Categorie: Fiscaal sanctierecht

Gevangenisstraf en beroepsverbod van 5 jaar wegens belastingfraude met een nadeel van 4,5 miljoen euro

Verdachte wordt ervan verdacht dat zij samen met een medeverdachte via hun bedrijven jarenlang belasting hebben ontdoken door valse aangifte omzetbelasting te doen, het daarmee bespaarde geld heeft witgewassen en gebruik heeft gemaakt van valse inkoopfacturen om daarmee invoerrechten en antidumpingheffingen te ontduiken.

Volgens de Rechtbank hebben verdachte en de medeverdachte diverse vennootschappen opgericht. Zij hebben deze bedrijven niet op hun eigen naam gezet, maar op naam van zogenoemde stromannen of katvangers. Verdachte verzorgde de administratie van de bedrijven en de dagelijkse uitvoering terwijl medeverdachte zorgde voor de inkoop en exploitatie van de daadwerkelijke winkels. Vanaf 2011 tot 2017 werd niet de volledige BTW afgedragen, omdat telkens een lagere omzet werd aangegeven. Ook wisten beide verdachten van het gesjoemel met de inkoopfacturen ten behoeve van de lagere antidumpheffing, wat voor een hogere omzet zorgde die telkens niet of slechts gedeeltelijk werd opgegeven aan de Belastingdienst.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte en medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan een complex van fraudefeiten waarmee zij zichzelf voor een bedrag van meer dan 2,3 miljoen euro hebben verrijkt. Verdachte heeft dat kennelijk niet zo ervaren, nu zij ten overstaan van de politie en ter zitting telkens heeft herhaald dat het geld is benut om andere financiële gaten mee te dichten. De Rechtbank wijst verdachte erop dat ook als het geld is gebruikt om schulden af te betalen, verdachten daar ook voordeel van hebben genoten doordat bijvoorbeeld de bedrijven niet failliet zijn gegaan. De Rechtbank constateert verder dat verdachten – in tegenstelling tot het standpunt van verdachten – wel degelijk een luxe leven hebben gehad. Zo beschikten verdachten over twee woningen, twee auto’s en dineerden zij volgens getuigen in (dure) restaurants.

Bij het bepalen van de straf zal de Rechtbank uitgaan van de nadeelsberekening in plaats van de voordeelsberekening. De Rechtbank acht voor de strafbepaling namelijk relevant welke mate van financiële schade verdachten hebben aangericht. Die schade, bestaande uit de niet afgedragen omzetbelasting en de ontdoken invoerrechten en antidumpingheffingen, is berekend op ongeveer 4,5 miljoen euro.

De Rechtbank veroordeelt – alles afwegende – verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De Rechtbank ziet eveneens aanleiding om een beroepsverbod op te leggen van 5 jaar nadat de gevangenisstraf is uitgezeten.

Aan de medeverdachte is dezelfde straf opgelegd.

Rechtbank Amsterdam 19 juni 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4721

Rechtbank Amsterdam 19 juni 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4722

Verdachte heeft controlemogelijkheid fiscus met zijn handelen ernstig bemoeilijkt en krijgt daarvoor een voorwaardelijke gevangenisstraf

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat hij opzettelijk geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, waardoor te weinig belasting is geheven.

Het Hof stelt vast dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren. Meer concreet is niet voldaan aan die administratieplicht, omdat er onjuiste verkoopfacturen in de administratie zijn opgenomen en verdachte boekingen heeft (laten) verrichten, terwijl er geen onderliggende verkoopfacturen in de administratie voorhanden waren.

De vervolgvraag is of het handelen ertoe strekte dat te weinig belasting is geheven. Niet is van belang of de schending van de administratieplicht daadwerkelijk heeft geleid tot het betalen van te weinig belasting. Voldoende is dat de verboden gedraging naar objectieve maatstaven kan leiden tot het heffen van onvoldoende belasting.

Verdacht heeft in dit geval zijn bedrijfsadministratie niet zodanig ingericht en voor controle door de fiscus toegankelijk gemaakt dat binnen redelijke termijn conclusies konden worden getrokken omtrent de aard en omvang van zijn fiscale verplichtingen. De controlemogelijkheid van de fiscus is daarmee ernstig bemoeilijkt. Het is op grond van algemene ervaringsregels waarschijnlijk dat een dergelijke handelwijze in zijn algemeenheid ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Door het handelen van verdachte is onder meer te weinig omzet opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting en zijn er meer kosten opgevoerd. Er is volgens het Hof derhalve te weinig belasting geheven ten gevolge van het laakbare handelen van verdachte.

Verdachte is door belastingambtenaren en zijn accountant gewezen op het belang van het voeren van een ordentelijke boekhouding. Ondanks die waarschuwingen is hij doorgegaan met zijn laakbare handelen. Het Hof kan op basis van het procesdossier niet vaststellen wat het exacte nadeelbedrag is geweest. Het Hof ziet – alles afwegende – geen aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Ook veroordeelt het Hof verdachte tot een taakstraf van 216 uur.

 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 10 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2877

Hof acht suppletieplicht in strijd met nemo-teneturbeginsel en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat hij – als medepleger – opzettelijk onjuiste belastingaangifte heeft gedaan en opzettelijk niet heeft voldaan aan de verplichting om alsnog zo spoedig mogelijk bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen te verstrekken.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de vennootschappen in de tenlastegelegde periode in financiële moeilijkheden verkeerden. Daarop heeft de accountant aan verdachte en zijn echtgenote (tevens mededader) voorgesteld om de aangiften omzetbelasting naar beneden bij te stellen, zodat minder omzetbelasting hoefde te worden afgedragen dan daadwerkelijk was verschuldigd. Verdachte en zijn echtgenote zijn op dit voorstel ingegaan. De accountant heeft vervolgens in opdracht van verdachte en zijn echtgenote namens de vennootschappen voor de in de tenlastelegging genoemde aangiftetijdvakken onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan. Ook is verzuimd om te voldoen aan de verplichting om alsnog zo spoedig mogelijk, bij wijze van suppletie, juiste en volledige inlichtingen te verstrekken.

Naar het oordeel van het Hof is buiten redelijke twijfel, dat een verzuim- of een vergrijpboete, die wordt opgelegd naar aanleiding van een suppletie, tegelijkertijd met een naar aanleiding van die suppletie opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak waarvoor eerder een onjuiste aangifte is gedaan, als een bestuursrechtelijke boete van strafrechtelijke aard moet worden aangemerkt. Dit betekent concreet dat er – conform (internationale) wet- en regelgeving – het recht bestaat voor een betrokkene om zichzelf niet te incrimineren.

Uit het vorenstaande volgt dat een verdachte niet bij wet verplicht kan worden uit eigener beweging de inspecteur op het spoor te brengen van een beboetbaar feit of strafbaar feit en zich aldus bloot te stellen aan een bestuursrechtelijke boete of strafvervolging. Het Hof komt derhalve tot de conclusie dat de suppletieplicht in strijd is met het nemo-teneturbeginsel. Wegens die strijdigheid dienen die fiscale bepalingen buiten toepassing te blijven en kan het in zoverre aan verdachte tenlastegelegde niet worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Het Hof zal verdachte te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het Hof acht wel bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude door drie vennootschappen. De vennootschappen waarvan verdachte administrateur was, hadden als gevolg van de economische crisis toentertijd onvoldoende liquide middelen om de (omzet)belastingschuld te voldoen. Naar eigen zeggen bestond het voornemen om later door middel van suppletie alsnog de belasting te voldoen, maar daarvan is het niet (tijdig) gekomen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren.

 Gerechtshof Den Bosch 10 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2879

Verantwoording pensioenbate in verkeerd jaar leidt niet tot hogere belastingheffing; vergrijpboete wordt vernietigd

Belanghebbende is een houdstermaatschappij. De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2010 opgelegd met een vergrijpboete van 50% hetgeen neerkomt op € 39.177.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De vergrijpboete is opgelegd omdat het volgens de inspecteur aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Van het prijsgeven van pensioenrechten in 2009 is volgende de inspecteur geen sprake. De notulen van de bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders geven daartoe onvoldoende steun. Bovendien is een vaststellingsovereenkomst getekend, waarbij de boete voor zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting beperkt wordt tot € 75.000, voor zover betrekking hebbend op de afwikkeling van het pensioen. Om die reden kan de hoogte van de boete volgens de inspecteur geen onderwerp van geschil meer zijn.

Belanghebbende stelt dat zij volkomen te goeder trouw de vrijval van de pensioenvoorziening heeft verwerkt in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2009. Zij doet een beroep op een pleitbaar standpunt. Bovendien gaat het volgens belanghebbende enkel om de vraag in welk jaar de bate moet worden verantwoord en of onder die omstandigheden een boete op zijn plaats is.

De Rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn betoog dat ten gevolge van de vaststellingsovereenkomst de boete niet meer in geschil is. Blijkens de vaststellingsovereenkomst wordt afgezien van het voeren van procedures naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van het geschilpunt pensioen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Rechtbank dat een eventueel beroep dat ziet op het afzien van pensioenrechten niet alleen de enkelvoudige heffing betreft, maar ook de boete.

De Rechtbank overweegt voorts dat de inspecteur niet is geslaagd in zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij belanghebbende. Belanghebbende heeft in 2009 de bate die voortvloeit uit het prijsgeven van de pensioenrechten aangegeven. Gelet op de aanwezige verliescompensatie is op grond van deze aangifte het belastbaar bedrag nihil. Voor het jaar 2010 is de uitkomst niet anders vanwege een verliesverrekeningsbeschikking. Dat belanghebbende dus in het verkeerde jaar de bate heeft aangegeven leidt niet tot een hogere verschuldigdheid van vennootschapsbelasting.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

Rechtbank Gelderland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2829

Veroordeling voor schijnconstructie gericht op vermijden ‘dienstbetrekking’ om belastingheffing te voorkomen

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij (als feitelijk leidinggever) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met – onder meer – als doel het opzettelijk doen van onjuiste aangiften (loonheffing) en premie volksverzekeringen.

Het Hof stelt vast dat verdachte rond 2005 met een medeverdachte het plan heeft opgevat om op papier te gaan werken met schoonmaakbedrijven en niet met schoonmakers in loondienst, omdat zij wilden voorkomen dat loonbelasting en premies volksverzekeringen moesten worden ingehouden en afgedragen. Verdachte heeft naar eigen zeggen informatie bij diverse instanties en bij een juridisch adviseur ingewonnen over de voorwaarden waaronder dat zou kunnen. Verdachte wist dat met zelfstandigen of ondernemingen moest worden gewerkt, dat deze meerdere opdrachtgevers moesten hebben en dat geen sprake mocht zijn van een dienstbetrekking tussen zijn bedrijf en de schoonmakers of een situatie die daarmee overeenkwam.

Het Hof is van oordeel dat verdachte door middel van een schijnconstructie heeft getracht op papier ervoor te zorgen dat geen sprake was van een dienstbetrekking. Het Hof is van oordeel dat sprake was van een dienstbetrekking gelet op de feitelijke omstandigheden. Daarmee heeft verdachte zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, belastingfraude en heeft verdachte als leider deelgenomen aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Terwijl verdachte wist dat hij handelde in strijd met de voor hem en de ondernemingen waar hij bij betrokken was geldende verplichtingen, laat hij zich naar het oordeel van het Hof uit alsof hij ter zake kundig is en volledig in zijn recht staat. Dat hij daarbij anderen meesleept in het plegen van strafbare feiten, lijkt hem volgens het Hof weinig te deren.

Dat verdachte nadelige zakelijke gevolgen ondervindt en heeft ondervonden van de tegen hem lopende strafrechtelijke procedure is naar het oordeel van het Hof geen reden voor het opleggen van een lagere straf dan gebruikelijk is in soortgelijke zaken. Dat verdachte bepaalde werkzaamheden voor de gemeente Amsterdam niet kan verrichten waardoor hij financieel nadeel zou ondervinden, is inherent aan wettelijke bepalingen op grond waarvan bestuursorganen trachten te voorkomen dat criminele activiteiten worden bevorderd door transacties met of vergunningen aan personen met een strafrechtelijk verleden.

Alles afwegende veroordeelt het Hof verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Een medeverdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een andere medeverdachte is vrijgesproken.

Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2144

Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2152

Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2160

Rechtbank veroordeelt verdachte die ‘touwtjes stevig in handen had’ voor belastingfraude

Verdachte heeft naar het oordeel van de Rechtbank leiding gegeven aan het plegen van belastingfraude, valsheid in geschrift en het opzettelijk indienen van valse facturen ter ondersteuning van ingediende aangiften loonbelasting.

Op basis van het procesdossier is voor de Rechtbank ‘zonneklaar’ dat verdachte de touwtjes in beide vennootschappen stevig in handen had. Verdachte deelde de lakens uit en het was verdachte, en niemand anders, die de bedrijven, zelfs die waarvan zijn broer directeur en enig aandeelhouder was, aanstuurde. Verdachte bemoeide zich nadrukkelijk met de financiële huishouding van beide vennootschappen, waar niets gebeurde zonder dat verdachte er weet van had. Het beeld dat verdachte volgens de Rechtbank van zichzelf schetst, ook ter zitting, valt hiermee niet te rijmen. De Rechtbank heeft een verdachte gezien die zichzelf neerzet als slachtoffer van zijn eigen personeel, voortdurend stelt zich cruciale zaken niet meer te kunnen herinneren en die het allemaal ongelukkigerwijs is overkomen.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de verantwoordelijkheden die de belastingwetgeving aan bedrijven en hun bestuurders oplegt, niet serieus heeft genomen en de integriteit van het financiële en economische verkeer in de kern heeft geschonden. De Rechtbank heeft hierbij een benadelingsbedrag van € 334.000 vastgesteld. Verdachte heeft gedurende het hele onderzoek en ter zitting geen blijk ervan gegeven het kwalijke van zijn gedragingen in te zien.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Een medeverdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

Rechtbank Limburg 3 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6266

Rechtbank Limburg 3 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6267

Rechtbank vernietigt vergrijpboete wegens ontbreken hard bewijs van grove schuld belastingplichtige

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete, omdat tegoeden op Duitse bankrekeningen niet zijn opgegeven in de aangifte.

De Rechtbank stelt vast dat belanghebbende voor het doen van aangifte inkomstenbelasting een administratiekantoor heeft ingeschakeld. Het administratiekantoor heeft de aangifte ingevuld en namens belanghebbende ingediend. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de verweten grove schuld (ook) bij belanghebbende zelf aanwezig moet zijn geweest. Grove schuld van het administratiekantoor kan niet toegerekend worden aan belanghebbende. Wel kan het verwijt gelegen zijn in het feit dat belanghebbende bij de keuze van en samenwerking met het kantoor ernstig nalatig of onachtzaam is geweest.

De Rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur er niet in is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende in de samenwerking met het administratiekantoor heeft gefaald, waardoor het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aangifte tot een te laag bedrag is ingediend.

Volgens de Rechtbank is niet komen vast te staan waarom de tegoeden op de Duitse rekeningen niet in de aangifte terecht zijn gekomen. De Rechtbank acht de verklaring ter zitting van belanghebbende en haar echtgenoot – dat ze naar beste weten alle relevante gegevens hebben aangeleverd aan het administratiekantoor, waaronder de gegevens van de bankrekeningen in Duitsland – geloofwaardig.

Er is naar het oordeel van de Rechtbank samenvattend geen concreet bewijs geleverd voor de aanwezigheid van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. Uit niets blijkt dat belanghebbende inderdaad zou hebben nagelaten de relevante gegevens aan het administratiekantoor te verstrekken. De uit de feiten afgeleide vermoedens zijn naar het oordeel van de Rechtbank door belanghebbende ter zitting ontzenuwd.

De Rechtbank overweegt nog dat de onderhavige zaak verschilt van de zogeheten KB-Lux zaken waarbij – kort gezegd – opzet gegeven is indien een aanzienlijke som geld op een bankrekening wordt aangehouden in een land met een bankgeheim. In het onderhavige geval gaat het volgens de Rechtbank om een buitenlandse rekening met daarop een aanzienlijk saldo, maar deze werden niet in een land met een bankgeheim gehouden. Enkel het gegeven dat het om veel geld gaat op een buitenlandse rekening is voor de Rechtbank onvoldoende om grove schuld aan te nemen.

De Rechtbank vernietigt de opgelegde vergrijpboete.

Rechtbank Noord-Nederland 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4023

Grove schuld van bestuurder kan aan vennootschap worden toegerekend

Aan belanghebbende, een groothandel in onder meer telecommunicatieapparatuur, is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met een vergrijpboete van € 30.554.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd. De inspecteur verwijt belanghebbende dat hij gezien zijn lange staat van dienst als ondernemer op de hoogte behoorde te zijn van de regelgeving op het gebied van het in aftrek te brengen van voorbelasting, zoals het beschikken over deugdelijke inkoopfacturen waarop alle noodzakelijke gegevens vermeld zijn. Ook voor contante inkopen beschikte belanghebbende niet over inkoopfacturen. Om die reden is de inspecteur van mening dat belanghebbende willens en wetens de omzetbelasting heeft verrekend terwijl hij wist dan wel had kunnen weten dat dit niet was toegestaan.

De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 25%, omdat belanghebbende op z’n minst erg onzorgvuldig is geweest waardoor de Belastingdienst fors is benadeeld.

Naar het oordeel van de Rechtbank is aannemelijk dat ter zake van de leveringen van de mobiele telefoons niet is voldaan aan de wet- en regelgeving om voorbelasting in aftrek te brengen, met name omdat de verkoper ten tijde van de leveringen geen facturen heeft uitgereikt omdat ‘dit te veel gedoe zou zijn’. De voorbelasting ter zake de leveringen van mobiele telefoons is derhalve ten onrechte in de aangiften omzetbelasting in mindering gebracht op de verschuldigde omzetbelasting.

Naar het oordeel van de Rechtbank is het onder deze omstandigheden aan grove schuld van de bestuurder van belanghebbende te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Hij is immers een ervaren ondernemer, die wist dat belanghebbende van alle andere leveranciers wél facturen met vermelding van de in rekening gebrachte omzetbelasting ontving. Deze bestuurder had dus kunnen weten dat belanghebbende geen voorbelasting in aftrek had mogen brengen.

De Rechtbank overweegt dat het aannemelijk is geworden dat de bestuurder directeur en feitelijk leidinggevende van belanghebbende was, dat hij de in- en verkoop van telefoons feitelijk voor zijn rekening nam en dat hij de administratie van belanghebbende voerde, althans dat deze onder zijn verantwoordelijkheid werd gevoerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat de grove onzorgvuldigheid van de bestuurder van belanghebbende, kan worden aangemerkt als grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank matigt de vergrijpboete omdat de boetegrondslag niet juist was berekend en omdat de redelijke termijn is overschreden. De Rechtbank komt uit op een boetebedrag van € 23.826 en acht dit bedrag passend en geboden.

Rechtbank Noord-Nederland 26 april 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1494

Inbeslagname administratie door FIOD komt voor rekening en risico van belastingplichtige bij het doen van aangifte

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012. Omdat kort voor het verstrijken van de uiterste inlevertermijn de administratie van belanghebbende (en haar echtgenoot) door de FIOD in beslag is genomen, is aan belanghebbende tot 1 februari 2014 uitstel verleend voor het indienen van aangifte. Omdat niet tijdig aangifte is gedaan heeft de inspecteur een verzuimboete van € 226 opgelegd.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende beroept zich, zo begrijpt de Rechtbank, op afwezigheid van alle schuld (avas) omdat zij, vanwege de inbeslagneming van de administratie door de FIOD, niet in de gelegenheid was om tijdig een juiste aangifte in te dienen. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de Rechtbank niet slagen. Belanghebbende is herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte en belanghebbende heeft desondanks niet voor de genoemde datum aangifte gedaan. Daardoor verkeert zij in verzuim. Van een verlenging van de uiterste inleverdatum na 1 februari 2014 is niets gebleken.

Temeer daar belanghebbende stelt dat moet worden uitgegaan van een inkomen van nihil stond de inbeslagneming van de stukken naar het oordeel van de Rechtbank niet aan de indiening van de aangifte in de weg. Indien en voor zover toch sprake zou zijn van een bewijsnood dan komt dit voor rekening en risico van belanghebbende. De Rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende geen enkel verwijt treft met betrekking tot het niet tijdig doen van aangifte. Van avas is om die reden geen sprake.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de Rechtbank wel aanleiding om de verzuimboete met 20% te matigen tot € 180.

Rechtbank Gelderland 11 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2555

Verdachte, zijn echtgenote en zoon vrijgesproken voor indienen valse aangiften kansspelbelasting

De verdenkingen in deze zaak hebben betrekking op het, samen met anderen, feitelijk leiding dan wel opdracht geven aan X GmbH om opzettelijk onjuiste aangiften kansspelbelasting te doen.

De Rechtbank stelt voorop dat de aangifteplichtige onder dreiging van een strafvervolging wordt gedwongen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud een verklaring af te leggen die de inspecteur in staat stelt de hoogte van de verschuldigde belasting vast te stellen. Die verplichting brengt noodzakelijkerwijs met zich mee dat de betrokkene bij het doen van aangifte de – niet zelden complexe – belastingwetgeving moet uitleggen, ook in gevallen waarin onduidelijkheid bestaat over de vraag welke interpretatie juist is.

De Rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting af dat verdachte een man is die zich meer bezig hield met de praktische gang van zaken binnen zijn bedrijven en zeker niet zodanig onderlegd is dat hij complexe juridische vraagstukken kan overzien en beantwoorden. Daarbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat de regelgeving omtrent de kansspelbelasting, zeker voor een niet-deskundige, complex te noemen is. Verdachte is daardoor afhankelijk van derden die hem daarin ondersteunen en begeleiden.

De Rechtbank stelt vast dat verdachte advies heeft ingewonnen van onafhankelijke deskundigen, waaronder een advocaat en een accountant. Het ingewonnen advies luidde dat – ter voorkoming van dubbele belastingheffing – in Nederland geen kansspelbelasting verschuldigd was. Onder deze omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het doen van de aangiften – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat de ingezonden (nihil)aangiften conform deskundig advies en daarmee juist en volledig waren. Het opzettelijk doen van onjuiste aangiften is niet bewezen.

De Rechtbank spreekt verdachte – alsook zijn echtgenote en zoon – vrij van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften.

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2060

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2061

Rechtbank Overijssel 11 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2066