruime opvatting nu daarin is geoordeeld dat een aangever aanvullend feiten of omstandigheden kan aandragen, waarmee de douane bij het vaststellen van de douaneschuld nog niet bekend was.

In wezen geeft de aangever op deze wijze de werkelijkheid weer die hij aanstonds zou hebben gepresenteerd indien hij de vergissing niet had gemaakt. In deze uitleg had de inspecteur de door belanghebbende bepleite verlaging van de douanewaarde niet mogen weigeren op de grond dat zij in de haar aangiften bewust heeft gekozen voor één van beide volgens het UCDW in aanmerking komende prijzen, en dat niet van belang is of belanghebbende zich vergist.

Bijzonder is dat de Hoge Raad oordeelt dat de laatstgenoemde argumenten het zwaarst moeten wegen. Alleen omdat dit niet buiten redelijke twijfel is heeft de Hoge Raad de vraag voorgelegd aan het HvJ EU.

Nu in dit geval vast staat dat de fout bestaat uit een onbedoelde vergissing, kan deze hoe dan ook niet worden aangemerkt als de uitoefening van een keuze, wat per definitie een bewuste handeling is (r.o. 69 arrest Overland Footwear II) zodat naar mijn mening de voor belanghebbende gunstige uitleg ook het antwoord van het HvJ EU zou moeten zijn.

Verjaring van de douaneschuld

Ook op dit punt maakt de Hoge Raad afwegingen tussen argumenten voor de verzendtheorie (dat dag van verzending bepaalt het begin van de termijn van de verjaring van de douaneschuld) en de ontvangsttheorie (de dag dat de mededeling van de schuld de geadresseerde heeft bereikt bepaalt het begin van de termijn van de verjaring).

Het Hof (Amsterdam) had in casu geoordeeld dat de termijn van drie jaar nog niet was verstreken, uitgaande van de verzendtheorie, dat de datum van verzending van het aanslagbiljet bepalend is, bij de uitleg van het bepaalde in het nationale art. 7:6, lid 1 Adw. Ook vond het Hof steun in het arrest Nederland/Commissie, C-156/00.

Maar de Hoge Raad sloot zich aan bij het hiertegen aangevoerde cassatiemiddel 2 van belanghebbende. Volgens dit middel is er geen wettelijke grondslag voor een uitleg conform de verzendtheorie zodat het Hof aansluiting had moeten zoeken bij het bepaalde in (o.a.) art. 3:37, lid 3 BW. Op grond van die bepaling(en) treedt een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas in werking wanneer deze verklaring die persoon heeft bereikt.

Volgens de Hoge Raad is in onze nationale wet (de Adw) weliswaar geregeld dat de ontvanger de invordering aanvat met de toezending van het aanslagbiljet per post aan de schuldenaar maar is het zeer de vraag of de vrijheid van lidstaten om te bepalen op welke wijze de mededeling aan de schuldenaar moet worden gedan, mede de vrijheid omvat te bepalen wanneer de in art. 221 lid 3 CDW voorgeschreven termijn van drie jaar is verstreken.

Verdedigbaar is dat die bevoegdheid mede aan de lidstaten is geboden maar daartegenover is ook verdedigbaar dat enkel de wijze waarop de mededeling worden gedaan is overgelaten aan de lidstaten en dat het aanwijzen van het moment waarop de mededeling geacht wordt te zijn gedaan (datum van verzending of uitreiking dan wel datum van ontvangst)  ligt besloten in de bepaling van het CDW waarin een termijn is voorgeschreven.

Hierbij wijst de Hoge Raad op het arrest Molenbergnatie, C-201/04, waarin het HvJ EU heeft geoordeeld dat de mededeling aldus moet geschieden dat de schuldenaar in staat wordt gesteld zijn rechten precies te kennen, en dat voorts gewaarborgd moet zijn dat de schuldenaar over passende informatie kan beschikken die hem in staat stelt zijn rechten te kennen. De schuldenaar kan zijn rechtspositie omtrent een eventuele verjaring niet eerder bepalen dan bij ontvangst van de mededeling. Voorts ligt  het voor de hand dat het HvJ EU een uniforme toepassing van de hier bedoelde termijn waarborgt. Daarom legt de Hoge Raad ook deze vraag voor aan het HvJ EU.

Maar de Hoge Raad steekt ook hierbij niet onder stoelen of banken dat hij meer argumenten ziet voor de ontvangsttheorie dan voor de verzendtheorie. Met name ook dat het fundamentele beginsel van rechtszekerheid vereist dat marktdeelnemers te goeder trouw hun rechtspositie moeten kunnen bepalen. De Hoge Raad laat ook na om op te merken dat hij het arrest Nederland/Commissie dat het Hof had aangehaald niet van belang acht voor de hier aan de orde zijnde kwestie. Dit arrest levert geen aanwijzingen op die nuttig zijn bij de in casu aan de orde zijnde keuze.

Omdat het evenwel opnieuw niet buiten redelijke twijfel is of het tijdstip van verzending dan wel het tijdstip van ontvangst van de mededeling beslissend is legt de Hoge Raad de vraag voor aan het HvJ EU.

Maar duidelijk is wel dat de Hoge Raad in principe (als hoofdregel) de ontvangsttheorie wenst te omarmen. Wederom in het voordeel van de belanghebbende marktdeelnemer. En deze keuze maakt gezien de EU jurisprudentie eveneens een goede kans.

De marktdeelnemers in de EU en hun adviseurs zullen graag meer van dit soort arresten van de Hoge Raad verwelkomen.

Conclusie A-G Ettema: teruggaaf accijns over gestolen goederen die nadien onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd

Vanuit Roemenië vervoerde X sigaretten onder schorsing van accijns naar de AGP van BV A in Nederland. Bij aankomst in Nederland ontbraken 6 pallets sigaretten, waarover X accijns betaalde in Nederland vanwege een onregelmatige onttrekking. Een gedeelte van de sigaretten werd vervolgens bij een controle teruggevonden door de Franse autoriteiten en na de inbeslagneming op een later tijdstip vernietigd. Omdat X de accijns reeds had voldaan verzocht X de Nederlandse douaneautoriteiten om een accijnsteruggaaf voor het gedeelte van de onder toezicht van de Franse autoriteiten vernietigde sigaretten. Dit verzoek werd geweigerd waarna X beroep instelde.

De mogelijkheid tot teruggaaf van reeds voldane accijns voor accijnsgoederen die onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd, geldt voor goederen die tot de bedrijfsvoorraad behoren. In geschil is dan ook of in het onderhavige geval de sigaretten behoren tot de bedrijfsvoorraad, en hoe dit begrip moet worden uitgelegd. De Rechtbank was van mening dat de goederen tot de bedrijfsvoorraad behoorden tot aan het moment van vernietiging en kende de teruggaaf toe. De teruggevonden goederen behoorden tot aan de vernietiging bij X tot de bedrijfsvoorraad. Daarmee bleef volgens de Rechtbank het economisch risico tot aan de afboeking bij X. Het Hof oordeelde anders en vond dat de goederen niet tot de bedrijfsvoorraad behoorden omdat X op het moment van vernietiging niet de fysieke beschikkingsmacht had over de goederen. 

A-G Ettema stelt dat de beoordelingsbevoegdheid van de Nederlandse wetgever niet zo ver strekt dat gestolen accijnsgoederen uitgesloten mogen worden van het begrip “bedrijfsvoorraad” en neemt daarbij in aanmerking het beginsel van fiscale neutraliteit. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat de uitleg van de voorwaarde “tot een bedrijfsvoorraad behoren” een nationale aangelegenheid is, dan komt de A-G tot de conclusie dan onder deze voorwaarde moet worden verstaan “boekhoudkundige bedrijfsvoorraad”. De A-G adviseert de Hoge Raad de hofuitspraak te vernietigen en de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen en aldus de teruggaaf accijns te verlenen.

Conclusie A-G Ettema, Hoge Raad, 13 april 2018

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:425

Hof oordeelt over toetsing aan andere CDW-bepalingen bij terugbetalingsverzoek ex art. 239 CDW

Belanghebbende heeft als douane-expediteur van A BV verschillende aangiften gedaan voor zendingen knoflook uit China. Na onderzoek concludeerde de inspecteur dat in tegenstelling tot hetgeen in de aangifte was opgenomen, er verse knoflook was ingevoerd en daardoor een andere postonderverdeling met een hoger tarief van toepassing was. De uitgereikte UTB’s werden bestreden in bezwaar, waarbij belanghebbende eerst op de voet van art. 236 CDW een verzoek tot terugbetaling indiende, en na afwijzing daarvan een verzoek op grond van art. 239 CDW indiende. Deze verzoeken waren gebaseerd op de stelling dat de douaneautoriteiten een vergissing hadden gemaakt. Tegen de afwijzing van het laatste verzoek tot terugbetaling ex art. 239 CDW is vervolgens tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. Na verwijzing kwam de zaak opnieuw bij het Hof.

In de verwijzingsuitspraak oordeelde de Hoge Raad dat een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in art. 220, lid 2, sub b, CDW, in dit geval geen bijzondere omstandigheid vormt in de zin van art. 239 CDW. De Hoge Raad stelt dat art. 239 lid 1 CDW toepassing vindt in gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238 CDW en oordeelde: “Indien in een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW wordt genoemd terwijl de daartoe aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met het in de desbetreffende bepaling bedoelde geval maar wel met dat bedoeld in een van de andere bepalingen, ontslaat dat de douaneautoriteiten en de rechter niet van de verplichting te onderzoeken of de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling“.

Hieruit volgt dat bij terugbetalingsverzoeken de inhoud boven de vorm gaat, dat wil zeggen dat ook al is het teruggaveverzoek gebaseerd op art. 239 CDW, de douaneautoriteiten en de rechter dienen te onderzoeken of de aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling.

Het Hof overweegt vervolgens in de uitspraak na verwijzing nogmaals dat de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere situatie vormen in de zin van art. 239 CDW. Vervolgens komt het Hof tot de conclusie dat in het verzoek tot terugbetaling en de latere stukken geen omstandigheden zijn aangevoerd die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor toepassing van art. 236, 237 of 238 CDW. De toepassing van art. 236 CDW is volgens het Hof niet mogelijk omdat de termijn voor het indienen van het verzoek o.g.v. deze bepaling is verlopen. Die beslissing lijkt op gespannen voet te staan met de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad, waarin ook als het om een verzoek ex art. 239 CDW gaat, getoetst aan art. 236 CDW zou moeten worden.

Gerechtshof Amsterdam, 13 februari 2018 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:449