Van Douane

Ondanks jarenlang accepteren van andere goederencode blijft boeking achteraf in stand

Eiseres heeft als douane‑expediteur op eigen naam en voor eigen rekening aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van pinda bevattende producten. De inspecteur heeft aan eiseres twee UTB’s opgelegd voor douanerechten op landbouwproducten.

Eiseres bestrijdt de rechtmatigheid van deze boeking achteraf omdat de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW af had moeten zien van boeking achteraf. In dat kader stelt eiseres dat er sprake is van vergissingen van verweerder door het jarenlang accepteren van de goederencode waarbij regelmatig werd overgegaan tot fysieke controle zonder correctie.

De Rechtbank zet eerst de drie cumulatieve voorwaarden voor een beroep op artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW uiteen: “Om te beginnen moet de inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, vervolgens moet de vergissing van deze autoriteiten van dien aard zijn geweest dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan”.

Vervolgens oordeelt de Rechtbank dat het beroep (o.a.) niet slaagt op grond van het tweede criterium: “Als al sprake zou zijn van een vergissing dan had eiseres naar het oordeel van de Rechtbank de vergissing redelijkerwijze kunnen ontdekken. De Rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiseres is een wereldwijd opererende logistiek dienstverlener en douane-expediteur en is een zeer ervaren professionele marktdeelnemer. De aangiften die in geschil zijn, zijn gedaan in de periode maart 2008 tot en met juni 2009 en aldus na 12 februari 2008, de datum van publicatie van de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 10 januari 2008, zaaknummer 07/4170, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2198. Ten tijde van het doen van de aangiften had eiseres derhalve op de hoogte kunnen zijn van deze uitspraak. Gelet op de beroepservaring van haar opdrachtgever, (…) die gezien de onder 9 genoemde brief op de hoogte was van de discussie over de indeling van de pindacrackers en de veronderstelde deskundigheid bij de toepassing van de douanebepalingen bij eiseres, had zij bij een grotere mate van zorgvuldigheid bij de indeling van de pindacrackers kunnen constateren dat de pindacrackers niet onder de aangegeven GN-code konden worden ingedeeld. Dat eiseres de goederen bleef aangeven onder GS-post 2008, komt voor rekening en risico van eiseres. Eiseres had immers de pindacrackers kunnen aangeven onder GS-post 1905 en eventueel hiertegen bezwaar kunnen maken”.

Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7247

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:7247

A-G Hoge Raad: BOI is bindend tenzij nieuwe feiten blijken

Advocaat-Generaal mr. Ettema heeft conclusie genomen in de zaak van BV X die voor een importeur aangiften heeft gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van biodiesel uit Canada. Na onderzoek door OLAF legde de inspecteur twee UTB’s op voor meer dan 25 miljoen euro omdat vermoed werd dat de diesel als oorsprong de Verenigde Staten had.

BV X kwam tegen de UTB’s in beroep en stelde dat zij als indirect vertegenwoordiger was opgetreden van een groepsmaatschappij van de importeur, welke een BOI bezat afgegeven door de Britse douaneautoriteiten. Op deze BOI, waarin aan de biodieselmengsels de niet-preferentiële oorsprong Canada was toegekend, deed BV X een beroep.

Het Hof had BV X in het gelijk gesteld en oordeelde dat zij zich rechtsgeldig kon beroepen op de BOI. In cassatie stelt de staatsecretaris dat het Hof de antimisbruikbepaling van art. 25 CDW ten onrechte buiten toepassing heeft verklaard. Zij had namelijk moeten onderzoeken of BV X met het mengen van biodiesel in Canada slechts ontduiking heeft beoogd. Aldus zou dan in de visie van de staatsecretaris geen rechtsgeldig beroep op de BOI kunnen worden gedaan.

De A-G is het met de staatsecretaris eens dat het Hof dit punt had moeten uitzoeken en als het Hof ervan is uitgegaan dat art. 25 CDW nooit kon afdoen aan de verbindendheid van een BOI dan is dat in de visie van de A-G een onjuiste rechtsopvatting.

Hoge Raad, 3 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:728

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2017:728

Hoge Raad casseert oordeel Hof dat scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van zeeschepen

In 2009 heeft de douane‑expediteur als direct vertegenwoordiger op naam en voor rekening van belanghebbende, scheepsbouwer, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van in totaal 23 scheepscasco’s. De scheepscasco’s zijn afkomstig uit China. Op elk aangifteformulier is door de douane-expediteur postonderverdeling 8901 90 10 van de GN opgegeven. Als goederenomschrijving vermelden de aangiften “scheepscasco”.

De verdere vaststaande feiten in cassatie zijn grotendeels gelijk aan ECLI:NL:HR:2017:1172, eveneens opgenomen in de SpotOn.

In deze zaak betoogt belanghebbende dat het Hof de aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 van de GN onjuist heeft uitgelegd aangezien deze aantekening, in onderlinge samenhang bezien met de toelichting van de EC op deze aanvullende aantekening, zo moet worden uitgelegd dat voor het aanmerken als zeeschip doorslaggevend is of het scheepscasco zeewaardig is, dat wil zeggen geschikt is om de zee te bevaren en niet of het compleet afgebouwde schip zeegaand is. In dit verband betoogt het middel voorts dat het Hof bij zijn beoordeling enkel acht had mogen slaan op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de scheepscasco’s in de staat waarin zij ten tijde van de invoer verkeerden en niet mede op de objectieve eigenschappen en kenmerken van het schip dat op basis van het scheepscasco uiteindelijk door belanghebbende is opgeleverd.

De Inspecteur onderbouwt zijn standpunt door te wijzen op de bedrijfsadministratie van belanghebbende waarin met betrekking tot de scheepscasco’s (handels)bescheiden zijn aangetroffen. Het gaat om een voor elk scheepscasco afgegeven ‘Certificate of Conformity’ onderscheidenlijk ‘Certificate of Hull Construction’. In deze certificaten wordt verklaard dat de scheepscasco’s zijn gebouwd volgens scheepsbouwnormen voor de binnenscheepvaart. Voorts is in belanghebbendes administratie voor elk casco een bijbehorend contract van belanghebbende met een afnemer aangetroffen waarin opdracht wordt gegeven tot het bouwen en afleveren van een schip dat is bestemd voor gebruik op Europese binnenwaterwegen.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van Hof Amsterdam en verwijst met de volgende opdracht: “Om te kunnen oordelen dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op volle zee, moet vaststaan dat de scheepscasco’s ten tijde van de invoer niet beschikten over de objectieve kenmerken en eigenschappen om als romp te dienen van een schip dat bij zware weersomstandigheden lading over volle zee kan vervoeren. Opmerking verdient dat uit de certificaten op zichzelf niet volgt dat de scheepscasco’s niet als zeeschepen kunnen worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 20 10 onderscheidenlijk postonderverdeling 8901 90 10. De certificaten bevestigen weliswaar dat de casco’s geschikt zijn voor de binnenvaart, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom dat de conclusie rechtvaardigt dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van een zeeschip”.

Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1172

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1172

Ondanks jarenlang niet controleren van invoeraangiften en het verstrekken van telefonische inlichtingen blijven UTB’s in stand

In 2009 heeft de douane‑expediteur als direct vertegenwoordiger op naam en voor rekening van belanghebbende, scheepsbouwer, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van in totaal 27 scheepscasco’s. De scheepscasco’s zijn afkomstig uit China. Op elk aangifteformulier is door de douane-expediteur postonderverdeling 8901 90 10 van de GN opgegeven. Als goederenomschrijving vermelden de aangiften “scheepscasco”.

Als vaststaand feit in cassatie geldt dat in 2006 een douaneambtenaar telefonisch inlichtingen aan een medewerker van de douane-expediteur heeft verstrekt waaruit deze medewerker heeft opgemaakt dat voor de toepassing van het douanetarief casco’s van binnenvaartschepen als zeeschepen worden ingedeeld in de GN. Voorts staat vast dat de aangiften van scheepscasco’s die de douane-expediteur door de jaren heen voor diverse scheepsbouwers heeft gedaan, door de Nederlandse douane niet zijn gecontroleerd op de juistheid van de tariefindeling, met uitzondering van één aangifte, gedaan op 27 maart 2009. In het kader van die controle heeft een douaneambtenaar het desbetreffende scheepscasco onderzocht en daarna dat casco met toepassing van het nultarief voor zeeschepen voor het vrije verkeer vrijgegeven.

Belanghebbende heeft betoogd met een beroep op artikel 239 van het CDW dat er sprake is van een bijzondere situatie die een terugbetaling van de douanerechten reeds betaald op UTB, rechtvaardigt.

De Hoge Raad oordeelt dat hoewel belanghebbende met betrekking tot de scheepscasco’s pas achteraf is geconfronteerd met een heffing van douanerechten, dat verband houdt met het feit dat bij een controle na invoer is vastgesteld dat zij jarenlang op de desbetreffende invoeraangiften een onjuiste tariefpost heeft vermeld, welke tariefpost de douaneautoriteiten bij de vrijgave van de scheepscasco’s hebben overgenomen als grondslag voor de heffing, zonder de juistheid daarvan te verifiëren op de wijze die is voorzien in artikel 68 van het CDW. Het in een aangifte vermelden van een onjuiste tariefpost vormt in het algemeen een vergissing die voor rekening en risico van de aangever behoort te komen. Dit kan anders worden wanneer het vermelden van een onjuiste tariefpost het gevolg is geweest van aan de douaneautoriteiten toerekenbare fouten. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en daarmee blijven de UTB’s in stand.

Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1173

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1173

Twee betrokkenen bij accijnsfraude: één naheffingsaanslag blijft in stand

Uit strafrechtelijk onderzoek is een fraude naar voren gekomen met minerale oliën. Die fraude bestond uit het verzamelen van minerale oliën bij schippers, die deze oliën accijnsvrij onder zich hadden, en die oliën vervolgens te verkopen zonder dat ter zake van die minerale oliën accijns is betaald.

Voor de ontdoken accijns heeft de inspecteur naheffingsaanslagen accijns minerale oliën aan twee partijen opgelegd. Beide partijen stellen niet te kunnen worden aangemerkt als belastingplichtige voor de aan hen opgelegde naheffingsaanslag omdat zij niet betrokken zijn geweest bij het voorhanden hebben van minerale oliën in de zin van artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de accijns.

In de zaak met nummer 3928 komt de Rechtbank tot de slotsom dat de naheffingsaanslag wel terecht is opgelegd aan die betrokkene. De Rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en verklaringen volgt dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de activiteiten die door belanghebbende zijn verricht en het voorhanden hebben van de minerale oliën. Belanghebbende is behulpzaam geweest bij met name de financiële afwikkeling van de handel in het accijnsgoed en wordt daarom aangemerkt als betrokkene bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed.

In de zaak met nummer 3929 oordeelt de Rechtbank dat de belanghebbende ten onrechte is aangemerkt als belastingplichtige van de naheffingsaanslag. De Rechtbank oordeelt dat: “Belanghebbendes stelling dat het betrokken zijn enkel kan zien op het behulpzaam zijn bij het daadwerkelijke voorhanden hebben van het accijnsgoed, is derhalve naar het oordeel van de rechtbank een te beperkte uitleg. De rechtbank acht echter belanghebbendes handelen te beperkt en te ver verwijderd van het voorhanden hebben van accijnsgoederen, om te oordelen dat belanghebbende daarbij betrokken was in vorenstaande zin. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende verwijtbaar heeft gehandeld door ondernemingen in te schrijven in het Handelsregister, behulpzaam te zijn bij het openen van bankrekeningen en zich daar verder niet mee te bemoeien, maakt dit niet anders. Een dergelijke handelwijze – wat daar ook van zij – maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat sprake is van het betrokken zijn bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in vorenbedoelde zin”. Daarmee komt de Rechtbank tot het oordeel dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd aan die betrokkene.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3928 en 3929

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:3928

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:3929

Ondanks schending verdedigingsbeginsel UTB’s in stand

Na het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2016 in deze procedure (ECLI:NL:HR:2016:1898), heeft het verwijzingshof Amsterdam nu uitspraak gedaan. In geschil voor alle UTB’s was na verwijzing o.a. nog of de voorwaarden van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW zijn vervuld, zodat de inspecteur gehouden is om af te zien van navordering. Daarnaast houdt partijen verdeeld of het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de vaststelling van de UTB’s tot een andere afloop had kunnen leiden, indien de inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet zou hebben geschonden. Dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, staat na cassatie onherroepelijk vast.

Wat betreft het eerste geschilpunt oordeelt het Hof dat er geen sprake is van een vergissing van de inspecteur en vereist om af te zien van de navordering op de voet van art. 220, lid 2, letter b, van het CDW. De inspecteur kan onder de specifieke (casuïstische) omstandigheden van dit geval niet worden verweten dat hij heeft afgezien van het vragen van nadere inlichtingen over de aard van de goederen. Er was volgens het Hof na fysieke opname van de goederen geen grond om aan de juistheid van de aangegeven tariefpost te twijfelen.

Wat betreft de andere afloop-toets over het aanslagbiljet 1 schetst het Hof eerst het juridisch kader: voldoende is dat belanghebbende bewijst dat, wanneer de schending niet had plaatsgevonden, zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de op aanslagbiljet 1 vermelde UTB’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Het Hof dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.

Belanghebbende wijst om te voldoen aan deze bewijslast o.a. op de gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar voor één UTB en op het bestaan van grote verschillen in interpretatie tussen rechtbank en Hof van zowel het douanetarief als de toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW.

Het eerste argument slaagt niet omdat op het aanslagbiljet meerdere UTB’s staan vermeld en daarvan slechts één UTB is verminderd van 325 euro naar nihil. Vermindering van één van de UTB’s dient niet te leiden tot vernietiging van alle op datzelfde aanslagbiljet vermelde UTB’s.

Het tweede argument kan belanghebbende eveneens niet baten omdat zij naar het oordeel van het Hof niet gesteld heeft dat zij vóór uitreiking van de UTB een juridische stelling aan de inspecteur had willen voorhouden en wat die juridische stelling dan zou zijn geweest.

Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3031

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:3031

A-G HvJ EU: overlegging achteraf van een geldige factuur is toegestaan voor aanspraak op een individueel antidumpingrecht

Het verzoek om een prejudiciële beslissing in deze zaak is ingediend naar aanleiding van een geschil tussen een Duitse onderneming, Tigers GmbH (hierna: Tigers) en de Duitse douane. Tigers heeft in 2012 keramiek uit China ingevoerd.

In deze zaak staat de vraag centraal of indien een verordening tot vaststelling van definitieve antidumpingrechten de toepassing van individuele rechten afhankelijk stelt van de overlegging van een factuur die aan bepaalde vormvereisten moet voldoen, een importeur een dergelijke factuur na de indiening van de douaneaangifte kan overleggen, vooral in het kader van een controle achteraf van die aangifte.

De A-G concludeert dat voor de uitlegging van de onderhavige antidumpingverordening het verzoek van Tigers om terugbetaling van de te veel betaalde antidumpingrechten moet worden beschouwd als een controle van de aangifte achteraf, zoals bedoeld in art. 78 CDW. De douaneautoriteiten nemen dan de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, indien aan alle andere voorwaarden voor de verkrijging van een individueel antidumpingrecht is voldaan, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, rekening houdend met de overlegging van die factuur.

Conclusie A-G HvJ, 15 juni 2017, C-156/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130d5bf638e41679e42f4af1ce44e8b92dc7c.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4PaxyRe0?text=&docid=191817&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=550197

Hoge Raad: Geen afzonderlijke procedure voor terugbetaling of kwijtschelding douaneschuld

Belanghebbende is douane-expediteur. Belanghebbende heeft in 2004 en 2005 aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van knoflook. De goederen zijn als ‘gedroogde groente’ aangegeven onder GN-post 0712 90 90. Als land van oorsprong is China aangegeven. Nadat de inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat de goederen onder postonderverdeling 0703 20 00 van de GN (‘verse knoflook’) moeten worden ingedeeld, heeft hij drie UTB’s voor een totaal bedrag van € 1.304.910,43 aan belanghebbende uitgereikt.

 Belanghebbende heeft zowel bij de rechtbank als het Hof betoogd dat hij in aanmerking komt voor teruggaaf of kwijtschelding van het voornoemde bedrag op grond van art. 239 CDW. Voor toepassing van dit artikel moet aan twee cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Er moet sprake zijn van een bijzondere situatie, die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende inhouden. De rechtbank en het Hof zijn van oordeel dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.

 In het kader van deze beoordeling heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbende met het noemen van een aantal omstandigheden refereert aan art. 220 lid 2 onder b CDW. Uit deze bepaling volgt dat de douaneautoriteiten zijn gehouden af te zien van navordering van douanerechten als sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten en aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Het Hof heeft geoordeeld dat een vergissing als bedoeld in deze bepaling op zichzelf geen bijzondere situatie kan vormen voor de toepassing van art. 239 CDW aangezien deze bepaling ziet op terugbetaling of kwijtschelding in andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) art. 236  CDW. De vergissing waaraan belanghebbende refereert, kan volgens het Hof enkel aan de orde komen in een procedure over de toepassing van art. 236 van het CDW en niet in een procedure, zoals hier, over de toepassing van art. 239 van het CDW. Voorts overweegt het Hof nog dat art. 239 CDW ziet op andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) art. 237 CDW, zodat een weigering van de inspecteur om aangiften buiten werking te stellen, geen bijzondere situatie in de zin van art. 239 van het CDW kan vormen.

Tegen het oordeel in de voorgaande alinea richt het middel van belanghebbende zich. De Hoge Raad oordeelt dat uit de voornoemde bepalingen van het CDW niet kan worden afgeleid dat voor toepassing van elk van de hiervoor vermelde bepalingen een afzonderlijke procedure moet worden gevoerd, in die zin dat een belanghebbende voor toepassing van een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW een afzonderlijk verzoek om terugbetaling of kwijtschelding moet doen waarop door de inspecteur (afzonderlijk) wordt beslist.

 De Hoge Raad oordeelt voorts dat indien in een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW wordt genoemd terwijl de daartoe aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met het in de desbetreffende bepaling bedoelde geval maar wel met dat bedoeld in een van de andere bepalingen, ontslaat dat de douaneautoriteiten en de rechter niet van de verplichting te onderzoeken of de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling. De Hoge Raad verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van het HvJ EU.

 Gelet hierop kan de bestreden uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

 Hoge Raad, 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1343

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1343

Nederlandse douane onderschept 1 miljoen namaak semiconductors met hulp van OLAF

Een grote Joint Customs Operation, onder de naam ‘Operation Wafers’, heeft geresulteerd in de inbeslagname van circa 1 miljoen semiconductors. De inbeslagname kon tot stand komen door een samenwerking tussen OLAF, Interpol en 12 lidstaten. Hierbij was de Nederlandse douane verantwoordelijk voor de voorbereiding en coördinatie van deze operatie. OLAF gaf financiële, technische en logistieke ondersteuning aan de betrokken partijen. OLAF gaf in het persbericht verder nog aan dat de handel in namaakproducten resulteert in het mislopen van belastingopbrengsten voor de lidstaten van de Europese Unie.

 OLAF Press Release, 3 juli 2017

https://ec.europa.eu/anti-fraud/media-corner/news/03-07-2017/olaf-helps-partners-seize-over-one-million-counterfeit-semiconductors_en

Blog: Rechtsbescherming bij onderzoek door OLAF

OLAF is het Europese anti fraude onderzoeksbureau. Jaarlijks ontdekt en rapporteert OLAF over  fraudes van honderden miljoenen euro’s en doet zij aanbevelingen om die fraudebedragen terug te vorderen en/of strafrechtelijk onderzoek in te stellen. In administratieve procedures tot navordering van douanerechten en/of antidumpingrechten doet de inspecteur een beroep op de bevindingen en conclusies van OLAF en brengt hij al dan niet delen van OLAF-rapporten in het geding. Hoe kunnen belanghebbenden zich tegen (bewijs door) OLAF-onderzoeken verweren?

Benadeelden kunnen bij OLAF zelf rechtstreeks een klacht indienen. In het jaarrapport van OLAF over 2016 wordt gesteld dat OLAF zeer weinig klachten krijgt. Soms stelt de Europese Ombudsman onderzoek in.

Arrest Oikonomopoulos v. Europese Commissie

Klachten tegen OLAF kunnen ook leiden tot verzoeken tot schadevergoeding aan de gerechten van de EU. Pagina 43 van The OLAF report 2016 verwijst naar een arrest van het Gerecht in eerste aanleg van 20 juli 2016 in zaak T-483/13 van A. Oikonomopoulos (hierna: verzoeker) tegen de EC op zijn vordering tot schadevergoeding na een OLAF onderzoek tegen zijn Griekse onderneming die Europese subsidies had ontvangen. Dit arrest bevat interessante overwegingen over de rechtsbescherming tegen onderzoeken van OLAF.

Rechtsbescherming moet in beginsel van de nationale rechter komen

Het Gerecht stelt voorop de nationale autoriteiten alleen en volledig verantwoordelijk zijn voor het gevolg dat zij geven aan de hun door OLAF verstrekte informatie en dus zelf moeten nagaan of deze informatie een administratieve en/of strafrechtelijke vervolging rechtvaardigt. Derhalve moet de rechterlijke bescherming tegen dergelijke vervolging op nationaal niveau worden verzekerd met alle waarborgen van het interne recht, waaronder die voortvloeien uit de grondrechten, en met de mogelijkheid voor de aangezochte rechterlijke instantie om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing (beschikking van 19 april 2005, Tillack/Commissie, C-521/04).

Verzoek tot schadevergoeding aan de Europese gerechten

Los van nationale procedures kan de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding indienen bij de Unierechter “voor alle uit het onrechtmatige gedrag van OLAF voortvloeiende schade” (arrest van 20 mei 2010 Commissie/Violetti, T-261/09).

Het Gerecht is echter niet bevoegd om te beslissen dat de op verzoeker betrekking hebbende  informatie en gegevens en alle relevante bewijzen, die door OLAF aan de nationale autoriteiten zijn overgelegd, niet bruikbaar zouden zijn voor de nationale rechterlijke instanties.

Bevoegdheden van OLAF

Met name in de artikelen 1 t/m 9 van verordening nr. 1073/1999 staan de bevoegdheden van OLAF beschreven. Onder het begrip “administratief onderzoek” waartoe OLAF bevoegd is, wordt verstaan alle controles, verificaties en acties die OLAF bij de uitoefening van haar taken onderneemt en de   vaststelling van het onregelmatig karakter van de gecontroleerde werkzaamheden. Deze onderzoeken laten de bevoegdheid van de lidstaten inzake strafvervolging onverlet.

Art. 6 lid 4 bepaalt dat OLAF zich bij de controles en verificaties ter plaatse gedraagt op een wijze die in overeenstemming is met de regels en gebruiken die gelden voor de ambtenaren in de betrokken lidstaat.

Art. 9 regelt het verslag (met name van de geconstateerde feiten, in voorkomend geval het financiële nadeel en de conclusies van het onderzoek met de aanbevelingen voor het aan het onderzoek te geven gevolg) en het vervolg van de onderzoeken van OLAF (het toezenden van het verslag aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten).

Lid 2 van art. 9 bepaalt het volgende:

“Deze verslagen worden opgesteld met inachtneming van de procedurevoorschriften van de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat. De verslagen vormen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen toelaatbare bewijsmiddelen in de administratieve of gerechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. De verslagen worden beoordeeld volgens dezelfde regels als de administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs en hebben dezelfde waarde.”  

Ofschoon een uitdrukkelijke bepaling hierover ontbreekt, impliceert de bevoegdheid om controles en verificaties ter plaatse te voeren naar het oordeel van het Gerecht ook de bevoegdheid van OLAF om mondelinge gesprekken te voeren met de personen op wie die controles en verificaties betrekking hebben.

Bovendien, aldus het Gerecht, zijn de door OLAF gevoerde gesprekken niet dwingend, daar de betrokken personen het recht hebben, te weigeren aan dergelijke gesprekken deel te nemen of op bepaalde vragen te antwoorden.

Waar het Gerecht dit op baseert is niet duidelijk. Het nemo-teneturbeginsel geldt niet in administratieve onderzoeken en hoewel gericht op bestrijding van fraude, zijn de onderzoeken van OLAF geen strafrechtelijke onderzoeken.

Heeft OLAF verdedigingsrechten geschonden?

Het verdedigingsbeginsel als grondbeginsel van het Unierecht houdt volgens het Gerecht  in dat eenieder jegens wie een bezwarende handeling kan worden verricht, in staat moet worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de jegens hem aangenomen elementen waarop de Commissie haar besluit wil baseren.

Het Gerecht wijst de grief dat verzoeker niet voldoende duidelijk op de hoogte was gebracht van de feiten die hem verweten werden op meerdere gronden af. Zo staat volgens het Gerecht allereerst vast “dat geen enkele regeling de verplichting bevat om informatie te verstrekken aan de personen op wie externe onderzoeken van OLAF betrekking hebben.” Volgens het Gerecht is het verdedigingsrecht bij externe onderzoeken “voldoende gewaarborgd indien de betrokkene snel worden ingelicht over de mogelijkheid dat hij persoonlijk betrokken is bij fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten die de belangen van de Unie kunnen schaden, wanneer dit het onderzoek niet dreigt te schaden.”

In de omstandigheden van het geval (mededeling per brief dat een onderzoek tegen hem was ingesteld en ter zake waarvan met uitnodiging voor een verhoor, het wijzen op het recht op rechtsbijstand e.d.) had OLAF het verdedigingsrecht voldoende geëffectueerd.

Ook de grief dat hij geen toegang heeft gekregen tot het dossier van OLAF en evenmin van het eindverslag zelf wijst het Gerecht af. OLAF is niet verplicht een persoon op wie een extern onderzoek betrekking heeft toegang te geven tot de documenten die voorwerp zijn van dat onderzoek, die het zelf bij die gelegenheid heeft opgesteld of tot het eindverslag, aangezien dit de doeltreffendheid en de vertrouwelijkheid van de aan OLAF opgedragen taak en de onafhankelijkheid van OLAF kan aantasten. De verdedigingsrechten van verzoeker zijn voldoende gewaarborgd door de informatie die deze heeft gekregen en door het feit dat hij is gehoord.

Voor zover de adressaten van het eindverslag (de Commissie en de Griekse gerechtelijke autoriteiten) voornemens zouden zijn op basis daarvan een bezwarende handeling vast te stellen, “zouden deze andere autoriteiten, en niet OLAF, verzoeker in voorkomend geval overeenkomstig hun eigen procesvoorschriften inzage moeten geven in dat verslag.”

Gelet op het een en ander is de vordering tot schadevergoeding ongegrond verklaard.

Beperkte uitleg verdedigingsrechten?

Het Gerecht lijkt met deze uitspraak een meer beperkte uitleg te geven aan het verdedigingsrecht dan het HvJ EUen de Hoge Raad.

Volgens het Gerecht voltstaat een mededeling aan de betrokkene dat en ter zake waarvan er een onderzoek is ingesteld. Hij heeft geen recht op de stukken van het dossier van OLAF.

Hoe oordelen rechters hierover in concrete navorderingszaken?

In zijn arrest van 16 maart 2017 in zaak C-47/16 ECLI:EU:C:2017:220 oordeelt het HvJ EU op een prejudiciële vraag van de Letse bestuursrechter dat een OLAF-verslag, wanneer dat slechts een algemene beschrijving van de betrokken situatie bevat, op zichzelf niet kan volstaan om in een zaak als het onderhavige aan te tonen of in alle opzichten aan de (drie) voorwaarden voor het afzien van navordering (gewettigd vertrouwen bij de importeur) is voldaan, met name wat betreft de relevante gedraging van de exporteur. Dan staat het in beginsel aan de douane van de staat van invoer om aanvullend te bewijzen dat de afgifte van een onjuist certificaat van oorsprong door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, is te wijten aan de onjuiste voorstelling van de feiten door de exporteur. Algemene conclusies in OLAF-rapporten kunnen dus onvoldoende bewijskracht bevatten.

In zijn arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:384 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:384) oordeelt de Hoge Raad op de stelling in het middel dat de inspecteur in casu ook het (eerdere) concept OLAF-rapport met onderliggende bijlagen had moeten verstrekken, dat het verdedigingsbeginsel niet eist dat de douane betrokkene inlicht over documenten en informatie waarover het (nog) niet beschikt. Het verdedigingsrecht houdt niet in dat de douane zich (desgevraagd) inspant om de betrokkene behulpzaam te zijn bij het vergaren van andere documenten en andere informatie die het bestuursorgaan niet ter beschikking staan. Waar het EU Gerecht derhalve stelt dat de nationale organen moeten zorgen voor de verstrekking van de OLAF-stukken, laat de Hoge Raad het bij de eis dat de inspecteur (slechts) verstrekt wat hij van OLAF ontvangt.

Ook Hof Amsterdam beslist in zijn uitspraak van 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:5574) dat het niet noodzakelijk is dat alle bestanden en bescheiden die OLAF tijdens haar onderzoek in derde landen heeft geraadpleegd, in het geding worden gebracht om OLAF-rapporten als bewijsstuk te kunnen aanvaarden. Nu belanghebbende niet heeft onderbouwd waarom de bevindingen in de OLAF-rapporten in twijfel moeten worden getrokken, voldoet de inspecteur met het overleggen van de stukken van OLAF [de eindrapporten, JP] aan de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat de ingevoerde goederen niet van de aangegeven maar van Chinese oorsprong zijn.

Dat de Nederlandse rechter wel kan ingrijpen blijkt uit het arrest van het Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2015:2160 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:2160). Het Hof oordeelt dat ook bij het opleggen van de tweede UTB het verdedigingsbeginsel wezenlijk en onherstelbaar is geschonden. De inspecteur had bij de tweede UTB voor dezelfde aangiften schijnbaar hetzelfde OLAF-rapport overgelegd met dezelfde datum en hetzelfde OLAF-nummer. Maar de tekst van voetnoot 13 was gewijzigd. De passage waaruit bleek dat de afgifte van onjuiste oorsprongcertificaten mogelijk verband hield met corruptie van de Cambodjaanse autoriteiten was in het door de inspecteur overgelegde tweede OLAF-rapport verdwenen. Nu gesteld noch gebleken is dat het verschil zijn oorzaak vindt in een nader onderzoek naar mogelijke corruptie bij de afgifte van de in het geding zijnde certificaten, resteert – aldus het Hof – het vermoeden van manipulatie van het OLAF-rapport met als gevolg dat de UTB wegens schending van het verdedigingsbeginsel wordt vernietigd.

Tenslotte kan hier ook nog worden gewezen op Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2015:3344 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:3344), waarin een UTB werd vernietigd nadat zowel OLAF- als FIOD rapporten op materieel steekhoudende gronden waren aangevochten.

Ofschoon het Gerecht in de zaak Oikonomopoulos alle klachten over OLAF verwerpt blijkt dat zowel nationale als Europese rechters kritisch over OLAF onderzoeken kunnen oordelen wanneer er ook materiële redenen voor twijfel zijn.