Categorie: Fiscaal sanctierecht

Blog: Het belang van het benadelingsbedrag bij fraudedelicten

Indien er een vermoeden bestaat dat een fraudedelict is begaan, zal de FIOD bij zijn onderzoek in beginsel nagaan of de Staat door het handelen of nalaten van de verdachte financieel nadeel heeft geleden. Er wordt dan op basis van de uitkomsten van het onderzoek een nadeelberekening gemaakt. Als de zaak vervolgens op zitting komt, vormt dat benadelingsbedrag doorgaans voor het Openbaar Ministerie een belangrijk uitgangspunt bij de formulering van de strafeis. Bij het formuleren van de strafeis neemt de Officier van Justitie (doorgaans) de oriëntatiepunten uit het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de zogenaamde LOVS-richtlijnen) in aanmerking. De feitenrechter kan het door het Openbaar Ministerie gestelde nadeel vervolgens ook in het kader van de straftoemeting in aanmerking nemen. Het belang van het benadelingsbedrag volgt direct uit het gegeven dat de feitenrechter (mede) aan de hand van de hoogte van dit bedrag de soort en de duur van de op te leggen straf kan bepalen. De feitenrechter zal in dat verband evenwel niet ‘zomaar’ de straf bepalen, maar neemt daarvoor in de praktijk eveneens de LOVS-richtlijnen als uitgangspunt.[i]

In deze LOVS-richtlijnen zijn (onder meer) categorische indelingen gemaakt voor de benadelingsbedragen die voortkomen uit fraudedelicten enerzijds en de specifieke straftoemeting in dat verband anderzijds. Zo kom je bij een benadelingsbedrag tussen de € 10.000 tot € 70.000 al snel uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen twee en vijf maanden of een taakstraf.[ii] Naast deze indelingen wordt er eveneens een aantal strafvermeerderende en -verminderende omstandigheden genoemd. Te denken valt aan de duur van de gedraging, de mate waarin het ontstane nadeel ongedaan is gemaakt en of de verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf (zoals bijvoorbeeld een belastingadviseur). Hoewel in de strafpraktijk door de feitenrechters dus wordt aangesloten bij deze oriëntatiepunten, vormen deze formeel geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO. Dit betekent dat de feitenrechter dus niet gebonden is aan de oriëntatiepunten en dat de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden. Daarnaast betekent dit dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de onjuiste toepassing daarvan, maar dat ‘slechts’ kan worden getoetst of de uitleg van die oriëntatiepunten en de toepassing daarvan door het Hof begrijpelijk is.[iii]

In een recente zaak die werd voorgelegd aan de Hoge Raad van 13 maart 2018 stond de begrijpelijkheid van de motivering van Hof Amsterdam met betrekking tot de hoogte van het gestelde benadelingsbedrag centraal.[iv] Deze uitspraak is van groot belang omdat hieruit volgt dat met een summiere motivering ten aanzien van de hoogte van het benadelingsbedrag in beginsel kan worden volstaan.

In deze zaak heeft het Hof overwogen dat de verdachte een bedrag van ongeveer € 510.000 heeft uitgegeven, waarvan de herkomst niet door legale inkomsten kan worden verklaard en dat het bedrag in ieder geval voor een deel afkomstig is uit misdrijf, namelijk belastingfraude. Het Hof heeft deze gedraging(en) gekwalificeerd als gewoontewitwassen, en zocht voor de strafoplegging aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude. Het Hof is daarbij uitgegaan van een benadelingsbedrag van ‘ongeveer € 500.000’. Voorts heeft het Hof bij de strafoplegging in strafverzwarende zin betrokken dat de verdachte zich gedurende een zeer lange periode heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen en dat hij bovendien zijn inkomsten niet heeft opgegeven aan de instantie waarvan hij zijn WAO-uitkering ontving. Gelet op het voorgaande heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Nu het Hof volgens de Hoge Raad in zijn overwegingen heeft betrokken dat niet het gehele bedrag van € 510.000 afkomstig was uit misdrijf en dat het Hof daarnaast enkele strafverzwarende factoren heeft betrokken bij de straftoemeting, acht de Hoge Raad het oordeel van het Hof om aansluiting te zoeken bij ‘een benadelingsbedrag van ongeveer € 500.000’ niet onbegrijpelijk.

Ten aanzien van deze benadering van het Hof en de Hoge Raad valt evenwel het een en ander op te merken, met name met betrekking tot de zorgvuldigheid waarmee het benadelingsbedrag van € 500.000 is bepaald. Zoals de AG in dit kader naar onze mening terecht heeft aangestipt,[v] kan de enkele omstandigheid dat een bewezenverklaring is gevolgd ter zake van gewoontewitwassen van een bedrag van € 500.000 namelijk (nog) niet één op één betekenen dat de geldbedragen die voorwerp waren van het witwassen ook daadwerkelijk kunnen worden aangemerkt als benadelingsbedragen. Zo oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld al eerder dat geldbedragen die het voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf ‘witwassen’ vormden, niet reeds daardoor als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt.[vi]  In dat kader zij benadrukt dat het Hof in deze zaak juist uitdrukkelijk heeft overwogen dat een deel van het bedrag van € 500.000 uit legale inkomsten zou bestaan, waardoor het benadelingsbedrag in deze specifieke fraudezaak feitelijk slechts uit een schatting bestaat.

Wanneer er – zoals in het onderhavige geval – door de feitenrechter een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, is het opportuun dat de strafoplegging van een valide en inzichtelijke argumentatie wordt voorzien. Daarbij zou de feitenrechter ten minste concreet aandacht dienen te besteden aan de vraag waar het benadelingsbedrag precies uit bestaat, zodat kan worden voorkomen dat hierin bedragen worden meegenomen die in beginsel niet als ‘nadeel’ kunnen c.q. mogen worden gekwalificeerd.

Nu uit deze uitspraak lijkt te volgen dat de feitenrechter kan volstaan met een ruwe schatting, is er voor de verdediging een grotere rol weggelegd om proactief (met de verdachte) te onderzoeken of de hoogte van het gestelde nadeel wel juist is en de hoogte van de berekeningen – indien nodig – uitdrukkelijk en gemotiveerd te betwisten. Daarbij zij opgemerkt dat het (on)zorgvuldig vaststellen van de hoogte van het nadeel ook van groot belang kan zijn wanneer het een verdenking van artikel 69 AWR betreft, omdat de hoogte van het nadeel in dat verband direct is gekoppeld aan de maximumstraf.[vii] Nu het gestelde nadeel grote gevolgen kan hebben voor de strafoplegging, kan de waarde van een goed onderbouwd verweer over de hoogte van dat nadeel moeilijk worden overschat.

 

[i]               Rb Midden-Nederland 19 maart 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:1355).

[ii]              https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Orientatiepunten-en-afspraken-LOVS.pdf

[iii]             HR 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2067).

[iv]             HR 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:320).

[v]              Conclusie F.W. Bleichrodt van 30 januari 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:66).

[vi]             HR 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5217).

[vii]            Rb Gelderland  28 augustus 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:6219).

Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor accountant die opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting indiende

Aan verdachte, accountant/administratieconsulent, is tenlastegelegd dat zij – meermaals – opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat verdachte gebruik heeft willen maken van de inkeerregeling door tijdig suppletieaangiften in te dienen, overweegt het Hof dat uit het dossier is gebleken dat de suppletieaangiften op 4 juni 2013 bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Uit een e-mailbericht van een controlemedewerker van de Belastingdienst van 14 mei 2013 is gebleken dat er telefonisch contact met verdachte is geweest waarbij een boekenonderzoek werd aangekondigd. Verdachte, die toen accountant/administratieconsulent was en daartoe een opleiding heeft gevolgd, had derhalve reeds op 14 mei 2013 de wetenschap dat een boekenonderzoek zou worden ingesteld. Een beroep op de inkeerregeling faalt derhalve en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van de bewijsvoering overweegt het Hof dat verdachte heeft verklaard dat zij over de periode 2008 tot en met 2012 op de aangiften omzetbelasting niet het juiste bedrag heeft ingevuld. Zij heeft in die periode een te laag bedrag op de aangiften ingevuld, omdat zij het bedrag dat zij aan de Belastingdienst was verschuldigd, niet kon voldoen. Daarmee staat naar het oordeel van het Hof vast dat verdachte opzettelijk de aangiften omzetbelasting onjuist heeft ingediend.

Het Hof rekent het verdachte aan dat zij deze strafbare feiten heeft gepleegd terwijl zij als accountant/administratieconsulent werkzaam was. Door haar handelen heeft verdachte het vertrouwen in de financiële sector ernstig geschaad en heeft zij bewerkstelligd dat bij haar voor ruim € 50.000 te weinig belasting werd geheven. Verder neemt het Hof in aanmerking dat verdachte nooit eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.

Alles afwegende veroordeelt het Hof verdachte tot een taakstraf van 160 uur een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. 

Gerechtshof Amsterdam 19 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5616

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5616

Onzorgvuldig handelen van ontvanger leidt tot vernietiging van verzuimboetes

De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen omzetbelasting en loonheffingen opgelegd. Ook heeft de inspecteur verzuimboetes opgelegd, omdat belanghebbende de verschuldigde bedragen aan omzetbelasting en loonheffingen niet (tijdig) heeft betaald.

In geschil is of de inspecteur terecht verzuimboetes heeft opgelegd vanwege het niet (tijdig) betalen van de omzetbelasting en loonheffingen. Daarbij is met name van belang of het handelen van de ontvanger ertoe heeft geleid dat het voor belanghebbende onmogelijk was tijdig te betalen.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de beslagen die de ontvanger in december 2016 heeft gelegd haar bedrijfsvoering zeer ernstig hebben bemoeilijkt. De ontvanger zou volgens belanghebbende bovendien onrechtmatig beslagen hebben gelegd.

De Rechtbank stelt voorop dat het gaat om verzuimboetes en daarvoor in de regel niet is vereist dat belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt van het te laat betalen. Een boete is in beginsel gerechtvaardigd, tenzij sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas).

Toch vindt de Rechtbank een boete onder de gegeven omstandigheden niet passend en geboden. Belanghebbende heeft eind januari telefonisch en schriftelijk een concreet betalingsvoorstel aan de ontvanger gedaan. Zij mocht naar het oordeel van de Rechtbank een reactie daarop afwachten. In die reactie heeft de ontvanger niet alleen het voorstel afgewezen, maar ook aangekondigd dat hij het faillissement van belanghebbende zou aanvragen, waarna belanghebbende voor een keuze stond. Belanghebbende was immers niet in staat om op korte termijn alle vorderingen van de Belastingdienst te betalen, gelet op de hoogte daarvan. Belanghebbende heeft er daarom voor gekozen zoveel mogelijk steunvorderingen te betalen, zodat een faillissement afgewend zou worden. Deze keuze heeft ook geleid tot afwijzing van het faillissementsverzoek. Het is derhalve – naar het oordeel van de Rechtbank – de Belastingdienst zelf, in de persoon van de ontvanger, die met de aanvraag van het faillissement heeft bewerkstelligd dat belanghebbende deze keuze heeft gemaakt, welke – gegeven de omstandigheden – ook alleszins redelijk was. Onder dergelijke specifieke omstandigheden is het opleggen van een boete naar het oordeel van de Rechtbank niet passend en geboden en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De Rechtbank vernietigt – voor zover tijdig bezwaar was gemaakt – de verzuimboetes.

Rechtbank Gelderland 12 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1660

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1660

Hof acht boete van 100% in beginsel passend en geboden voor het gebruik van afroommodule

Belanghebbende exploiteert een oriëntaals restaurant en maakt gebruik van het Yitong kassasysteem, waarmee via een speciaal programma op een USB-stick omzet kan worden verwijderd uit het kassasysteem. Op basis daarvan heeft de inspecteur (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd over de jaren 2011 en 2012. Eveneens heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd van 100%.

Het Hof acht aannemelijk dat er aanzienlijke bedragen bewust niet zijn aangegeven, in aanmerking genomen dat een afroommodule bewust wordt gebruikt om omzet en winst buiten de boeken te houden. Door deze omzet en winst niet in de aangiften te vermelden, is het aan belanghebbende te wijten dat de volgens de aangiften verschuldigde IB/PVV, zowel absoluut als relatief, aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dit brengt mee dat de bewijslast in zoverre wijzigt, dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat de navorderingsaanslagen onjuist zijn.

Gelet op de wijze waarop de afroommodule is gebruikt, het verwijderen van een deel van de omzet uit de administratie via de afroommodule op de USB-stick en het vervolgens baseren van het aangegeven inkomen op die administratie, acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet geheven zou worden, althans dat hij willens en wetens de reële kans daartoe heeft aanvaard. Het is dan ook aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. De vergrijpboetes zijn daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.

Ingevolge het boetebeleid kan de ernst van de te beboeten gedraging aanleiding geven de boete te verhogen tot maximaal 100%. Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Met de inspecteur is het Hof van oordeel dat sprake is van listigheid doordat belanghebbende omzet heeft verzwegen door gebruik te maken van een speciale afroommodule op een USB-stick. In beginsel acht het Hof de boete van 100% dan ook passend en geboden. In de omstandigheid dat de grondslag van de boeten is vastgesteld met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast ziet het Hof evenwel aanleiding om de boeten te matigen met 20%, tot € 26.535 over 2011 en € 36.890 over 2012.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1284

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1284

Inspecteur moet uiterste betaaldatum motorrijtuigenbelasting kenbaar maken aan een belastingplichtige

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd met een verzuimboete van € 158.

De Rechtbank heeft in eerste aanleg de verzuimboete vernietigd, nu de inspecteur niet aannemelijk heeft kunnen maken dat aan belanghebbende een zogenoemde ‘rekening motorrijtuigenbelasting’ was verzonden. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is onder meer in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. 

De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst niet de verplichting aan de inspecteur oplegt om een ‘rekening motorrijtuigenbelasting’ te verzenden. Het Hof overweegt dat – gelet op dit besluit – aan belanghebbende een uiterste betaaldatum kenbaar moet worden gemaakt. Er kan slechts een verzuimboete worden opgelegd indien belanghebbende op de hoogte was van die uiterste betaaldatum en niet voor die datum de verschuldigde belasting heeft voldaan. Het Hof verwerpt het primaire standpunt van de inspecteur. 

De inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat met het verzendrapport dat is overgelegd, aannemelijk is gemaakt dat de ‘rekening motorrijtuigenbelasting’ is verzonden. Het Hof volgt de inspecteur daarin en is van oordeel dat belanghebbende niet heeft ontzenuwd dat het verzendrapport in dit geval onvoldoende is. Daarmee gaat het Hof er vanuit dat aan belanghebbende een uiterste betaaldatum kenbaar is gemaakt.

Nu belanghebbende voor de tweede keer in verzuim is, is het Hof van oordeel dat de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. De verzuimboete dient – gelet op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 september 2016 – wel te worden gematigd tot € 52.

Gerechtshof Amsterdam 22 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:968

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:968

Rechtbank vernietigt boete voor grove schuld, omdat opzet grove schuld uitsluit

Aan belanghebbende, BV X die actief is op het gebied van ICT, is een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het jaar 2010 alsmede een boete van € 5.217. Daarnaast heeft de inspecteur over het jaar 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met een boete van € 8.761.

Ten aanzien van de Vpb heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van 25% van de nagevorderde belasting, nu belanghebbende grove schuld zou kunnen worden verweten. De inspecteur stelt dat belanghebbende facturen heeft uitgereikt die zij niet in haar administratie en aangifte heeft verwerkt. Hierdoor heeft belanghebbende niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar had mogen worden verwacht ten aanzien van het doen van een juiste en tijdige aangifte.

Ten aanzien van de OB heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van 50% omdat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting zou hebben ingediend. De inspecteur stelt dat belanghebbende alleen nihilaangiften heeft ingediend, terwijl het aannemelijk is dat belanghebbende wel facturen heeft uitgereikt. Naast de facturen die belanghebbende heeft uitgereikt aan X, wijst de inspecteur erop dat belanghebbende ook facturen heeft uitgereikt aan andere klanten voor het ontwerpen van logo’s. Ook van deze facturen heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. 

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende facturen heeft uitgereikt aan X. De betwisting van belanghebbende acht de Rechtbank ongeloofwaardig. Gelet op de uitgereikte facturen had het op de weg gelegen van belanghebbende om hierover aangifte te doen, zowel voor de Vpb als voor de OB.

Naar het oordeel van de Rechtbank is het aannemelijk dat belanghebbende wel degelijk wist dat zij onjuiste aangiften OB en ten onrechte geen aangifte Vpb deed, en ook dat zij moet hebben geweten dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden betaald. Zowel voor de aangiften Vpb als voor de aangiften OB is daarmee de aanwezigheid van opzet aannemelijk. De aanwezigheid van opzet sluit grove schuld volgens de Rechtbank uit aangezien in opzet besloten ligt dat belanghebbende wist dat zij ten onrechte geen aangifte deed. Een boete op grond van grove schuld is onder die omstandigheden niet mogelijk, waardoor de boete voor de Vpb dient te worden vernietigd.

Gelet op de omkering van de bewijslast ziet de Rechtbank aanleiding om de boete van de OB te matigen tot € 7.500. Nu de redelijke termijn is overschreden ziet de Rechtbank aanleiding om de boete (verder) te matigen tot € 6.375.

Rechtbank Gelderland 11 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1623

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1623

Belastingdienst mocht gegevens van FIOD gebruiken om VOF als inhoudingsplichtige aan te merken

De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd alsmede boetes omdat belanghebbende als inhoudingsplichtige zou moeten  worden aangemerkt.

Belanghebbende is een vennootschap onder firma (VOF). Belanghebbende heeft tot doel het verrichten van koeriersdiensten in de ruimste zin van het woord. Als vennoten staan A en B ingeschreven alsmede een zestigtal chauffeurs. A heeft de dagelijkse leiding en B beschikt over de vakbekwaamheid.

Eind 2013 heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ingesteld wegens verdenking van valsheid in geschrifte. Eind 2014 heeft de FIOD de inspecteur toestemming gegeven om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek opgestelde documenten te gebruiken voor fiscale doeleinden en het dossier in handen gesteld van de Belastingdienst. De inspecteur heeft geconcludeerd dat de chauffeurs niet als vennoot kunnen worden aangemerkt en dat zij geen ondernemer zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, maar dat zij in dienstbetrekking werkzaam zijn bij A en B.

Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie na het onderzoek van de FIOD heeft besloten niet strafrechtelijk tot vervolging over te gaan maar de uitkomsten van het onderzoek in handen te stellen van de Belastingdienst, meebrengt dat aan de uitkomsten van dat onderzoek voor de heffing van belasting, met name aan de verklaringen die tijdens dat onderzoek zijn afgelegd, geen waarde mag worden gehecht, verwerpt het Hof die stelling. De uitkomsten van het FIOD-onderzoek kunnen volgens het Hof in de belastingprocedure worden gebruikt, reeds omdat het strafrechtelijk onderzoek niet is aangevangen. Daarbij komt dat de verklaringen die de chauffeurs tijdens dat onderzoek hebben afgelegd omtrent hun werkzaamheden en de verhouding tot C, inhoudelijk overeenkomen met verklaringen die andere chauffeurs hebben afgelegd tijdens een verkeerscontrole en met de gegevens die voortkomen uit het derdenonderzoek bij C.

Het Hof concludeert dat de naheffingsaanslagen loonheffingen en boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd.

Gerechtshof Den Haag 3 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:752

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:752

Geen opzet aannemelijk gemaakt ten aanzien van te lichtvaardig uitgaan van de juistheid van een jaaropgave

Belanghebbende is bestuurder en directeur van X BV. X drijft een onderneming die actief is in de ICT. De aandelen in X werden gehouden door F, de toenmalige echtgenote van belanghebbende. Belanghebbende is op enig moment in contact gekomen met G, die op dat moment een eenmanszaak had. De eenmanszaak is ingebracht in Y BV. Belanghebbende heeft voor Y BV werkzaamheden verricht en is in het bezit van een jaaropgave over 2010 waaruit blijkt dat belanghebbende daarvoor salaris heeft ontvangen en waaruit blijkt dat er loonheffingen zijn ingehouden.

Naar aanleiding van boekenonderzoeken die zijn ingesteld door de inspecteur, is de inspecteur gestuit op een tweede jaaropgave over 2010 waaruit blijkt dat belanghebbende geen salaris zou hebben ontvangen.

De inspecteur heeft aan belanghebbende onder meer een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd alsmede een vergrijpboete van 50%. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende willens en wetens gebruik gemaakt van een onjuiste jaaropgave 2010 bij het invullen van zijn aangifte IB/PVV. Hij heeft welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ten onrechte loonheffing in de inkomstenbelasting verrekend zou worden, met als gevolg dat te weinig belasting zou worden geheven.

De Rechtbank stelt vast dat er geen loonheffingen zijn ingehouden. Tot de gedingstukken behoren twee jaaropgaven van belanghebbende. De ene komt overeen met de door belanghebbende ingediende aangifte en uit de ander volgt dat belanghebbende geen salaris heeft ontvangen. De feitelijke uitbetalingen op de rekening van F zijn op geen enkele wijze te herleiden tot de arbeidsovereenkomst, de salarisspecificaties of de jaaropgave. De salarisspecificaties kloppen ook onderling niet en hebben geen enkel logisch verband met de jaaropgave. Daar staat tegenover dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de jaaropgave van de adviseur van Y BV heeft ontvangen en daarop is afgegaan.

Weliswaar heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende verweten kan worden dat hij onvoldoende zorgvuldig is geweest en te lichtvaardig van de juistheid van de jaaropgave is uitgegaan, maar dit strekt naar het oordeel van de Rechtbank niet zover dat gezegd kan worden dat belanghebbende ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij het doen van aangifte over 2010 van een te laag inkomen is uitgegaan of loonheffing zou verrekenen die niet was ingehouden. Omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, zal de Rechtbank de vergrijpboete vernietigen.

Rechtbank Gelderland 11 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1625

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1625

22 Maanden gevangenisstraf voor directeur die actieve rol speelde binnen internationale btw-carrouselfraude

De Belastingdienst heeft op enig moment een onderzoek ingesteld naar BV X, van welke vennootschap de verdachte de directeur en enig aandeelhouder is geweest. BV X werd in verband gebracht met zogenaamde btw-carrouselfraude. Naar aanleiding van het onderzoek van de Belastingdienst is een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Uit het rapport inzake het ingestelde boekenonderzoek en de daarin opgenomen bevindingen en citaten, uit onder meer emailberichten, volgt naar het oordeel van het Hof dat verdachte een belangrijke en actieve rol heeft gespeeld binnen zijn bedrijf. De BV die hij bestuurde had vijf werknemers in dienst, hij verzorgde zelf de financiële administratie en ook was hij het aanspreekpunt voor de Belastingdienst. Verdachte heeft, ondanks de herhaaldelijke uitnodigingen, selectief informatie verstrekt aan de inspecteur zodat geen beoordeling kon worden gemaakt ten aanzien van de verschuldigde omzetbelasting.

Het Hof acht voorts bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een zogeheten ‘katvanger’ om zelf uit het zicht van de Belastingdienst te blijven. Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan, waardoor een te laag bedrag aan omzetbelasting is geheven.

Ten aanzien van de strafmaat overweegt het Hof dat BV X onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan en verdachte, die ook na de aandelenoverdracht aan een katvanger feitelijk namens de BV bleef handelen, daartoe de opdracht heeft gegeven. Als gevolg van het handelen van verdachte, wiens vennootschaap onderdeel uitmaakte van internationale fraude met btw, is een bedrag van ten minste € 1.199.043 aan fiscaal nadeel ontstaan voor de Belastingdienst en daarmee voor de Nederlandse samenleving.

Het Hof neemt in aanmerking dat verdachte doelbewust gebruik heeft gemaakt van een katvanger. De niet geringe rol van verdachte met gebruikmaking van zijn vennootschap, het doortrapte misbruik van het vertrouwen dat ten grondslag ligt aan het systeem van de Belastingdienst inzake de omzetbelasting en de daaruit voortvloeiende ondermijning van de belastingmoraal, brengen volgens het Hof mee dat een gevangenisstraf in dit geval zonder meer passend is.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

Gerechtshof Amsterdam 19 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:544 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:544

Boete van 100% voor het gebruikmaken van de Nederlandse weg met een personenauto voorzien van een Belgisch kenteken

Bij een controle op 15 oktober 2016 om 4:35 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van een personenauto, met een Belgisch kenteken, rijdend gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. De auto staat op naam van een buurman van belanghebbende. Tijdens de controle wilde belanghebbende geen antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden.

Naar aanleiding van die constatering heeft de inspecteur voor de periode 2 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 motorrijtuigenbelasting nageheven en een boete van 100% opgelegd. In geschil is onder meer of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt slechts kortstondig van de auto gebruik te hebben gemaakt in verband met het wegbrengen van zijn ouders naar een familielid vanwege medische omstandigheden. Toen hij vervolgens wilde parkeren, werd hij staande gehouden door de politie. De inspecteur acht het verhaal van belanghebbende niet geloofwaardig, omdat niet duidelijk is geworden en/of onderbouwd dat het daadwerkelijk om één rit ging, om welk familielid het ging, waar deze woonachtig is en om welke medische omstandigheid het ging. Ook helpt naar het oordeel van de inspecteur het tijdstip van de controle (04:35 uur) niet mee aan de geloofwaardigheid van het verhaal.

Het Hof is, met de Rechtbank, van oordeel dat het gelijk op alle onderdelen aan de inspecteur is. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd dat een andere conclusie rechtvaardigt. Hiermee heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de auto in de periode 2 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van belanghebbende. Het Hof merkt op dat, zo wordt aangenomen dat het door belanghebbende gedane relaas rond het gebruik van de auto op 15 oktober 2016 op enig onderdeel geloofwaardig is te achten, de conclusie dan niet zonder meer anders is.

Met betrekking tot de boete overweegt het Hof, evenals de Rechtbank, dat een boete van 100% voor dit geval, gegeven de omstandigheden, passend en uit een oogpunt van normhandhaving geboden is.

Gerechtshof Den Haag 23 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:646

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:646