Van Fiscaal sanctierecht

2,5 jaar celstraf voor verdachte die Belastingdienst heeft opgelicht door ten onrechte en op grote schaal kinderopvangtoeslagen aan te vragen

Aan verdachte is (onder meer) tenlastegelegd dat zij (op grote schaal) de Belastingdienst heeft opgelicht door voor haarzelf en anderen kinderopvangtoeslag aan te vragen en te ontvangen, terwijl zij daar geen recht op hadden.

Het Hof acht bewezen dat verdachte de Belastingdienst voor € 542.000 heeft opgelicht door ten onrechte bedragen aan kinderopvangtoeslag te claimen. Verdachte heeft naar het oordeel van het Hof bij de mede door de andere betrokkenen gepleegde fraude een initiërende rol gespeeld, waarna zij van de aan die anderen ten onrechte uitgekeerde toeslagen een substantieel deel opeiste en ontving. Deze anderen zijn, toen de Belastingdienst de ten onrechte uitbetaalde toeslagen van hen terugvorderde (voor het volledige bedrag, dus inclusief het door hen destijds aan verdachte doorbetaalde gedeelte) in ernstige financiële problemen gekomen waarvoor verdachte geen (financiële) verantwoordelijkheid heeft genomen.

Voorts heeft verdachte naar het oordeel van het Hof gedurende een lange periode en vele male valsheid in geschrift gepleegd en een op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden, waarna zij ook nog in de beroepsprocedure Kinderopvangtoeslag bij de Rechtbank valse facturen heeft ingediend. Daarnaast heeft zij de aan haar uitbetaalde toeslag naar eigen inzicht besteed, waarmee zij zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de door haar uit misdrijf verkregen geldbedragen.

Ten aanzien van de strafmaat weegt het Hof mee dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen waardoor niet alleen de samenleving voor meer dan een half miljoen euro is benadeeld, maar waardoor ook de andere betrokkenen in ernstig financiële problemen zijn geraakt wat er ook zij van hun aandeel in dit verwijtbaar strafrechtelijk handelen.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden.

Gerechtshof Amsterdam 1 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4403

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4403

12 maanden celstraf voor belastingadviseur die eigen aangiften opzettelijk onjuist indiende

Aan verdachte, een belastingadviseur, is (onder meer) tenlastegelegd dat hij (als feitelijk leidinggever) belastingfraude heeft gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffingen in te dienen.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat het nadeel voor de Belastingdienst inmiddels ongedaan is gemaakt. Verdachte is bovendien door de Belastingdienst 5 jaar geweigerd als gemachtigde, hetgeen tot uitdrukking zou moeten worden gebracht in de strafmaat. Ook wordt verzocht om geen beroepsverbod op te leggen, nu dat gelet op een eerder opgelegde bestuursrechtelijke maatregel ‘dubbelop’ is. Verdachte heeft (ter zitting) verklaard dat hij sinds zijn aanhouding alles is kwijtgeraakt. Verdachte zou naar eigen zeggen inmiddels € 800.000 hebben betaald aan de Belastingdienst, terwijl het benadelingsbedrag slechts € 180.000 zou bedragen.

Het Hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte gedurende een langere periode leiding heeft gegeven aan de gedraging dat er onjuiste belastingaangiften zijn gedaan en een gebrekkige administratie is gevoerd, wat geleid heeft tot een aanzienlijke benadeling van de Staat.

Het betreft daarbij meerdere vennootschappen waar verdachte volgens het Hof verantwoordelijk was voor de financiële en administratieve gang van zaken. De Belastingdienst dient erop te kunnen vertrouwen dat de aangiften duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschieden. Verdachte heeft het in hem als ondernemer gestelde vertrouwen op ernstige wijze misbruikt en van dit stelsel op grove wijze geprofiteerd. Dit klemt te meer nu verdachte werkzaam was als belastingadviseur en van hem verwacht mocht worden dat hij het belang van het voeren van een volledige en juiste administratie en het doen van tijdige en correcte belastingaangiften inziet, en overeenkomstig handelt.

Daarnaast heeft verdachte naar het oordeel van het Hof misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming. Dat is naar het oordeel van het Hof bijzonder verwijtbaar, waar het gaat om een belastingadviseur, van wie een hoge mate van integriteit mag worden verwacht. Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat het nadeel geheel ongedaan is gemaakt, oordeelt het Hof dat op geen enkele wijze is onderbouwd welke ambtshalve opgelegde aanslagen op de overgelegde betalingen zien en welke bedragen/aanslagen ten onrechte zouden zijn opgelegd.

Nu de tenlastegelegde feiten zien op verdachtes eigen administratie en dus niet zijn gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, ziet het Hof geen grond om een beroepsverbod op te leggen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9796

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9796

Inspecteur maakt niet aannemelijk dat onredelijke vertraging die tot matiging boete leidde aan belanghebbende moet worden toegerekend

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2007 opgelegd met een vergrijpboete van € 33.874. Voorts is over het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd met een vergrijpboete van € 7.434.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Belanghebbende handelt in vlees en heeft ossenhaas ingekocht bij leverancier X. De inspecteur heeft naar aanleiding van een boekenonderzoek vastgesteld dat de gegevens op de facturen die van X afkomstig zijn niet (geheel) kloppen. Zo klopte het KvK-nummer, het bankrekeningnummer en het telefoonnummer niet en kwam de handelsnaam niet voor in het Handelsregister. Om die reden heeft de inspecteur een gedeelte van de inkopen gecorrigeerd en nagevorderd.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, door uit te gaan van de gegevens op de vervalste facturen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

De Rechtbank heeft de boete gematigd met 15% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen dit oordeel is de inspecteur in hoger beroep opgekomen. Een deel van de termijnoverschrijding moet, volgens de inspecteur, aan belanghebbende worden toegerekend.

Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor een deel van de vertraging aan belanghebbende moet worden toegerekend. Naar het Hof begrijpt doet de inspecteur een beroep op deze bijzondere omstandigheden en legt daaraan ten grondslag dat belanghebbende diverse keren om uitstel heeft gevraagd voor het aanleveren van de benodigde gegevens. De inspecteur maakt niet duidelijk welke termijn buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van de termijnoverschrijding.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur niet (duidelijk) heeft onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een deel van de vertraging aan belanghebbende moet worden toegerekend. Dat belanghebbende meerdere malen heeft gevraagd om uitstel voor een reactie op de brief van de inspecteur, brengt naar het oordeel van het Hof niet zonder meer met zich dat de vertraging die daardoor ontstaat aan belanghebbende moet worden toegerekend.

Het Hof acht de hoogte van de boete zoals die door de Rechtbank is vastgesteld, passend en geboden en ziet geen reden om de boete verder te matigen.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 3 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4747

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4747

Fiscale eenheid komt geen beroep op pleitbaar standpunt toe; verzuimboete blijft in stand

Aan de fiscale eenheid A BV en B BV is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 572.527 en een verzuimboete van € 10.127.

Belanghebbende exploiteert een woon-zorgcomplex. Dit complex bevat seniorenwoningen, commerciële ruimten en een parkeergarage. Aan de voorzijde van het complex is een parkeerplaats aangelegd met 88 plaatsen.

Belanghebbende heeft 83% van de parkeerplaatsen tezamen met een appartement in het complex verhuurd. De overige parkeerplaatsen worden verhuurd aan niet-bewoners van het complex. Ten aanzien van de verhuur van de parkeerplaatsen aan bewoners van het complex heeft de fiscale eenheid geen omzetbelasting op aangifte voldaan. Ten aanzien van de verhuur van de parkeerplaatsen aan niet-bewoners heeft de fiscale eenheid wel omzetbelasting op aangifte voldaan. In de naheffingsaanslag is een bedrag begrepen dat de fiscale eenheid in verband met de realisatie van de parkeergarage in aftrek heeft gebracht.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete terecht is opgelegd voor de omzetbelasting die niet op aangifte is voldaan wegens de belaste verhuur van parkeerruimte aan bewoners van het complex. Voor het restant van de verzuimboete beroept belanghebbende zich op een pleitbaar standpunt, namelijk dat zij gelet op een besluit van de staatssecretaris en de akkoordverklaring van de inspecteur redelijkerwijs mocht menen dat de aftrek van de voorbelasting op de bouw van de parkeergarage, op een juiste uitleg van relevante bepalingen berustte.

Het Hof is van oordeel dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is. Uit het besluit kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat het standpunt van belanghebbende juist is, mede gelet op de jurisprudentie van het HvJEU. Daar komt bij dat de akkoordverklaring van de inspecteur zag op een ander complex die belanghebbende exploiteerde en de feiten en omstandigheden op cruciale punten verschillen met elkaar.

Met haar handelwijze – één huurovereenkomst, één huurprijs, geen enkele vermelding van omzetbelasting en kennelijk geen enkele controle – heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof een situatie doen ontstaan waarin wel alle voorbelasting op de bouw van de parkeergarage in aftrek is gebracht, terwijl geen omzetbelasting is voldaan over de verhuur van de parkeerplaatsen aan de bewoners van het complex. Bij de ingebruikneming van de parkeergarage kon en mocht belanghebbende redelijkerwijs niet menen dat de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten in stand kon blijven. De verzuimboete is naar het oordeel van het Hof terecht opgelegd en is passend en geboden (na matiging door de Rechtbank met 25% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9710

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9710

Vergrijpboete van ruim € 600.000 voor verzwegen inkomsten uit aanmerkelijk belang

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting met een vergrijpboete van € 658.202 opgelegd, wegens het niet opgeven van inkomsten uit aanmerkelijk belang in een Duitse vennootschap. In geschil is onder meer of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de voor het opleggen van een vergrijpboete vereiste (voorwaardelijk) opzet ontbreekt. Hoewel belanghebbende tijdens de aandeelhoudersvergadering heeft ingestemd met de verkoop voor minimaal € 35 miljoen zou belanghebbende zich er niet van bewust zijn geweest dat op het moment van de overdracht, 22 juni 2005, de waarde van de aandelen was toegenomen. Uit geen enkel stuk zou blijken dat belanghebbende wetenschap had van het bestaan van een potentiële koper voor de aandelen. De adviseur van belanghebbende heeft desgevraagd aangegeven dat de aandelen in de Duitse vennootschappen tegen de nominale waarde kunnen worden overgedragen aan X. Uit het feit dat de akte is gepasseerd op 22 juni 2005 zou bovendien blijken dat belanghebbende al eerder de aandelen aan X wilde verkopen. Toen had belanghebbende zich al gerealiseerd dat hij de aandelen in de Duitse vennootschappen per ongeluk in privé had gekocht, hetgeen belanghebbende wilde corrigeren.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust was dat de verkochte aandelen ten tijde van de verkoop aan X aanmerkelijk meer waard waren dan de nominale waarde. Zelfs als belanghebbende al niet op de hoogte was van de biedingen die zijn gedaan, dan wist hij naar het oordeel van het Hof in elk geval van de beoogde verkoopprijs van € 35 miljoen zoals besproken tijdens de aandeelhoudersvergadering. Het Hof acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich realiseerde dat hij door de verkoop van die aandelen inkomen uit aanmerkelijk belang genoot, ook al was de bedongen verkoopprijs gelijk aan de verkrijgingsprijs.

Door toch in zijn aangifte geen inkomen uit aanmerkelijk belang te verantwoorden, is het naar het oordeel van het Hof aan de opzet van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting werd geheven. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zijn adviseur hem zou hebben geadviseerd de aandelen over te dragen tegen de nominale waarde, maar over dat advies is niets komen vast te staan en evenmin is aannemelijk geworden dat belanghebbende zijn adviseur volledig zou hebben geïnformeerd. Nu het Hof echter aannemelijk acht dat belanghebbende wist dat hij met de overdracht van de aandelen inkomen uit aanmerkelijk belang zou genieten, doet het advies van de adviseur niet af aan het opzet van belanghebbende.

De Rechtbank heeft de vergrijpboete verminderd tot € 601.952 in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen aanleiding de boete verder te matigen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9205

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9205

Internationaalrechtelijke regelgeving staat niet in de weg aan opleggen boete na wijziging wetgeving inzake de inkeerregeling

Belanghebbende heeft op 29 december 2014 alsnog vrijwillig opgave gedaan van zijn buitenlandse vermogen over de jaren 2003 tot en met 2013. In geschil is of de boetes over de tijdvakken tot 30 juni 2009 terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen vergrijpboetes over deze tijdvakken kunnen worden opgelegd nu dit in strijd is met artikel 7 van het EVRM en artikel 15 van het IVBPR. Ten tijde van het begaan van de beboetbare feiten luidde de inkeerregeling zo, dat geen vergrijpboete zou worden opgelegd. Pas later is de bepaling – ten nadele van belanghebbende – gewijzigd.

De Rechtbank is van oordeel dat voorop moet worden gesteld dat bij de wetgever geen sprake is van gewijzigd inzicht met betrekking tot de strafwaardigheid of de strafbaarstelling van het doen van een opzettelijk onjuiste aangifte. Evenmin is sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot de hoogte van de boete die ter zake kan worden opgelegd. De wijziging betreft alleen de inkeerregeling en dan in het bijzonder de termijn waarbinnen de belastingplichtige gelegenheid heeft om zichzelf te corrigeren zonder dat een vergrijpboete volgt.

De Rechtbank is van oordeel dat ingeval zou worden ingekeerd vóór de versobering van een algemene inkeerregeling, het EVRM zich ertegen zou verzetten dat onmiddellijke werking van die versobering zou meebrengen dat een zwaardere straf zou worden opgelegd dan mogelijk was op basis van de inkeerregeling die gold op het moment van inkeer. Bij belanghebbende vindt de inkeer echter plaats ná de wijziging van de inkeerregeling en na de daarbij gegeven overgangstermijn. Belanghebbende wist, althans moet naar het oordeel van de Rechtbank hebben geweten, dat het inkeren volgens de nieuwe inkeerregeling na het verstrijken van de daarbij gegeven overgangstermijn niet meer straffeloos zou kunnen. Internationaalrechtelijke bepalingen verzetten zich dan ook niet tegen de keuze van de wetgever om in een dergelijk geval de nieuwe inkeerregeling van toepassing te achten.

De Rechtbank is van oordeel dat de boete passend en geboden is gelet op de ernst van het gepleegde vergrijp en de omstandigheden van het geval. De Rechtbank constateert evenwel ambtshalve dat de bestreden boete dient te worden verminderd in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 oktober 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:7049

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:7049

Verdachte in paardenbranche aangehouden door FIOD

De FIOD heeft – blijkens een persbericht van de Belastingdienst – een springruiter aangehouden die ervan wordt verdacht onjuiste belastingaangiften te hebben gedaan en een onjuiste administratie te hebben gevoerd. Zijn echtgenote wordt eveneens als verdachte gehoord in het onderzoek.

Ook de belastingadviseur die de aangiften heeft ingediend is in dit onderzoek als verdachte aangemerkt. De verdenking tegen de belastingadviseur luidt volgens het persbericht dat hij zou hebben meegewerkt aan de onjuiste en onvolledige aangiften van de verdachte.

Het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD zou gestart zijn na een boekenonderzoek van de Belastingdienst, waaruit zou zijn gebleken dat er een aanzienlijk verschil is tussen de administratieve voorraad paarden en de voorraad die de verdachte heeft opgegeven in zijn aangiften. Uit het onderzoek in de administratie over de jaren 2011 tot en met 2015 zou naar voren zijn gekomen dat er meer paarden zijn verkocht dan er aan omzet is geboekt. Het vermoeden is gerezen dat de verdachte op deze wijze € 850.000 te weinig aan belasting heeft betaald.

Het persbericht meldt tevens dat naast de FIOD ook de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) doorzoekingen heeft uitgevoerd in verband met een ander strafrechtelijk onderzoek naar fraude met exportcertificaten en veterinaire keuringsbewijzen.

Nieuwsbericht FIOD 9 november 2017, Doorzoekingen en aanhouding in paardenbranche

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/fiod/nieuws/doorzoekingen-en-aanhouding-in-paardenbranche

FIOD start (reeks) strafrechtelijke onderzoeken naar zwartspaarders

Uit een persbericht van de FIOD is gebleken dat er meerdere doorzoekingen zijn gedaan in strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende zwartspaarders. Het zou gaan om een man en twee broers die worden verdacht van het niet verstrekken van informatie aan de Belastingdienst en het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting.

Het bericht luidt dat de Belastingdienst in 2015 een groepsverzoek heeft gedaan aan de Zwitserse overheid inzake een Zwitserse bank. Dit verzoek strekte ertoe om gegevens in handen te krijgen van een bepaalde groep Nederlandse rekeninghouders die klant zijn bij die Zwitserse bank. De Belastingdienst heeft van de Zwitserse overheid informatie ontvangen en vervolgens inlichtingen gevraagd bij de verdachten. De verdachten zouden niet hebben voldaan aan de verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken alsmede het banksaldo niet (volledig) hebben opgegeven in de aangiften waardoor onjuiste aangiften inkomstenbelasting zouden zijn gedaan.

De FIOD heeft van de Belastingdienst gegevens ontvangen van de Nederlanders die weigeren om de gevraagde informatie te verstrekken en onjuiste aangifte inkomstenbelasting zouden hebben gedaan.

Met deze twee strafrechtelijke onderzoeken zou de FIOD – blijkens het persbericht – een start hebben gemaakt in een reeks strafrechtelijke onderzoeken naar Nederlanders die weigeren om desgevraagd inlichtingen te verschaffen aan de Belastingdienst over hun buitenlandse vermogen.

Nieuwsbericht FIOD 7 november 2017, FIOD start onderzoeken naar Nederlanders die geen informatie verstrekken over buitenlands vermogen

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/fiod/nieuws/fiod-start-onderzoeken-naar-nederlanders-die-geen-informatie-verstrekken-over-buitenlands-vermogen

Vergrijpboetes voor ondernemer die Belastingdienst als bank heeft gebruikt

De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting. Daaruit is gebleken dat facturen door belanghebbende later werden geboekt dan het moment waarop de facturen zijn uitgereikt. Hierdoor is er omzetbelasting verschoven naar een later tijdvak. Ter zake van deze verschuivingen heeft de inspecteur aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd van 30%, waarbij als straf verminderende omstandigheid is meegenomen dat er alleen een verschuiving heeft plaatsgevonden en per saldo op jaarbasis bezien wel de juiste bedragen aan omzetbelasting zijn betaald.

Het Hof hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende dat er willens en wetens is overgegaan tot het boeken van facturen op een later moment met het oog op liquiditeitsproblemen ten einde de omzetbelasting later te hoeven voldoen. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat belanghebbende opzet heeft gehad op het niet betalen van omzetbelasting binnen de in de belastingwet gestelde termijnen.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zelf de facturen te laat heeft geboekt om aldus de in rekening gebrachte omzetbelasting ook later te kunnen betalen. De stelling van belanghebbende dat de adviseur van belanghebbende, welke voor deskundig kan worden geacht, online de administratie van belanghebbende kon raadplegen doet aan het opzet van belanghebbende niet af.

Ten aanzien de door belanghebbende aangevoerde financiële omstandigheden, overweegt het Hof dat de belastingschulden van ruim € 100.000 niet in aanmerking kunnen worden genomen als straf verminderende omstandigheid, omdat deze schulden grotendeels de niet betaalde loonheffingen over het salaris van de directeur betreffen. Het niet betalen van belastingschulden kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vermindering van boeten die zijn opgelegd omdat andere belastingschulden te laat zijn betaald. Anders zou volgens het Hof de vreemde situatie ontstaan dat een belanghebbende door het niet betalen van belastingschulden een vermindering van boeten, die zijn opgelegd voor het te laat betalen van andere belastingschulden, zou kunnen bewerkstelligen. De belastingschulden van € 100.000 zijn dan ook eerder strafverzwarend dan straf verminderend. Ook de overige financiële omstandigheden leiden naar het oordeel van het Hof niet tot een straf verminderende omstandigheid.

Voorts is het Hof van oordeel dat de solvabiliteit van belanghebbende niet in de weg staat aan boetes tot een totaalbedrag van € 16.998 en dat dit totaalbedrag proportioneel is. Het Hof twijfelt niet aan het betoog van belanghebbende dat zij ernstig heeft geleden onder de economische crisis. Echter is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat belanghebbende de Belastingdienst kennelijk als bank is gaan gebruiken een verboden gedraging vormt die beboet dient te worden.

Het Hof acht de boetes van elk 30% passend en geboden.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 12 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4423

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4423

Verrichte werkzaamheden werden ten onrechte betaald als ‘donatie’ aan de stichting

Verdachte wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen en als feitelijk leidinggever van een stichting valsheid in geschrift en belastingfraude te hebben gepleegd.

Verdachte heeft zich naar het oordeel van de Rechtbank schuldig gemaakt aan (dan wel opdracht geven tot) het plegen van valsheid in geschrift en belastingfraude. De stichting, waarvan verdachte feitelijk leidinggever is, heeft de administratie valselijk opgemaakt door in de administratie een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties waren gedaan aan de stichting. De betalingen die aan de stichting zijn gedaan bleken in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van verrichte werkzaamheden.

Verdachte adviseerde zijn klanten betalingen te doen in de vorm van een donatie en deze zogenaamde ‘gift’ als aftrekpost op te voeren in de aangifte inkomstenbelasting. Aangezien het in werkelijkheid niet ging om een gift, hadden deze klanten geen recht op een belasting teruggave. Door de handelwijze van verdachte is er dan ook ten onrechte te weinig inkomstenbelasting geheven. De stichting maakte ook geen facturen op waardoor er eveneens geen omzetbelasting werd afgedragen over de verrichte werkzaamheden.

Verdachte is reeds eerder twee keer veroordeeld wegens frauduleus handelen, hetgeen de Rechtbank verdachte zwaar aanrekent. De Rechtbank gaat uit van een benadelingsbedrag van € 289.939. Ook neemt de Rechtbank mee dat verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan witwassen en in ruim 179 gevallen bewezen is verklaard dat sprake is geweest van frauduleus handelen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Rechtbank Oost-Brabant 31 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5668

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2017:5668