Van Douane

WDO: Tweede case study over douanewaarde en verrekenprijzen

Tijdens de 45e zitting van het Technisch Comité Douanewaarde in Brussel onder voorzitterschap van de heer J. Birkhoff uit Nederland is een tweede case study afgerond. De case study illustreert een scenario waarbij de Douane in het kader van verificatie van de douanewaarde gebruik maakt van informatie ter zake van interne verrekenprijzen.

In het voorbeeld maakt de Douane gebruik van informatie met betrekking tot de verrekenprijs gebaseerd op de resale price method. Op basis van deze informatie concludeert de Douane dat de invoerprijs niet op een manier is vastgesteld welke gebruikelijk is in het bedrijfsleven, maar is beïnvloedt door de relatie tussen de koper en verkoper. Derhalve dient de douanewaarde volgens een alternatieve methode bepaald te worden.

De nieuwe case study wordt gepubliceerd in het WDO Waarde Compendium. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing.

WDO 30 oktober 2017

http://www.wcoomd.org/en/media/newsroom/2017/october/second-case-study-on-transfer-pricing-and-customs-valuation.aspx

Bijlage: http://www.inenuitvoer.nl/sites/default/files/cwc/nieuws/bijlage/binaries/nieuws/2017/11/case-study-14_2_en-release-version.pdf

Hof Amsterdam vermindert UTB, sprake van een verzuim zonder werkelijke gevolgen. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel.

Aan belanghebbende zijn vergunningen actieve veredeling verleend met de modaliteit equivalentieverkeer met voorafgaande uitvoer. Dit biedt belanghebbende de mogelijkheid om binnen de in de vergunning vermelde termijn een hoeveelheid niet-communautaire goederen in te voeren zonder betaling van douanerechten. De inspecteur heeft aan belanghebbende een UTB opgelegd ter zake van het te laat indienen van de aanzuiveringsafrekeningen. Bij zowel de Rechtbank als in hoger beroep is in geschil of de UTB terecht is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich o.a. op het standpunt dat sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen als bedoeld in art. 859 TCDW. Er zou namelijk geen sprake zijn van duidelijke nalatigheid. De regeling actieve veredeling met equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer (hierna: de regeling) is een complexe regeling en belanghebbende is geen specialist op dit gebied. Bovendien heeft belanghebbende contact gezocht met het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: HPA) en afgestemd waaraan de vergunning moest voldaan.

Het Hof oordeelt dat uit het arrest Söhl & Söhlke (ECLI:EU:C:1999:548) volgt dat de term ‘duidelijke nalatigheid’ in art. 859 TCDW dezelfde betekenis heeft als de term ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ in art. 239 CDW. Uit punt 56 van dat arrest volgt dat voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke nalatigheid met name rekening moet worden gehouden met de (1) complexiteit van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering de douaneschuld heeft doen ontstaan en met (2) de beroepservaring en (3) de zorgvuldigheid van de onderneming.

Naar ’s Hofs oordeel dienen de bepalingen betreffende de regeling als zeer ingewikkeld te worden gekwalificeerd. Wat de beroepservaring van de betrokken ondernemer betreft, moet worden nagegaan of het om een ondernemer gaat waarvan de beroepsactiviteit hoofdzakelijk in- en uitvoer omvat, en of hij in dat soort transacties reeds een zekere ervaring had verworden. Getoetst aan dit criterium kwalificeert belanghebbende niet als ervaren marktdeelnemer: haar beroepsactiviteit omvat niet hoofdzakelijk in- en uitvoer en zij had vóór de onderwerpelijke vergunningen aan haar werden verleend, geen ervaring met de toepassing van de regeling. De omstandigheid dat belanghebbende veelvuldig contact heeft gehad met het HPA, vormt een bevestiging dat belanghebbende zelf niet over kennis en ervaring beschikte omtrent het gebruik van de vergunningen. Wat de zorgvuldigheid betreft, oordeelt het Hof dat ingeval van twijfel over de juiste toepassing van de bepalingen, de ondernemer zich dient te informeren en de zaak zo grondig mogelijk dient te onderzoeken, zodat de betrokken bepalingen niet worden overtreden. Ten aanzien van drie van de vijf vergunningen had na kennisneming van de tekst twijfel moeten rijzen of de gehanteerde termijn wel juist was en had belanghebbende navraag behoren te doen. Door dit na te laten heeft belanghebbende niet de zorgvuldigheid betracht die van haar verwacht mocht worden, zodat sprake is van ‘duidelijke nalatigheid’ in de zin van art. 859 TCDW. Bij de overige twee vergunningen was dit niet het geval waardoor sprake was van een verzuim zonder werkelijke gevolgen. Dit leidt tot een vermindering van de UTB.

Belanghebbende heeft voorts betoogd dat haar een beroep toekomt op het vertrouwensbeginsel zoals vastgelegd in het Handvest van Grondrechten van de EU en art. 220, tweede lid, aanhef en onder b CDW.  Het Hof oordeelt dat geen sprake is van een ‘boeking achteraf’ als bedoeld in art. 220, lid 1 CDW, maar van een primaire boeking van een douaneschuld op de voet van art. 218, lid 3 CDW. Hieruit volgt dat art. 220 CDW toepassing mist.

Het hoger beroep is gegrond. Het Hof vernietigd de uitspraak van de inspecteur en vermindert de UTB.

Hof Amsterdam 11 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4034

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4034

HvJ oordeelt over begrip ‘schuldenaar’ bij kunstmatige handelsstromen met oogmerk verlagen invoerrechten

Vennootschap F, gevestigd in Duitsland, heeft in de jaren 2005 en 2006 een aantal douaneaangiften laten opstellen voor het in Nederland in het vrije verkeer brengen van partijen bevroren rauw kippenvlees, afkomstig uit onder meer Brazilië en Argentinië. Vennootschap D bezat in deze periode alle aandelen in F. A, zijn zoon B en een derde, X, waren allen aandeelhouders van D en maakten deel uit van het bestuur. Tot februari 2005 was A ook de bestuurder van F; daarna werd hij vervangen voor X.

De Nederlandse douaneautoriteiten hebben zich op het standpunt gesteld dat A met andere marktdeelnemers een keten van transacties had opgezet met het oogmerk aanvullende rechten te ontwijken. De oorspronkelijke prijs van de producten die waren gekocht van onafhankelijke leveranciers in Zuid-Amerika, werd bij de volgende transacties kunstmatig verhoogd. Op deze manier was de cif-invoerprijs van de betrokken producten hoger dan de reactieprijs, waardoor geen aanvullende rechten verschuldigd waren. De Inspecteur heeft op grond hiervan onder meer aan A een UTB opgelegd.

De Hoge Raad deelt de beoordeling van het Hof Amsterdam dat de in het hoofdgeding betrokken elkaar opvolgende transacties misbruik vormen in de zin van het arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a, (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62002CJ0255) namelijk handelingen die niet waren verricht in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel onrechtmatig voordeel te verkrijgen uit de door het Unierecht toegekende voordelen. De Hoge Raad heeft echter twijfels over de precieze strekking van het begrip “personen die (…) (verkeerde) gegevens hebben verstrekt” in de zin van art. 201, lid 3, tweede alinea van het douanewetboek. De Hoge Raad vraagt zich in het bijzonder af of dit begrip ook van toepassing is op een natuurlijke persoon, zoals A. Gezien hij de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens niet zelf heeft verstrekt en voor deze verstrekking als orgaan of functionaris van een rechtspersoon niet verantwoordelijk kan worden gesteld. A is echter wel nauw en bewust betrokken geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelsstromen in het kader waarvan anderen dergelijke gegevens hebben verstrekt.

Aangezien A heeft betoogd dat hij pas zo heeft gehandeld nadat door specialisten op het gebied van douanerecht was bevestigd dat die structuur in overeenstemming was met de toepasselijke, met name fiscale, bepalingen, vraagt de Hoge Raad zich bovendien af of deze omstandigheid van invloed is op art. 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, dat de personen die gegevens hebben verstrekt redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

In deze omstandigheden heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht een prejudiciële beslissing te nemen. Het HvJ oordeelt dat art. 201, lid 3, tweede alinea van verordening nr. 2913/92 aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip “schuldenaar” van de douaneschuld mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen die een verlaging van de wettelijke verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad. Niet relevant is of hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt. Wanneer uit de omstandigheden blijkt dat deze persoon wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de handelingen niet waren uitgevoerd in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel om de door het Unierecht toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen, kan deze persoon als schuldenaar worden beschouwd. De omstandigheid dat deze persoon die structuur pas heeft bedacht en opgezet nadat hem door specialisten op het gebied van douanerecht was verzekerd dat die structuur wettig was, is in dit verband niet van invloed.

HvJ EU 19 oktober 2017, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62016CJ0522

HvJ oordeelt over douanewaarde ingevoerde auto’s

BV X koopt bij een in Japan gevestigde fabrikant verschillende typen personenauto’s die zij op het grondgebied van de EU in het vrije verkeer brengt. De douanewaarde is vastgesteld op basis van de aan de fabrikant betaalde koopprijs. Enige tijd later wordt BV X door de fabrikant verzocht alle eigenaren van een auto van het type A uit te nodigen om een afspraak te maken teneinde kosteloos de stuurkoppeling te laten vervangen. De kosten worden door de fabrikant aan BV X vergoed. De auto’s van het type C en D vertonen bovendien gebreken. De fabrikant heeft het herstel hiervan eveneens aan BV X vergoed.

BV X heeft overeenkomstig art. 236 van het douanewetboek verzocht om gedeeltelijke terugbetaling van de douanerechten die zij voor de auto’s had voldaan. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat de douanerechten van elk van de auto’s in kwestie achteraf lager bleek te zijn dan de oorspronkelijke douanewaarde. De Inspecteur heeft het verzoek ten aanzien van de auto’s van het type A afgewezen op grond dat deze geen ‘gebreken’ vertoonden in de zin van art. 145, lid 2 van de uitvoeringsverordening. Ten aanzien van de auto’s van typen C en D heeft de Inspecteur het verzoek om terugbetaling van douanerechten eveneens afgewezen, en wel op grond dat de in art. 145, lid 3 van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn van twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de invoeraangifte was verstreken.

De Hoge Raad wenst van het HvJ te vernemen of art. 145, lid 2 van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie als die welke in dit geding aan de orde is, namelijk waarin wordt vastgesteld dat het risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan defect zal raken en de verkoper om die reden een prijsvermindering toekent in de vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig aan te passen dat het risico wordt uitgesloten. Daarnaast vraagt de Hoge Raad zich af of de in art. 145, lid 3 van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn van twaalf maanden geldig is.

Het Hof oordeelt dat art. 145, lid 2 zo moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin wordt vastgesteld dat op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van een goed het met de fabricage samenhangende risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan defect zal raken. De verkoper kan om die reden ter nakoming van een contractuele garantieverplichting jegens de koper aan deze een prijsvermindering toekennen in de vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig aan te passen dat het genoemde risico wordt uitgesloten. Op de tweede vraag antwoordt het Hof dat art. 145, lid 3 ongeldig is voor zover deze bepaling voorziet in een termijn van twaalf maanden vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen waarbinnen de wijziging van de werkelijk betaalde of te betalen prijs moet plaatsvinden.

HvJ 12 oktober 2017, nr. C-661/15, ECLI:EU:C:2017:753

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62015CN0661

A-G Hoge Raad: toepassing van art. 181bis UCDW ook mogelijk bij controle achteraf

Belanghebbende heeft in de periode 2008-2010 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van textielproducten en schoeisel. Tijdens een onderzoek heeft de Inspecteur geconstateerd dat de prijs (extreem) laag is en dat dit aanleiding geeft tot gegronde twijfel over de aangegeven douanewaarde. De aanvullende informatie die hij heeft opgevraagd op grond van art. 181bis UCDW, heeft de twijfel niet weggenomen. De Inspecteur verwerpt de transactiewaardemethode en stelt de douanewaarde vast met de methode van redelijke middelen.

In de conclusie staat de vraag centraal of art. 181bis UCDW kan worden toegepast bij een ‘controle achteraf’ op de voet van art. 78 CDW. De Staatssecretaris beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. Het Hof heeft geoordeeld dat art. 181bis UCDW slechts in de fase van verificatie van de juistheid van de vermeldingen in een aanvaarde aangifte als bedoeld in art. 68 CDW (verificatiefase) kan worden toegepast.

De A-G leidt uit het systeem van het CDW en de rechtspraak van het HvJ af dat de procedure als beschreven in art. 181bis UCDW ook nog in het kader van de controle achteraf kan worden toegepast. De A-G ziet niet in waarom de Inspecteur de ‘gegronde-twijfelregel’ van art. 181bis UCDW niet zou mogen toepassen bij een controle achteraf. De ratio achter de gegronde-twijfelregel lijkt immers te zijn dat de Uniewetgever bij toepassing van de transactiewaardemethode de zwakkere positie van de Inspecteur ten opzichte van de aangever (de afhankelijkheid van de door de aangever verstrekte gegevens) wilde opheffen. Die onevenwichtigheid bestaat ook nog indien de verificatiefase voorbij is.

De A-G oordeelt dat het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. Toepassing van art. 181bis UCDW is ook nog mogelijk bij een controle achteraf. Verwijzing moet volgen. Het Hof zal moeten beoordelen of de Inspecteur de gegronde twijfel als bedoeld in art. 181bis UCDW aannemelijk heeft gemaakt.

 Hoge Raad 29 september 2017, ECLINL:PHR:2017:994

 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:994

Europees Hof beantwoordt prejudiciële vraag over teruggaaf BTW bij invoer

SMS group is een in Duitsland gevestigde vennootschap die installaties voor staalbewerking verkoopt en monteert. Begin 2008 heeft zij een overeenkomst gesloten met een Oostenrijks bedrijf betreffende de realisatie en levering van een lassysteem. Voor de productie van dit lassysteem heeft SMS group machines ingevoerd uit Turkije in Roemenië en ter zake hiervan btw betaald aan de Roemeense Staat. Omwille van financiële problemen van het Oostenrijks bedrijf wordt de overeenkomst op verzoek van dit bedrijf geschorst. Belanghebbende zal de werkzaamheden pas hervatten bij voorzetting van de betalingen van het Oostenrijkse bedrijf. Wanneer de betalingen uitblijven, wordt het project stopgezet en zal zij de machines weer uitvoeren. Hierbij wordt de Roemeense belastingdienst verzocht om teruggaaf van de bij invoer betaalde btw. De belastingdienst heeft echter geweigerd om aan dit verzoek te voldoen, op grond dat geen bewijsstukken zijn overlegd waaruit de verdere distributie van de betrokken goederen en de eindbegunstigde van die goederen bleken.

 Het HvJ EU heeft op de prejudiciële vragen van de Roemeense rechter geantwoord dat een lidstaat een belastingplichtige, die niet is gevestigd op zijn grondgebied, niet het recht op teruggaaf mag ontzeggen in een situatie als in dit geding, indien de belastingplichtige de verdere distributie niet heeft bewezen.

 Het HvJ EU bepaalt dat de Achtste richtlijn, gelezen in samenhang met art. 170 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat een lidstaat een niet op zijn grondgebied gevestigde belastingplichtige het recht ontzegt op teruggaaf van de uit hoofde van de invoer van goederen betaalde btw in een situatie als in het geding, waarin de uitvoering van de overeenkomst in het kader waarvan de belastingplichtige die goederen heeft gekocht en ingevoerd, op het tijdstip van de invoer was geschorst, de handeling waarvoor die goederen zouden worden gebruikt uiteindelijk niet is verricht en de belastingplichtige de verdere distributie van die goederen niet heeft bewezen.

 Het is nu aan de Roemeense rechter om hier vervolg aan te geven.

 HvJ EU 21 september 2017, nr. C-441/16

 http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1507801229224&uri=CELEX:62016CN0441

Veroordeling voor uitvoerzendingen in strijd met Europeesrechtelijke sancties

Het bedrijf van verdachte handelde o.a. in vervangingsonderdelen voor motoren en heeft in de periode oktober 2012 tot en met februari 2015 zeven uitvoerzendingen verricht aan bedrijven in Dubai en Turkije. Van deze zendingen wordt vermoed dat deze in werkelijkheid in strijd met de Europeesrechtelijke sancties zijn doorgestuurd naar Iran en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Daarmee zou het bedrijf deze goederen indirect ter beschikking hebben gesteld aan een entiteit in Iran, hetgeen in strijd is met de Sanctieregeling Iran 2012 en Verordening (EU) 267/2012.

Verdachte heeft betoogd dat het niet vaststaat dat de goederen zijn aangekomen in Iran althans, als dat wel vast zou komen te staan, hij ten tijde van de uitvoer niet wist dat de goederen bestemd waren voor Iran. Daarbij dient zijn eerste afgelegde verklaring bij de douane – die mogelijk als deels erkennend kan worden opgevat – te worden genuanceerd.

De Rechtbank komt tot een bewezenverklaring o.a. op grond van e-mails waaruit instructie en mededelingen over het vanuit Dubai en Turkije doorsturen van de zendingen aan Iran zouden blijken, waarvan één e-mail met offertes van vier van de zeven zendingen was gericht aan de verdachte. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 20 maanden op waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Rechtbank Oost-Brabant, 04-09-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4666

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2017:4666

Ondanks jarenlang accepteren van andere goederencode blijft boeking achteraf in stand

Eiseres heeft als douane‑expediteur op eigen naam en voor eigen rekening aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van pinda bevattende producten. De inspecteur heeft aan eiseres twee UTB’s opgelegd voor douanerechten op landbouwproducten.

Eiseres bestrijdt de rechtmatigheid van deze boeking achteraf omdat de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW af had moeten zien van boeking achteraf. In dat kader stelt eiseres dat er sprake is van vergissingen van verweerder door het jarenlang accepteren van de goederencode waarbij regelmatig werd overgegaan tot fysieke controle zonder correctie.

De Rechtbank zet eerst de drie cumulatieve voorwaarden voor een beroep op artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW uiteen: “Om te beginnen moet de inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, vervolgens moet de vergissing van deze autoriteiten van dien aard zijn geweest dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan”.

Vervolgens oordeelt de Rechtbank dat het beroep (o.a.) niet slaagt op grond van het tweede criterium: “Als al sprake zou zijn van een vergissing dan had eiseres naar het oordeel van de Rechtbank de vergissing redelijkerwijze kunnen ontdekken. De Rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiseres is een wereldwijd opererende logistiek dienstverlener en douane-expediteur en is een zeer ervaren professionele marktdeelnemer. De aangiften die in geschil zijn, zijn gedaan in de periode maart 2008 tot en met juni 2009 en aldus na 12 februari 2008, de datum van publicatie van de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 10 januari 2008, zaaknummer 07/4170, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2198. Ten tijde van het doen van de aangiften had eiseres derhalve op de hoogte kunnen zijn van deze uitspraak. Gelet op de beroepservaring van haar opdrachtgever, (…) die gezien de onder 9 genoemde brief op de hoogte was van de discussie over de indeling van de pindacrackers en de veronderstelde deskundigheid bij de toepassing van de douanebepalingen bij eiseres, had zij bij een grotere mate van zorgvuldigheid bij de indeling van de pindacrackers kunnen constateren dat de pindacrackers niet onder de aangegeven GN-code konden worden ingedeeld. Dat eiseres de goederen bleef aangeven onder GS-post 2008, komt voor rekening en risico van eiseres. Eiseres had immers de pindacrackers kunnen aangeven onder GS-post 1905 en eventueel hiertegen bezwaar kunnen maken”.

Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7247

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:7247

A-G Hoge Raad: BOI is bindend tenzij nieuwe feiten blijken

Advocaat-Generaal mr. Ettema heeft conclusie genomen in de zaak van BV X die voor een importeur aangiften heeft gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van biodiesel uit Canada. Na onderzoek door OLAF legde de inspecteur twee UTB’s op voor meer dan 25 miljoen euro omdat vermoed werd dat de diesel als oorsprong de Verenigde Staten had.

BV X kwam tegen de UTB’s in beroep en stelde dat zij als indirect vertegenwoordiger was opgetreden van een groepsmaatschappij van de importeur, welke een BOI bezat afgegeven door de Britse douaneautoriteiten. Op deze BOI, waarin aan de biodieselmengsels de niet-preferentiële oorsprong Canada was toegekend, deed BV X een beroep.

Het Hof had BV X in het gelijk gesteld en oordeelde dat zij zich rechtsgeldig kon beroepen op de BOI. In cassatie stelt de staatsecretaris dat het Hof de antimisbruikbepaling van art. 25 CDW ten onrechte buiten toepassing heeft verklaard. Zij had namelijk moeten onderzoeken of BV X met het mengen van biodiesel in Canada slechts ontduiking heeft beoogd. Aldus zou dan in de visie van de staatsecretaris geen rechtsgeldig beroep op de BOI kunnen worden gedaan.

De A-G is het met de staatsecretaris eens dat het Hof dit punt had moeten uitzoeken en als het Hof ervan is uitgegaan dat art. 25 CDW nooit kon afdoen aan de verbindendheid van een BOI dan is dat in de visie van de A-G een onjuiste rechtsopvatting.

Hoge Raad, 3 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:728

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2017:728

Hoge Raad casseert oordeel Hof dat scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van zeeschepen

In 2009 heeft de douane‑expediteur als direct vertegenwoordiger op naam en voor rekening van belanghebbende, scheepsbouwer, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van in totaal 23 scheepscasco’s. De scheepscasco’s zijn afkomstig uit China. Op elk aangifteformulier is door de douane-expediteur postonderverdeling 8901 90 10 van de GN opgegeven. Als goederenomschrijving vermelden de aangiften “scheepscasco”.

De verdere vaststaande feiten in cassatie zijn grotendeels gelijk aan ECLI:NL:HR:2017:1172, eveneens opgenomen in de SpotOn.

In deze zaak betoogt belanghebbende dat het Hof de aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 van de GN onjuist heeft uitgelegd aangezien deze aantekening, in onderlinge samenhang bezien met de toelichting van de EC op deze aanvullende aantekening, zo moet worden uitgelegd dat voor het aanmerken als zeeschip doorslaggevend is of het scheepscasco zeewaardig is, dat wil zeggen geschikt is om de zee te bevaren en niet of het compleet afgebouwde schip zeegaand is. In dit verband betoogt het middel voorts dat het Hof bij zijn beoordeling enkel acht had mogen slaan op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de scheepscasco’s in de staat waarin zij ten tijde van de invoer verkeerden en niet mede op de objectieve eigenschappen en kenmerken van het schip dat op basis van het scheepscasco uiteindelijk door belanghebbende is opgeleverd.

De Inspecteur onderbouwt zijn standpunt door te wijzen op de bedrijfsadministratie van belanghebbende waarin met betrekking tot de scheepscasco’s (handels)bescheiden zijn aangetroffen. Het gaat om een voor elk scheepscasco afgegeven ‘Certificate of Conformity’ onderscheidenlijk ‘Certificate of Hull Construction’. In deze certificaten wordt verklaard dat de scheepscasco’s zijn gebouwd volgens scheepsbouwnormen voor de binnenscheepvaart. Voorts is in belanghebbendes administratie voor elk casco een bijbehorend contract van belanghebbende met een afnemer aangetroffen waarin opdracht wordt gegeven tot het bouwen en afleveren van een schip dat is bestemd voor gebruik op Europese binnenwaterwegen.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van Hof Amsterdam en verwijst met de volgende opdracht: “Om te kunnen oordelen dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op volle zee, moet vaststaan dat de scheepscasco’s ten tijde van de invoer niet beschikten over de objectieve kenmerken en eigenschappen om als romp te dienen van een schip dat bij zware weersomstandigheden lading over volle zee kan vervoeren. Opmerking verdient dat uit de certificaten op zichzelf niet volgt dat de scheepscasco’s niet als zeeschepen kunnen worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 20 10 onderscheidenlijk postonderverdeling 8901 90 10. De certificaten bevestigen weliswaar dat de casco’s geschikt zijn voor de binnenvaart, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom dat de conclusie rechtvaardigt dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van een zeeschip”.

Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1172

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1172