Categorie: Fiscaal sanctierecht

Vergrijpboetes vernietigd wegens ontbreken grove schuld voor X BV die omzetbelasting in aftrek bracht voor advocaatkosten strafzaak aandeelhouder

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2008 tot en met 2012 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Voorts zijn voor alle jaren vergrijpboetes opgelegd.

Op 7 september 2000 hebben B en zijn echtgenote C, D BV opgericht. Belanghebbende is op 8 november 2002 opgericht en op 15 november 2004 hebben B en C ieder 50% van de aandelen in belanghebbende verkregen. Op enig moment zijn twee ondernemingen, waarbij B en D BV betrokken waren, failliet verklaard. Tegen (onder meer) B is strafrechtelijke vervolging ingesteld in verband met faillissementsfraude. B werd bijgestaan door advocatenkantoor I. Belanghebbende heeft ter zake van de advocaatkosten de omzetbelasting in aftrek gebracht. De inspecteur heeft om die reden vergrijpboetes opgelegd ter zake van grove schuld.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur niet heeft bewezen dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. B heeft ter zitting verklaard bij het Hof dat hij zichzelf, belanghebbende en D als één onderneming beschouwt en dat belanghebbende haar activiteiten heeft moeten beëindigen nadat duidelijk werd dat tegen hem vervolging zou worden ingesteld. Alleen als zijn naam zou worden gezuiverd, zou belanghebbende haar activiteiten kunnen voortzetten. B meende om die reden dat hij de kosten van de verdediging maakte met het oog op het voortbestaan van de onderneming van belanghebbende.

B stelt zich derhalve op het standpunt dat de facturen van I kosten betreffen die aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. Hoewel deze gedachtegang naar het oordeel van het Hof onjuist is, is zij niet zodanig van iedere logica gespeend dat zij ‘roekeloos, experimenteel of zonder enige financieel-economische basis’ is. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur niet heeft gesteld dat B over zoveel kennis van de omzetbelasting beschikte dat hij niet zo had mogen handelen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de – door hem betaalde – facturen ten onrechte in aftrek gebracht, maar het verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt is te licht om als ‘ernstig nalatig of laakbaar slordig’ te worden aangemerkt.

Het Hof vernietigt derhalve de vergrijpboetes voor zover deze zijn opgelegd in verband met de aftrek van de omzetbelasting van advocaatkosten ter zake van de strafzaak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1129

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1129

Rechtbank acht verzuimboete van € 4.872 niet passend en matigt naar € 600

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd met een verzuimboete van € 4.872.

Belanghebbende is van oorsprong afkomstig uit Griekenland en zijn echtgenote uit Bulgarije. Zij staan sinds 1996 in Nederland ingeschreven. Op 17 mei 2016 is vastgesteld dat belanghebbende gebruik maakte van de openbare weg in Nederland met een auto met een Bulgaars kenteken. Deze auto is in Bulgarije geregistreerd op naam van de echtgenote van belanghebbende.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heeft geconcludeerd dat belanghebbende feitelijk over de auto beschikte op het moment dat hij is staande gehouden. Het uitgangspunt is de fictie dat de auto belanghebbende ter beschikking heeft gestaan vanaf het moment dat deze op naam van zijn echtgenote stond en belanghebbende in Nederland stond ingeschreven. Over die periode wordt nageheven, tenzij belanghebbende slaagt in het overtuigende bewijs van het tegendeel.

Het feit dat belanghebbende er niet in is geslaagd overtuigend te bewijzen dat de auto hem gedurende de gehele periode ter beschikking heeft gestaan, maakt echter nog niet dat voor de beoordeling van de verzuimboete in voldoende mate vaststaat dat belanghebbende over de gehele periode in verzuim is geweest met het betalen van motorrijtuigenbelasting. Hij heeft immers gemotiveerd betwist dat hij in deze gehele periode de beschikking heeft gehad over de auto. De inspecteur heeft naar het oordeel van de Rechtbank niet onderbouwd dat belanghebbende daadwerkelijk in de gehele periode in Nederland de beschikking over de auto had.

De Rechtbank zal om die reden de verzuimboete verminderen. De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht een boete heeft opgelegd en acht een boete wel geboden, omdat sprake is van een verzuim van belanghebbende. Belanghebbende beschikte over de auto in Nederland en heeft ten onrechte geen motorrijtuigenbelasting voor de auto betaald. Voor de vraag wat een passende boete is, zal de Rechtbank rekening houden met het bedrag aan belasting dat voor een kwartaal verschuldigd zou zijn geweest. Dit komt neer op (afgerond) € 600. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zijn financiële situatie niet toelaat dat een boete wordt opgelegd, maar hij heeft die stelling met name verbonden aan het feit dat beslag is gelegd ter zake van diverse naheffingsaanslagen. Gelet op de hoogte van het inkomen van belanghebbende en het feit dat de inspecteur onbetwist heeft gesteld dat ook de echtgenote inkomen heeft, acht de Rechtbank een boete van € 600 passend.

Rechtbank Gelderland 8 februari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:570 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:570

Verzuimboete voor ondernemer die ten onrechte geheel bedrag aan omzetbelasting in aftrek bracht

Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit advisering op het gebied van ontwikkeling, realisatie, financiering, exploitatie van zorgvastgoed en de aan- en verkoop van onroerende zaken. Belanghebbende heeft in dat kader ook een overeenkomst gesloten met de Gemeente Capelle aan den IJssel tot vestiging van een recht van opstal op een hoeve en een wagenschuur. De hoeve is een rijksmonument en zou worden gerenoveerd, en de wagenschuur zou worden gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Daarbij heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat 55% van de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt, omdat deze toerekenbaar is aan de voorgenomen (vrijgestelde) overdrachten van het recht van erfpacht en het recht van opstal van de hoeve. Een verzuimboete is opgelegd van € 1.297.

De verzuimboete moet vervallen indien sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Naar het oordeel van de Rechtbank is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft al op 28 juni 2012 een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de kosten van belanghebbende voor het project zullen worden verdisconteerd in de stichtingskosten en dus in de leveringen van de hoeve en de wagenschuur.

Belanghebbende heeft zich in haar brief van 2 juli 2013, gericht aan de inspecteur, op het standpunt gesteld dat zowel de levering van de hoeve, als de levering van de wagenschuur vrijgestelde leveringen zijn. Belanghebbende had zich er dus toen al van bewust moeten zijn dat zij ten minste deels vrijgestelde prestaties zou gaan verrichten en dat zij niet alle omzetbelasting in aftrek mocht brengen. Het feit dat belanghebbende een factuur met omzetbelasting aan X heeft verzonden maakt dit niet anders, nu slechts sprake was van een voorschotnota voor de in de stichtingskosten te verdisconteren kosten en X deze nota ook niet heeft betaald.

De verzuimboete is naar het oordeel van de Rechtbank terecht opgelegd. De Rechtbank matigt de boete wel ambtshalve met 5% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Gelderland 13 februari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:648

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:648

Vergrijpboetes voor belastingadviseur die omzet verzweeg

Belanghebbende woont in Nederland en dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het geven van organisatie-, financierings-, assurantie- en belastingadvies en het verrichten van administratieve dienstverlening. Belanghebbende verzorgde als zodanig bedrijfsadministraties van ondernemers en deed belastingaangiften voor ondernemers en particulieren. Hij beschikte daarvoor over een beconnummer bij de Belastingdienst.

In maart 2013 is tegen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek gestart door de FIOD. Vermoed werd dat belanghebbende opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften indiende. Het ging daarbij om belastingaangiften die belanghebbende voor verschillende particuliere cliënten deed. Belanghebbende is door de strafkamer van het Hof veroordeeld voor valsheid in geschrift en oplichting van de Staat. Het strafdossier is aan de inspecteur ter beschikking gesteld. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur correcties toegepast en belastingaanslagen en vergrijpboetes van 40% opgelegd. 

Het Hof is van oordeel dat uit het strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke onderzoek blijkt dat belanghebbende niet een administratie heeft bijgehouden die voldoet aan de eisen die een onderneming zoals belanghebbende uitoefent, daaraan stelt. Uit die onderzoeken blijkt voorts dat, zoals het Hof aannemelijk heeft geoordeeld, belanghebbende aanzienlijke bedragen aan winst niet in zijn aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2010 en 2012 heeft opgenomen. Belanghebbende, die administratieconsulent en belastingadviseur is van beroep, moet naar het oordeel van het Hof hebben geweten dat de aangiften die hij deed onjuist waren. Door toch die aangiften te doen heeft belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften gedaan, althans heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door het doen van die aangiften een aanzienlijk lager bedrag aan belasting zou worden geheven dan hij in werkelijkheid was verschuldigd.

Een boete van 40% van de nagevorderde belasting is naar het oordeel van het Hof in dit geval passend en geboden. Met een vermindering van 5%, zoals door de Rechtbank toegepast in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, kan het Hof zich verenigen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1132

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1132

Rechtbank vernietigt vergrijpboete wegens schending van mededelings- en motiveringsplicht

De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd met een vergrijpboete van € 6.885. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende een omzet ten bedrage van € 92.114 niet in de aangifte inkomstenbelasting heeft verantwoord.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

In een brief heeft de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen van 25% met als motivering: “omdat er sprake is van grove onachtzaamheid”. De inspecteur heeft vervolgens een vergrijpboete opgelegd, waarbij in de boetebeschikking staat vermeld:

“U heeft een brief van de Belastingdienst ontvangen waarin wordt uitgelegd waarom u een vergrijpboete krijgt. De Belastingdienst beschouwt uw nalatigheid als zogeheten ‘grove schuld’ en behandelt deze nalatigheid als een vergrijp. Daarom legt de Belastingdienst u naast het bedrag van de navorderingsaanslag een vergrijpboete op. Het bedrag van de vergrijpboete is met toepassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op € 6.885.”

De Rechtbank is van oordeel dat aan de belastingplichtige, uiterlijk bij het opleggen van de boete, kenbaar moet worden gemaakt op welke gronden hij wordt beboet. Dit betekent dat de inspecteur gedetailleerd moet aangeven op grond van welke feiten en omstandigheden hij concludeert tot grove onachtzaamheid. De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met de enkele mededelingen “dat sprake is van grove onachtzaamheid” en “nalatigheid” daaraan niet heeft voldaan.

Hieruit kan immers niet worden afgeleid welke feitelijke gedragingen de inspecteur belanghebbende verwijt. Gelet hierop is naar het oordeel van de Rechtbank de mededelings- en motiveringsplicht geschonden en dient de vergrijpboete te vervallen. De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 september 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:9011

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:9011

Belastingplichtige heeft ten onrechte provisies niet opgegeven in haar aangifte IB

Belanghebbende is lid van een MultiLevelMarketingorganisatie (MLM). Zij behaalt – als zelfstandig distributeur van deze organisatie – inkomsten uit de verkoop van producten en ontvangt provisie op basis van een puntenstelsel, dat is gekoppeld aan inschrijving van nieuwe leden en inkopen van de MLM-producten in de distributieketen.

Naar aanleiding van een door de inspecteur ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat alle opbrengsten kwalificeren als winst uit onderneming en dat de provisies zijn belast met btw. Derhalve zijn verschillende aanslagen IB en OB opgelegd alsmede vergrijpboetes IB over de jaren 2008 t/m 2011 van respectievelijk € 272, € 2.449, € 1.360 en € 2.654. In geschil is onder meer of de vergrijpboetes van 50% terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat geen sprake is van een pleitbaar standpunt. In de literatuur en de jurisprudentie zijn met betrekking tot diverse verdienmodellen weliswaar uiteenlopende standpunten bekend. Uit de jurisprudentie valt echter op te maken dat in geval van veel verdienmodellen een structurele winstsituatie, waarbij de opbrengsten de kosten structureel overtreffen, leidt tot belastingheffing. Het is om die reden redelijkerwijs niet verdedigbaar dat de opbrengsten die zijn behaald met de activiteiten niet in de aangifte IB/PVV zijn vermeld.

Belanghebbende stelt verder dat de rechter tijdens de zitting bij de Rechtbank aangaf geen begrip te hebben voor het opleggen van deze boetes en dat hij de inspecteur in overweging gaf hiervan af te zien. Belanghebbende stelt verder dat het haar niet mag worden aangerekend dat zij geen gesprek met de inspecteur is aangegaan.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur – indien er al sprake is van een dergelijke suggestie – niet is gehouden een door de rechter geuite suggestie op te volgen. Het Hof oordeelt voorts dat belanghebbende de inkomsten niet in de aangifte heeft verwerkt, terwijl de inspecteur haar met een brief heeft medegedeeld dat niet per definitie kan worden aangenomen dat de werkzaamheden die zijn verricht geen bron van inkomsten zijn, maar dit per individueel geval moet worden bekeken. Onder deze omstandigheden is het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten dat door de te lage aangiften te weinig belasting is geheven. 

De Rechtbank heeft de boetes gematigd tot respectievelijk € 250, € 2.200, € 1.100 en € 2.300 in verband met het feit dat de boetegrondslag is bepaald met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Ook zijn de boetes over 2008 t/m 2011 gematigd met 10% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen aanleiding de boetes verder te matigen en acht de opgelegde boetes passend en geboden.

Gerechtshof Den Bosch 19 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:201

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:201

Rechtbank ziet geen aanleiding vergrijpboetes te matigen vanwege niet onderbouwde financiële omstandigheden

Aan belanghebbende, een VOF die wordt gedreven door vennoten A en B, zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2011 en 2012. Voorts zijn over de jaren 2011 en 2012 vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 1.497 en € 1.340.

Belanghebbende exploiteert een schoonmaakbedrijf, een klusbedrijf en een tuintechnisch adviesbureau. Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld. Daaruit is gebleken dat de aangiften omzetbelasting, die door de vennoten zelf is ingediend, niet aansluiten met de aangetroffen bescheiden. Vennoot B heeft verklaard dat hij de nodige privé problemen had en om die reden de aangiften zo invulde dat er geen omzetbelasting afgedragen hoefde te worden. Om die reden heeft de inspecteur vergrijpboetes van 25% opgelegd ter zake van grove schuld.

In geschil is of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Belanghebbende stelt dat geen boekhouder is ingeschakeld vanwege financiële redenen. De Rechtbank is van oordeel dat een beroep op financiële omstandigheden (ten tijde van de verweten gedragingen) slechts in bijzondere gevallen aanleiding kan zijn om tot matiging van de boete over te gaan. Het (zakelijke) karakter van de belasting kan daarbij een rol spelen. Zo zal er naar het oordeel van de Rechtbank niet snel reden zijn de boete te matigen bij niet of niet binnen de termijn afgedragen loonbelasting of omzetbelasting. De enkele stelling van belanghebbende, dat zij vanwege financiële omstandigheden geen boekhouder heeft ingeschakeld, kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet tot de conclusie leiden dat haar geen opzet kan worden verweten ten aanzien van het niet voldoen van de verschuldigde omzetbelasting.

Voor zover er al sprake zijn van financiële omstandigheden die een matiging van de boeten tot gevolg zou moeten hebben, dan heeft de inspecteur naar het oordeel van de Rechtbank hiermee reeds voldoende rekening gehouden door geen boetes van 50% op te leggen maar boetes van 25%.

De Rechtbank laat de opgelegde vergrijpboetes in stand.

Rechtbank Gelderland 14 juli 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4524

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:4524

Fiscaal adviseur beboet voor eigen ondeugdelijke balans en winst- en verliesrekening

Aan belanghebbende, een fiscaal adviseur, zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2012 en 2013. Over het jaar 2012 is voorts een vergrijpboete opgelegd van € 148 en over het jaar 2013 een vergrijpboete van € 1.395.

Belanghebbende handelt onder de naam ‘formulierenman’. Belanghebbende geeft fiscale adviezen aan particulieren, vult belastingaangiften in en voert bezwaar- en beroepsprocedures. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende geen juiste balans en winst- en verliesrekening heeft samengesteld. Ook heeft hij een schenking ontvangen van een zakelijke relatie en deze ten onrechte niet meegerekend als bedrijfsopbrengst. De inspecteur heeft daarom correcties toegepast en boetes opgelegd.

In geschil is onder meer of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de navorderingsaanslag 2012 in verband met nog in aanmerking te nemen niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek moet worden verminderd tot nihil, en dat de vergrijpboete over 2012 daardoor moet worden vernietigd.

Ten aanzien van het jaar 2013 acht de inspecteur grove schuld bij belanghebbende aanwezig en heeft daarom een vergrijpboete van € 1.395 opgelegd, welke na bezwaar is gematigd tot € 558.

Naar het oordeel van het Hof faalt het betoog van belanghebbende dat geen sprake is van grove schuld. Vaststaat immers dat belanghebbende ondernemer is en zich beroepsmatig heeft beziggehouden met onder meer het verzorgen van belastingaangiften voor derden. Het is dan aan belanghebbende een deugdelijke winst- en verliesrekening te maken. Gelet op de aanzienlijke correctie van € 16.950 op basis van dezelfde administratie is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een deugdelijke winst- en verliesrekening.

Het Hof is van oordeel dat, mede gelet op belanghebbendes ondernemerschap en professie, sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid aan de zijde van belanghebbende. De inspecteur heeft derhalve bewezen dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende. Het Hof acht de – na bezwaar – gematigde vergrijpboete van € 558 passend en geboden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:885

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:885

FIOD houdt man aan die volgens OM deed alsof hij in het buitenland woonde en daardoor te weinig inkomstenbelasting betaalde

Het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie heeft een nieuwsbericht doen uitgaan waaruit volgt dat de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke belastingfraude een 67-jarige Leidenaar heeft aangehouden en in dat verband meerdere doorzoekingen heeft verricht. Deze actie zou het gevolg zijn van een samenwerking tussen het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst, de gemeente Leiden, de politie en de FIOD.

Het vermoeden is gerezen dat de verdachte over enkele jaren geen, althans te weinig, inkomstenbelasting heeft betaald door te doen voorkomen alsof hij in het buitenland woonachtig was terwijl hij in werkelijkheid in Nederland zou wonen. Het belastingnadeel wordt geschat op vele tonnen. Ook zou de verdachte hebben gefraudeerd met btw bij de aanschaf van auto’s voor een bedrag van ongeveer € 30.000.

Daarnaast wordt de 67-jarige man verdacht van ambtsdwang vanwege het door dreiging onder druk zetten van ambtenaren en adresfraude. Ook zouden er meerdere meldingen van bedreiging en vernieling bekend zijn en zou de man met regelmaat de bouwregelgeving overtreden door onder andere te (ver)bouwen zonder vergunning.

Er is onder meer beslag gelegd op een Rolls Royce, onroerend goed en administratie. Het onderzoek wordt de komende tijd voortgezet, aldus het Functioneel Parket.

Nieuwsbericht Openbaar Ministerie 29 januari 2018, Leidenaar aangehouden voor belastingfraude

https://www.om.nl/actueel/nieuwsberichten/@101965/leidenaar/

FIOD doorzoekt woning en bedrijfspand na signaal van de Belastingdienst

Uit een nieuwsbericht op de website van de FIOD volgt dat de FIOD een woning en een bedrijfspand heeft doorzocht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar vermoedelijke belastingfraude. Het onderzoek staat onder leiding van het Functioneel Parket.

Het strafrechtelijk onderzoek zou zich richten op een 45-jarige man uit Naarden. Hij zou ervan worden verdacht onjuiste aangiften omzetbelasting te hebben ingediend. Ook luidt het vermoeden dat de verdachte niet tijdig de aangiften inkomstenbelasting over 2015 en 2016 heeft ingediend.

De verdachte heeft niet willen meewerken aan een boekenonderzoek van de Belastingdienst. Ook heeft de verdachte na verzoeken van de fiscus geen administratie willen laten zien. Het nadeel wordt geschat op € 120.000. Het strafrechtelijk onderzoek is gestart naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst.

FIOD 31 januari 2018, Doorzoeking in onderzoek naar belastingfraude 

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/fiod/nieuws/doorzoeking-in-onderzoek-naar-belastingfraude