Categorie: Douane

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over wijziging douanewaarde bij boeking achteraf

Belanghebbende is douane-expediteur en heeft in opdracht van een importeur mediaspelers ingevoerd en op eigen naam en voor eigen rekening aangifte voor douanerechten nul percent gedaan. Na controle is de inspecteur van mening dat de mediaspelers onder een verkeerde post zijn ingedeeld en hij reikt een UTB uit, waarbij de douanewaarde is gebaseerd op de door belanghebbende bij invoer aangegeven prijzen. Echter, omdat belanghebbende van mening was dat er nul percent douanerechten van toepassing waren, had belanghebbende bij invoer een hogere douanewaarde gebaseerd op verkoopwaarde aangegeven. Belanghebbende verzoekt de inspecteur vervolgens om een verlaging van de douanewaarde (o.b.v. art. 78 CDW) door bij de berekening uit te gaan van de lagere prijs die de in Azië gevestigde producent van de mediaspelers aan de ondernemingen namens wie men invoert in rekening heeft gebracht. Ook is in geschil of de verjaringstermijn is overschreden.

De Hoge Raad komt eerst aan de vraag toe of de aangifte kan worden herzien o.b.v. art. 78 CDW. Hierbij overweegt de Hoge Raad dat die argumenten voor het kunnen herzien zwaarder moeten wegen, maar gezien de aanwezige twijfel besluit de Hoge Raad o.a. de volgende prejudiciële vraag te stellen

  1. Moet artikel 78 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat een aangever in het kader van een55 boeking achteraf alsnog onder verwijzing naar artikel 147, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie tot vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 kan kiezen voor een andere, lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van de douaneschuld?

Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:522

Hoge Raad laat uitspraak van het Hof in stand: inspecteur voldoet aan bewijslast niet-preferentiële oorsprong

Belanghebbende voerde silicium in uit Taiwan onder aldaar verkregen oorsprongcertificaten. De inspecteur betwiste de oorsprong en stelde dat er sprake was van niet-preferentiële Chinese oorsprong, en het silicium via Taiwan ongewijzigd is doorgevoerd naar Europa. Op de invoer van silicium uit China gold een antidumpingrecht en de inspecteur ging over tot naheffing.

In geschil is de oorsprong van het silicium. Het Hof oordeelde dat het niet aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat het product in Taiwan voldoende is bewerkt om Taiwanese oorsprong te verkrijgen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het silicium van niet-preferentiële Chinese oorsprong is, en aldus rustte volgens het Hof op de inspecteur de bewijslast om aannemelijk te maken dat de goederen ongewijzigd zijn doorgevoerd dan wel onvoldoende zijn bewerkt om Taiwanese oorsprong te verkrijgen.

De Taiwanese verkoper had inmiddels haar activiteiten beëindigd waardoor onderzoek in de administratie door OLAF niet meer mogelijk was. Deze omstandigheid kwam voor rekening en risico van de inspecteur. De inspecteur slaagde er volgens het Hof desondanks in voor de meerderheid van de zendingen aan te tonen dat het silicium ongewijzigd is doorgevoerd naar Europa. Het gewicht van een deel van de zendingen van China naar Taiwan en van Taiwan naar Europa kwam dusdanig overeen dat het voor het Hof voldoende aannemelijk was dat deze ongewijzigd zijn doorgevoerd. Daarover had belanghebbende zich beklaagd in cassatie maar de Hoge Raad heeft dit oordeel van het Hof zonder nadere motivering bevestigd (art. 81 lid 1 RO).

Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:HR:2018:580

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:580

Belastingkamer oordeelt dat belanghebbende had moeten weten van oorsprongsfraude binnen de groep, ondanks strafrechtelijk sepot

De inspecteur heeft aan belanghebbende UTB’s uitgereikt nadat uit onderzoek van de OLAF zou zijn gebleken dat textielgoederen met preferentiële oorsprong Jamaica waren ingevoerd onder ten onrechte afgegeven EUR.1-certificaten. Op basis van het OLAF-rapport en een akkoordverklaring namens de regering van Jamaica stelt het Hof vast dat de goederen niet van preferentiële oorsprong zijn en buigt het zich over de vraag of belanghebbende terecht als schuldenaar is aangemerkt. De inspecteur heeft belanghebbende als schuldenaar aangemerkt omdat de douaneaangiften zijn opgesteld op basis van gegevens verstrekt door belanghebbende, terwijl zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze onjuist waren. 

Belanghebbende betwist de verstrekker te zijn geweest van de EUR.1-certificaten, omdat belanghebbende deze nooit fysiek in bezit heeft gehad, maar de certificaten rechtstreeks door de Jamaicaanse exporteurs aan de aangever werden gezonden. Het Hof verwerpt die zienswijze. Dan staat vast dat belanghebbende de gegevens heeft verstrekt. De bewijslast om aan te tonen dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de certificaten ten onrechte waren afgegeven rust bij de inspecteur. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijze had moeten weten dat de certificaten ten onrechte waren afgegeven ondanks dat belanghebbende als verdachte is aangemerkt en deze strafzaak later is geseponeerd. Het feit dat de oorsprongsfraude zich heeft afgespeeld binnen de groep acht het Hof daartoe van belang. Nu de algemeen directeur van belanghebbende tevens posities en taken binnen dit conglomeraat vervulde, had zij gezien haar positie binnen de groep redelijkerwijze moeten weten van de fraude. Daarom blijven de UTB’s in stand.

Hof Amsterdam 13 maart 2018, ECLI:GHAMS:2018:857

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:857

Onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte feitelijk leiding gaf aan accijnsfraude

Verdachte heeft tegen betaling in opdracht valselijk administratieve geleidedocumenten (AGD’s) opgemaakt welke gebruikt werden in een accijnsfraude. Het Hof acht bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opstellen van de AGD’s en dat de betrokken rechtspersoon onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad. Het Hof dient vast te stellen of de rol van verdachte zodanig was, dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen, dan wel deze goederen zelf voorhanden heeft gehad.

Hoewel de verdachte wetenschap droeg van het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door de rechtspersoon is zijn rol beperkt gebleven tot het afgeven van vrachtbrieven aan een chauffeur in de nabijheid van een lege vrachtwagen. Dit kan naar het oordeel van het Hof niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Bovendien was hij geen bestuurder van de rechtspersoon en is niet gebleken dat hij anderszins een bijdrage heeft geleverd. Bewijs dat de verdachte de goederen zelf voorhanden heeft gehad, en kan op basis van zijn geringe betrokkenheid niet worden vastgesteld dat hij feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde goederen heeft gehad. Het Hof acht aldus betrokkenheid bij het opstellen van valse AGD’s en het afgeven van deze valse papieren niet genoeg bewijs om vast te stellen dat men feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen, of dat men deze zelf voorhanden heeft gehad. Wel volgt een veroordeling voor het subsidiaire feit valsheid in geschrift, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een geldboete van vijfduizend euro.

Hof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:GHSHE:2018:1054

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1054

Hof ziet geen reden om geen bewijskracht toe te kennen aan niet-verifieerbare onderzoeksresultaten

Belanghebbende en inspecteur waren het oneens over de oorsprong van knoflook ingevoerd door belanghebbende, waarbij de inspecteur stelde dat deze niet uit Pakistan maar uit China kwam. Hij baseerde zich hierbij op onderzoek verricht door een Amerikaans overheidslaboratorium dat had vastgesteld dat de knoflook vanwege metaalsporen voor waarschijnlijk meer dan 99% overeenkwam met uit China afkomstige knoflook. De resultaten van dit onderzoek waren echter niet-verifieerbaar en de vraag is aldus of de onderzoeksresultaten voldoende zijn om de inspecteur te doen slagen in de op hem rustende bewijslast.

Het Hof doet in deze verwijszaak uitspraak nadat al eerder door de Hoge Raad prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJ EU over de inbreng als bewijs van onderzoeksuitkomsten die niet inzichtelijk of achteraf controleerbaar zijn door belanghebbende. Het HvJ EU (C-437/13, Unitrading) kwam tot de conclusie dat art. 47 EU-handvest in principe zich niet verzet tegen niet-verifieerbare onderzoeksresultaten als bewijsmateriaal, mits het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel werd geëerbiedigd.

Nadat het vaststond dat voormelde beginselen niet waren geschonden en de onderzoeksresultaten in principe als bewijs mogen dienen, benoemde het Hof een deskundige en kwam het op grond van diens bevindingen tot de conclusie dat er geen aanleiding was om geen bewijskracht toe te kennen aan de onderzoeksbevindingen van het Amerikaanse laboratorium, ook al zijn die zelf niet inzichtelijk of controleerbaar gemaakt. Belanghebbende is in de gelegenheid geweest om tegenonderzoek te doen uitvoeren op nog beschikbare monsters maar heeft ervoor gekozen dit niet te doen op grond van omstandigheden die voor haar rekening komen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende voorts voldoende gelegenheid heeft gehad om effectief commentaar te leveren op de bevindingen van het onderzoek.

Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:421

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:421

Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende heeft geen aankondiging van een naheffingsaanslag bpm ontvangen van de inspecteur en is aldus niet in de gelegenheid gesteld om vooraf haar opmerkingen kenbaar te maken. Het standpunt van belanghebbende dat de naheffingsaanslag daarom nietig is, vat de Rechtbank op als een beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. De BPM als zodanig is geen regeling die uitvoering geeft aan het Unierecht, maar omdat er sprake is van de import van een auto uit een andere EU-lidstaat valt deze naar het oordeel van de Rechtbank onder het toepassingsbereik van art. 110 VWEU en is een beroep op het verdedigingsbeginsel mogelijk.

Het verdedigingsbeginsel brengt met zich mee dat de inspecteur verplicht is belanghebbende in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat de naheffingsaanslag wordt opgelegd. Deze mogelijkheid is niet geboden, maar de inspecteur stelt dat dit niet nodig was nu belanghebbende zelf heeft verzocht om oplegging van de naheffingsaanslag. De inspecteur beroept zich er in wezen op dat belanghebbende met haarverzoek afstand heeft gedaan van haar verdedigingsrecht. De Rechtbank gaat hier niet in mee, omdat er geen blijk is gegeven van een duidelijke en ondubbelzinnige afstandsverklaring. Het aanslagverzoek alleen kan niet worden opgevat als een dergelijke verklaring.

Nu er sprake is van een schending van het verdedigingsbeginsel, kan deze schending vernietiging van de naheffingsaanslag tot gevolg hebben indien het besluitvormingsproces van de inspecteur m.b.t. de naheffingsaanslag zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De Rechtbank stelt dat (mede) gelet op de verlaging van de naheffingsaanslag door de inspecteur in de beroepsfase de besluitvorming een andere afloop zou hebben kunnen gehad en vernietigt de gehele naheffingsaanslag.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 februari 2018, ECLI:NL: RBZWB:2018:429

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:429

UTB’s niet vernietigd ondanks schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging

Eiseres heeft met toepassing van een preferentiële tariefmaatregel aluminiumwielen uit Maleisië ingevoerd, waarbij na een onderzoek van de OLAF bleek dat deze goederen van Chinese niet-preferentiële oorsprong waren. De Douane heeft bij het kenbaar maken van het voornemen om UTB’s op te leggen het rapport niet verstrekt waarop men zich baseerde en tevens niet alle annexen in alle zaken verstrekt.

In geschil is of het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden en zo ja, of dit dient te leiden tot vernietiging van de UTB’s. De Rechtbank is van oordeel dat door het niet verstrekken van het rapport en alle annexen in alle zaken verweerder eiseres de mogelijkheid heeft ontnomen haar standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de bedragen van de navorderingen zijn gebaseerd. Hierdoor is er sprake van een schending van de rechten van de verdediging, welke leidt tot nietigverklaring van het besluit wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Of er sprake zou kunnen zijn geweest van een andere afloop indien de schending niet had plaatsgevonden dient de rechter te beoordelen aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. Waarbij het voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de UTB is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. In deze zaak heeft eiseres gesteld dat de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad, maar heeft zij dit volgens de Rechtbank niet nader geconcretiseerd. De enkele stelling dat zij navraag had kunnen doen bij de leveranciers en onvolkomenheden in het Mission Report van OLAF boven water had kunnen krijgen, zonder nadere onderbouwing, is daarvoor onvoldoende.

Rechtbank Noord-Holland 12 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1500

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:1500

Wetenschap van of beschikkingsmacht over specifieke partij onveraccijnsde accijnsgoederen niet bewezen in strafzaak

Na de vondst van een lading van ruim 4 miljoen onveraccijnsde sigaretten, werd in een strafrechtelijke procedure aan verdachte (onder meer) ten laste gelegd dat verdachte opzettelijk accijnsgoederen voorhanden heeft gehad zonder dat hierover accijns was geheven. Eveneens werd hem verweten deelgenomen te hebben aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet in de heffing zijn betrokken.

Rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte in eerste aanleg o.a. voor het medeplegen van een opzettelijke overtreding van de Wet op de accijns in het kader van deze partij onveraccijnsde accijnsgoederen veroordeeld (feit 1). De Rechtbank heeft aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden opgelegd.

In hoger beroep komt het Hof Arnhem-Leeuwarden tot de conclusie dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden vastgesteld of verdachte deze partij onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, omdat niet kan worden aangetoond dat verdachte wetenschap had van of beschikkingsmacht over, deze partij onveraccijnsde goederen. Wel veroordeelt het Hof verdachte voor deelname aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven en legt een aanzienlijke lagere straf op zijnde 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Hof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1580

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1580

Douane controleert vanaf 3 april 2018 actief of toegelaten douanevertegenwoordiger is geregistreerd

Registratie als toegelaten douanevertegenwoordiger is verplicht indien men als direct of indirect vertegenwoordiger douaneaangifte doet. Dit is vanaf maart 2017 via verschillende kanalen door de Douane gecommuniceerd. Vanaf 3 april 2018 zal de Douane naar eigen zeggen actief in AGS controleren of er een registratie toegelaten douanevertegenwoordiger aanwezig is bij het doen van aangifte.

De aangifte wordt niet aanvaard indien blijkt dat men niet is geregistreerd als toegelaten douanevertegenwoordiger. Om registratie kan worden verzocht middels het formulier ‘Aanvraag Toelating douanevertegenwoordiger’, waarbij men aan de AEO-C-criteria moet voldoen. Wel is haast geboden met de aanvraag: de Douane geeft alvast aan dat zij registratie vóór 3 april 2018 niet meer kan garanderen.

Belastingdienst actueel, Nieuws Douane, 26-02-2018

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/berichten/nieuws/douane/alleen-geregistreerde-douanevertegenwoordigers-mogen-aangifte-doen

Blog: Is de accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen een risicoaansprakelijkheid?

Er verschijnt regelmatig jurisprudentie over de vraag wie in welke gevallen aansprakelijk is voor de accijnsschuld wanneer goederen ten onrechte niet in de accijnsheffing zijn betrokken.

Unierecht en nationaal recht

Na de nieuwe Accijnsrichtlijn 2008 (van 16 december 2008, 2008/118/EG) heeft de Nederlandse wetgever de Wet op de Accijns (hierna: WA) dienovereenkomstig aangepast.

In artikel 2, lid 1, onderdeel b WA is sindsdien bepaald dat onder uitslag tot verbruik wordt verstaan “het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.”

Artikel 51, lid 1, onderdeel b WA bepaalt sindsdien dat bij toepassing van het hiervoor genoemde artikel, de accijns wordt geheven van “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.”

In de Memorie van Toelichting (MvT) is gesteld dat de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor accijnsaansprakelijkheid ex art. 2f (oud) WA niet meer van belang zijn voor de accijnsaansprakelijkheid op grond van het nieuwe artikel 2, lid 1, onderdeel b WA. Dit betekent dat de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zoals de Hoge Raad die als voorwaarden voor accijnsaansprakelijkheid had gesteld niet meer van toepassing zijn. Dus ook een (rechts)persoon die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, kan als belastingplichtige door de douane worden aangesproken, aldus nog steeds de wetgever in de MvT.

Volgens de wetgever kan de accijns nu ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter de fraude (TK, 2008-2009, nr. 32 031, nr. 3, p. 8 en 23).

De nationale jurisprudentie

In de jurisprudentie van de feitelijke instanties (rechtbank en gerechtshof) van de laatste tijd lijken de rechters deze lijn van de wetgever inmiddels te hebben overgenomen. Echter de Hoge Raad heeft zich tot nu toe hierover in geen enkele zaak uitgelaten. In de wil van de nationale wetgever lijkt hier  van een risicoaansprakelijkheid sprake te zijn. Echter het is primair aan de Europese rechter om uitleg te geven aan de EU Accijnsrichtlijn.

In de praktijk is het wel zo dat de rechters in veel gevallen de vraag of hier sprake is van een risicoaansprakelijkheid niet hoeven te beantwoorden. Immers op basis van de feiten en omstandigheden van het geval kan de rechter in verreweg de meeste gevallen toch wel concluderen dat sprake is van feitelijke beschikkingsmacht en/of wetenschap, conform de (oude?) jurisprudentiële vereisten van de Hoge Raad.

Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 17 maart 2017 (ECLI:NL:GHDA:2017:1390):

“5.3. Het Hof hecht eraan op te merken dat de stelling van belanghebbende dat hij niet heeft geweten dat het om een lading onveraccijnsde sigaretten ging, geen doel treft, reeds omdat de Inspecteur foto’s in het geding heeft gebracht omlijst met een – niet afdoende weersproken – verklaring dat de foto’s een exacte weergave zijn van de aangetroffen situatie in de loods, waaruit de conclusie is te trekken dat het ongeloofwaardig is, althans in elk geval niet aannemelijk, dat personen onder wie belanghebbende, die, naar vaststaat, essentiële handelingen met de sigaretten hebben verricht, niet hebben gezien, gemerkt of geweten dat het onveraccijnsde sigaretten zijn.”

En:

“5.4. De stelling van belanghebbende dat hij slechts op geringe wijze betrokken is geweest bij de overslag van de sigaretten, welke stelling door de inspecteur overtuigend is bestreden en overigens niet strookt met de werkelijkheid, faalt naar ’s Hofs oordeel evenzeer, al was het maar omdat ook die stelling bevestigt dat belanghebbende betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de sigaretten.”

Hoewel feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap in deze zaak dus feitelijk door het Hof zijn vastgesteld, merkt het Hof ‘en passant’ op dat ook slechts een geringe betrokkenheid voldoende is voor accijnsaansprakelijkheid. Maar daarmee is de vraag wat moet worden verstaan onder “voorhanden hebben” en “betrokkenheid” echter nog steeds niet beantwoord.

In de zaak van de uitspraak van Rechtbank Den Haag 31 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12055) heeft belanghebbende tijdens de accijnscontrole niets over de aanwezigheid van niet veraccijnsde gasolie (diesel) in een schip willen verklaren maar heeft zij volgens de rechtbank wel zonder protest een fiscale strafbeschikking aanvaard en betaald. De inspecteur heeft aan de desbetreffende N.V. als “enig andere persoon die bij het voorhanden hebben” van de gasolie “is betrokken” (als bedoeld in art. 51 WA) de naheffingsaanslag accijns opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur door op bovengenoemde omstandigheden te wijzen aannemelijk gemaakt dat eiseres moet worden aangemerkt als “enig andere persoon” die bij het voorhanden hebben van de desbetreffende gasolie betrokken was. Een dergelijke betrokkenheid is volgens de rechtbank blijkens de wetsgeschiedenis niet beperkt tot een daadwerkelijke fysieke betrokkenheid. Nu eiseres (de N.V.) het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt is zij dan ook terecht aangemerkt als belastingplichtige.

Een weigering om mee te werken aan het onderzoek en de enkele aanvaarding van een fiscale strafbeschikking (hetgeen juridisch gelijkstaat met een erkenning van schuld in de zin van het strafrecht), leidt dus ook al snel tot accijnsaansprakelijkheid.

Ook Hof Arnhem-Leeuwarden gaat er in zijn uitspraak van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11204) vanuit dat feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap geen vereisten meer zijn voor een accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen. Maar in een overweging ten overvloede overweegt het Hof dat de naheffingsaanslag eveneens terecht aan belanghebbende (een man-vrouwfirma) is opgelegd indien de rechtsopvatting dat deze beide vereisten niet meer gelden onjuist is omdat toch óók aan die vereisten wordt voldaan. Het Hof lijkt er daarmee niet zeker van te zijn dat die opvatting juist is.

Rechtbank Gelderland heeft in een met de vorige zaak samenhangende zaak (tegen de man van de VOF) een interessante juridische opvatting in haar uitspraak ontwikkeld. De redenering van de rechtbank was als volgt:

  1. Blijkens nummer 8 van de considerans van de Accijnsrichtlijn 2008 is het voor de goede werking van de interne markt noodzakelijk dat het concept “accijns” en de omstandigheden waaronder deze verschuldigd wordt, in alle lidstaten dezelfde zijn.
  2. In situaties waarin accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd zijn tot voldoening van de accijns gehouden onder meer alle personen die bij een onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde.

iii. Met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarvoor geen accijns is geheven buiten een schorsingsregeling (en buiten het vervoer van de goederen), is de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan is betrokken gehouden de accijns te voldoen.

  1. Blijkens de wetsgeschiedenis van de wijziging van de WA op basis van de Accijnsrichtlijn 2008 zijn de door de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van art. 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, voor de toepassing van het nieuwe art. 2, lid 1, onderdeel b, niet meer van belang. Het wetenschapsvereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling.
  2. De bewijslast dat aan eiser een naheffingsaanslag accijns kan worden opgelegd rust op verweerder (de douane-inspecteur). Daarbij hoeft de inspecteur alleen aannemelijk te maken dat eiser onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad of daarbij betrokken is geweest. De inspecteur hoeft niet aannemelijk te maken dat eiser wist of redelijkerwijze kon weten dat het voorhanden hebben betrekking had op accijnsgoederen.

“Omdat het hier evenwel een bepaling betreft die is bedoeld om de belastingschuldige aan te wijzen, brengt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA mee dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld te bewijzen dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Een andere uitleg zou met zich brengen dat in feite sprake is van risicoaansprakelijkheid waardoor de keuze van degene aan wie de naheffingsaanslag accijns wordt opgelegd in de keten van betrokkenen volledig arbitrair wordt. Naar het oordeel van de rechtbank zou deze uitleg van de Accijnsrichtlijn 2008 en de WA te ver gaan.”

Tot zover de rechtbank. Dit is een interessante opvatting.

Conclusie

Kennelijk zijn meerdere rechters er toch niet zeker van of de voorwaarden, die de Hoge Raad heeft gesteld aan het ontstaan van een accijnsschuld wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen, nu inderdaad vervallen zijn. Zoals ook Kalshoven in zijn commentaar onder NTFR 2018/325 (Rechtbank Den Haag 31 oktober 2017) stelt, zal pas na een arrest van de Hoge Raad blijken of de wetgever inderdaad slaagt in zijn opzet om deze voorwaarden voor aansprakelijkheid voor de accijns te laten vervallen en min of meer een vorm van risicoaansprakelijkheid te creëren. Te meer nu de feitelijke barrière voor het kunnen naheffen van accijns bij het vasthouden aan de vereisten van feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste (het redelijkerwijze kunnen weten incluis) helemaal niet hoog is, zoals inmiddels uit de diverse rechtspraak ook al blijkt, is juist te bepleiten dat de Hoge Raad vasthoudt aan de door haar ontwikkelde vereisten.

Nog duidelijker zou het zijn indien ook het HvJ EU wordt uitgedaagd middels prejudiciële vragen om zich hierover uit te laten. Immers het is onduidelijk waarom in de Accijnsrichtlijn 2008 wel de wetenschapseis wordt gesteld voor het ontstaan van een accijnsschuld bij het vervoer onder een schorsingsregeling maar dat deze eis ontbreekt of althans lijkt te ontbreken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen. Tenslotte lag ook aan de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin de beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste zijn ontwikkeld, rechtspraak van het HvJ EU ten grondslag.

Ook voor de rechtszekerheid is het duidelijker – en dat is helemaal geen hoge drempel – om vast te houden aan de eisen van feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap dan de belanghebbende op te zadelen met de bewijslast van de afwezigheid van alle schuld, zoals rechtbank Gelderland voorstaat.