Van Fiscaal sanctierecht

Rechtbank vernietigt € 45.000 aan vergrijpboetes vanwege pleitbaar standpunt

Uit een boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende – exploitant van een pluimveeverwerkingsbedrijf – ten onrechte als inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering onderwijs heeft geclaimd. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken 2008 tot en met 2010 en vergrijpboetes over de jaren 2009 en 2010 opgelegd, omdat belanghebbende niet enkel mocht vertrouwen op de informatie van een dienstverlener. Omdat belanghebbende lichtvaardig heeft gehandeld, acht de inspecteur grove schuld aanwezig. De hoogte van de boete is gelet op de ernst van het feit gematigd tot in totaal € 45.000.

De Rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende, waarbij zij is afgegaan op informatie van de onderwijsverstrekker SVO Vakopleiding Food, bij de toepassing van de afdrachtvermindering zich op het standpunt heeft gesteld dat de Belastingdienst niet de bevoegdheid heeft om te oordelen over de inhoud, de zwaarte en de kwaliteit van de opleiding die het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan een beroepsbegeleidende leerweg stelt. Die bevoegdheid komt volgens belanghebbende toe aan de Onderwijsinspectie. Belanghebbende was hierbij van mening dat met het behaalde diploma zou kunnen worden aangetoond dat de beroepspraktijkvorming gedurende de looptijd van de praktijkovereenkomst (POK) is gevolgd. Zoals belanghebbende veronderstelde was van de zojuist bedoelde materiële voorwaarde, het jegens de inspecteur aannemelijk maken van de beroepspraktijkvorming, geen sprake. De Rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat dit standpunt en daarmee de door haar gedane aangifte loonheffingen juist waren. Daarom kan niet worden gezegd dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat die aangiften op de grond dat belanghebbende het volgen van de beroepspraktijkvorming niet aannemelijk heeft gemaakt, onjuist waren en daardoor te weinig belasting is geheven.

De Rechtbank is voorts van oordeel dat – voor zover er al sprake zou zijn van gebreken aan de POK’s en die gebreken wettelijk gezien aan de toepassing van de afdrachtvermindering in de weg zouden staan – belanghebbende naar objectieve maatstaven gemeten redelijkerwijs kon en mocht menen dat zij ondanks deze gebreken toch aanspraak kon maken op de afdrachtvermindering onderwijs. Bij dit oordeel heeft de Rechtbank betrokken dat in de rechtspraak verdeeldheid bestond over de vraag of er slechts aanspraak kon worden gemaakt op de afdrachtvermindering op basis van een schriftelijke en door alle betrokken partijen ondertekende POK. Aan die verdeeldheid heeft de Hoge Raad volgens de Rechtbank pas in zijn arrest van 15 januari 2016, dus (ruim) na het indienen van de onderhavige aangiften loonheffingen, een einde gemaakt door deze vraag bevestigend te beantwoorden. Indien aan de POK’s al gebreken zouden kleven, kan naar het oordeel van de Rechtbank niet worden gezegd dat dit te wijten is aan de grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboetes.

Rechtbank Noord-Nederland 12 september 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:3022

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2017:3022

100 uur taakstraf voor medeplichtigheid aan onjuist ingediende aangifte omzetbelasting waarbij groot bedrag werd teruggevraagd

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij – als medeplichtige – opzettelijk een aangifte omzetbelasting over het tijdvak 18 juni 2014 tot en met 30 juni onjuist heeft ingediend.

Het Hof acht – anders dan de politierechter in eerste aanleg – bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het bewust doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting door een BV op zijn naam te laten zetten en op te richten, een zakelijke bankrekening te openen voor deze BV en ten behoeve van de aangifte omzetbelasting de belastingformulieren te ondertekenen.

Bij de onjuiste aangifte omzetbelasting is een groot bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven gebaseerd op valse facturen. Het Hof is derhalve van oordeel dat op deze manier ten onrechte omzetbelasting is teruggevraagd. De gevraagde omzetbelasting is evenwel door de Belastingdienst niet uitbetaald.

Het Hof overweegt dat zonder de oplettendheid van de Belastingdienst de overheid, en daarmee de gehele samenleving, financieel zou zijn benadeeld. Het is naar het oordeel van het Hof een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen zijn en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt.

Het Hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uur passend en geboden.

Gerechtshof Amsterdam 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3638

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:3638

1 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor accountant die op verhullende wijze onjuiste aangiften omzetbelasting indiende

Aan verdachte, voormalig accountant, wordt tenlastegelegd dat hij opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend voor verschillende VOF’s.

De verdediging heeft in hoger beroep facturen in het geding gebracht en gesteld dat aan de hand hiervan vastgesteld kan worden dat de aangiften omzetbelasting juist zijn ingediend.

Het Hof overweegt ten aanzien van deze facturen dat deze afkomstig zijn van een bedrijf dat gelieerd is aan verdachte. Bovendien is het tijdstip waarop de facturen in de procedure zijn gebracht zeer laat, namelijk anderhalf jaar na het eindvonnis van de Rechtbank. Daarnaast  heeft verdachte geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vindplaats van de facturen, anders dan dat de facturen zich op een ander adres bevonden dan waar de doorzoekingen hebben plaatsgevonden. Evenmin is het voor het Hof duidelijk geworden om welke reden verdachte niet eerder over deze facturen heeft gesproken, terwijl hij bij meerdere gelegenheden om verantwoording is gevraagd over de bestreden aangiften. Het valt het Hof verder op dat op één van de facturen 21% btw is geheven, terwijl op de datum die staat vermeld op de factuur destijds nog het oude btw-tarief van 19% van toepassing was.

Gelet op het voorgaande twijfelt het Hof in ernstige mate aan de echtheid van de door de verdediging ingebrachte facturen. Het Hof zal aan de facturen dan ook geen betekenis toekennen. Naar het oordeel van het Hof is niet gebleken dat er binnen de VOF’s bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden waarover omzetbelasting moest worden geheven of feitelijke betalingen zijn gedaan waarvoor omzetbelasting kon worden teruggevraagd. Het Hof is van oordeel dat verdachte bij de oprichting van de VOF’s planmatig en verhullend te werk is gegaan. Hij heeft een derde en door hem opgerichte Limiteds ingeschakeld om te voorkomen dat hij direct gekoppeld kon worden aan de VOF’s. Verdachte heeft daarbij verschillende vestigings- en postadressen voor de VOF’s gebruikt om te voorkomen dat de Belastingdienst zou ontdekken dat op één adres een groot aantal VOF’s zou zijn gevestigd. Toen geen terugbetaling van omzetbelasting volgde heeft hij geen contact opgenomen met de Belastingdienst om te vragen wat de reden daarvan was. Ook op vragenbrieven is niet geantwoord. Op basis van deze gedragingen in onderling verband en samenhang bezien, komt het Hof tot het oordeel dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend om zodoende van de Belastingdienst gelden te ontvangen waar hij geen recht op had.

Het Hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij destijds werkzaam was als accountant en niet uit eigen beweging is gestopt met zijn handelingen. Dat een deel van de teruggevraagde bedragen niet aan verdachte is uitgekeerd, acht het Hof onder deze omstandigheden niet van doorslaggevende betekenis. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Gerechtshof Amsterdam 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3635

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:3635

30 maanden gevangenisstraf voor grootschalige PGB-fraude en belastingfraude

Aan verdachte wordt onder meer tenlastegelegd dat hij een ambtenaar van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft omgekocht, belastingfraude heeft gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen en fraude heeft gepleegd met het PGB-systeem.

Verdachte drijft sinds 8 november 2004 een eenmanszaak onder verschillende handelsnamen. Verdachte diende tot het laatste kwartaal van 2009 alle kwartaalaangiften omzetbelasting zelf in. Verdachte heeft te dier zake verklaard dat de bedragen aan voorbelasting en omzet in de aangiften zijn geschat. De hoogte van deze bedragen zou gebaseerd zijn op voorgenomen investeringen. Wanneer verdachte wordt voorgehouden dat het door hem opgegeven bedrag aan betaalde voorbelasting gelijk staat aan een omzet van ruim € 500.000, verklaart verdachte dat hij een dergelijk bedrag nooit aan inkopen of kosten heeft betaald.

Het Hof neemt bij de bepaling van de op te leggen straf mee dat verdachte een ambtenaar van het CIZ heeft omgekocht ten einde valse indicatiestellingen voor familieleden en andere personen afgegeven te krijgen. Vervolgens heeft verdachte samen met zijn partner, zijn neef, diens vrouw en anderen, met wie hij naar het oordeel van het Hof een criminele organisatie vormde, bijna twee jaar lang niet geleverde zorguren gedeclareerd en daarmee voor ruim € 500.000 gefraudeerd. Verdachte kan naar het oordeel van het Hof als een spil binnen deze PGB-fraude worden aangemerkt. De criminele organisatie heeft veelvuldig documenten vervalst, zorgkantoren en het CIZ opgelicht en aanzienlijke bedragen witgewassen. Door op deze manier te handelen hebben verdachte en zijn mededaders naar het oordeel van het Hof op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van het PGB-systeem. Fraude met AWBZ gelden in het algemeen, maar zeker in deze omvang, tast het fundament aan van de in het kader van de AWBZ te verlenen zorg en leidt tot ontwrichting van een zorgvuldig uitgebalanceerd en uit de publieke middelen gefinancierd systeem van zorg voor en ondersteuning van mensen die de hulp langdurig of blijvend nodig hebben.

Naast de PGB-fraude heeft verdachte naar het oordeel van het Hof jarenlang gefraudeerd met omzetbelasting en ten onrechte ongeveer € 85.000 aan voorbelasting ontvangen van de Belastingdienst. Verdachte heeft hierbij valse documenten aan de Belastingdienst overgelegd ten einde zijn fraude te verhullen.

Alles afwegende – in aanmerking nemende dat de redelijke termijn met 9 maanden is overschreden – is het Hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden is.

Gerechtshof Den Haag 15 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2648

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:2648

Hof: overdracht schuldvordering vond plaats binnen de fiscale eenheid en belanghebbende kon redelijkerwijs niet menen dat deze tot haar bedrijfsvermogen behoorde, boetes blijven in stand

Aan belanghebbende zijn verschillende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd alsook boetes van in totaal € 2.309 ter zake van de niet tijdige voldoening van omzetbelasting.

Belanghebbende maakte tot 2007 met H BV onderdeel uit van een fiscale eenheid. Belanghebbende heeft toen, als onderdeel van die fiscale eenheid, een lening verstrekt aan K. H BV heeft destijds facturen voor met omzetbelasting belaste dienstverlening uitgereikt aan K. H BV hield zich bezig met de ontwikkeling van automatische voedersystemen in de agrarische sector en belanghebbende hield zich bezig met het beheren van vermogen. Op enig moment is de debiteurenvordering (binnen de fiscale eenheid) op K door H BV overgedragen aan belanghebbende.

Het Hof is van oordeel dat de verstrekte lening aan K, alsmede de dienstverlening door H BV economische activiteiten betreffen van de fiscale eenheid omzetbelasting. Het Hof overweegt dat nu de overdracht van de schuldvorderingen binnen de fiscale eenheid heeft plaatsgevonden, deze overdracht niet kwalificeert als een economische activiteit. Bij beëindiging van de fiscale eenheid worden belanghebbende en H BV voor het berekenen van de door hen verschuldigde belasting geacht in de plaats te zijn getreden van de fiscale eenheid, voor het deel dat tot hun bedrijfsvermogen behoort. Dat heeft tot gevolg dat belanghebbende de economische activiteiten die bestaan uit het verstrekken van de leningen heeft voortgezet, en H BV de economische activiteiten heeft voortgezet die verband houden met de ontwikkeling van onder meer de automatische voedersystemen in de agrarische sector.

Het Hof is in dat kader van oordeel dat, nu de overdracht van de schuldvorderingen binnen de fiscale eenheid heeft plaatsgevonden, deze overdracht reeds daarom niet kwalificeert als een economische activiteit. Het overnemen van de debiteurenvordering heeft weliswaar naar het oordeel van het Hof tot gevolg dat de onvoldane schuldvorderingen tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende worden gerekend, maar heeft evenwel niet tot gevolg dat de belaste activiteiten die H BV jegens K heeft verricht tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende zijn gaan behoren. Op basis van de wel door belanghebbende verrichte activiteiten concludeert het Hof dat deze uitsluitend zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

Ten aanzien van de boetes stelt het Hof voorop dat de beboeting van belanghebbende is gegrond op de niet tijdige voldoening van door haar verschuldigde omzetbelasting. Belanghebbende is van mening dat de boete dient te worden vernietigd, omdat er bij belanghebbende bij de gemaakte kosten geenszins sprake is van privé-overwegingen en omdat er in haar visie een koppeling aanwezig is met belaste output. Het Hof begrijpt de stelling van belanghebbende als een beroep op een pleitbaar standpunt.

Het Hof verwerpt het beroep op een pleitbaar standpunt. Het Hof is van oordeel dat de met belaste activiteiten waaraan belanghebbende haar recht op aftrek meent te kunnen ontlenen, niet behoorden en behoren tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende, maar tot het bedrijfsvermogen van H BV. Derhalve heeft belanghebbende redelijkerwijs niet kunnen menen juist te handelen door de voorbelasting in aftrek te brengen. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3955

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:3955

Rechtbank houdt man en vrouw beiden strafrechtelijk aansprakelijk voor onjuist ingediende aangiften door (ondeskundige) vrouw

Verdachte en zijn vrouw worden ervan verdacht opzettelijk onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting te hebben ingediend.

 

De verdediging stelt primair dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu er conform de Richtlijnen AAFD geen recht bestond om verdachte strafrechtelijk te vervolgen. De Rechtbank is van oordeel dat op juiste gronden en overeenkomstig de Richtlijnen AAFD tot vervolging is overgegaan. Het belastingnadeel bedroeg weliswaar minder dan het drempelbedrag, maar er was sprake van tenminste één van de in de Richtlijnen AAFD genoemde overige aspecten te weten de ‘onmogelijkheid van verhaal’. De Rechtbank acht het OM derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verdachte deed mee aan dartstoernooien, verzorgde dartsdemonstraties en deed tv-optredens. In verband daarmee is op 1 januari 2007 een VOF opgericht die per 1 januari 2014 is omgezet in een eenmanszaak waarvan verdachte eigenaar was. Zijn vrouw (medeverdachte) boekte de reizen, regelde de inschrijvingen en verzorgde de administratie van de VOF. De inkomsten van de VOF bestonden uit prijzengeld, sponsorgelden, inkomsten uit dartsdemo’s en tv-gelden. Uit onderzoek van de FIOD bleek dat de – door medeverdachte ingediende – aangiften omzet- en inkomstenbelasting tot een te laag bedrag waren ingediend.

Verdachte wist dat zijn vrouw onvoldoende kennis had om de administratie bij te houden en het moeilijk vond om de aangiften in te vullen. Hij heeft niet gecontroleerd of de namens hem ingevulde aangiften juist waren. Door ondanks de ondeskundigheid van zijn vrouw een controle op de ingediende aangiften achterwege te laten, is verdachte naar het oordeel van de Rechtbank op zijn minst onverschillig geweest ten aanzien van de verwezenlijking van de aanmerkelijke kans dat namens hem aangiften onjuist werden ingediend en heeft hij deze kans daarmee bewust aanvaard.

De Rechtbank stelt het benadelingsbedrag vast op € 100.000. De Rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij niet eerder is veroordeeld en dat de redelijke termijn is overschreden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 150 uren. De vrouw van verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 190 uren.

Rechtbank Overijssel 4 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3435

Rechtbank Overijssel 4 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3438

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:3435

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:3438

Boetes voor thuiszorginstelling die ‘freelance-contracten’ afsloot met personen die aanvankelijk op loonlijst stonden

Belanghebbende exploiteert een thuiszorginstelling in de vorm van een eenmanszaak. Aan mensen met een zorgbehoefte wordt hulp geboden bij het aanvragen van zorg en het verkrijgen van een persoonsgebonden budget. Vervolgens wordt de volgens het zorgplan benodigde zorg door een van de aangewezen medewerkers van belanghebbende geleverd.

Belanghebbende maakt gebruik van medewerkers die op de loonlijst staan, maar ook van diensten van medewerkers die niet op de loonlijst staan. De inspecteur stelt dat er geen verschil in werkzaamheden is tussen degenen die in dienstbetrekking werken en de werkzaamheden van de freelancers. Ook worden allen gelijk behandeld door belanghebbende. Om die reden zijn naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd met vergrijpboeten over de jaren 2012, 2013 en 2014 van respectievelijk € 26.202, € 67.960 en € 103.207. In geschil is onder meer of de vergrijpboeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de boetes overweegt de Rechtbank dat de inspecteur aanvankelijk heeft gesteld dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, omdat belanghebbende zich redelijkerwijs had moeten realiseren dat sprake was van een dienstbetrekking en zij moest vermoeden dat de administratie niet conform de wettelijke voorschriften is gevoerd. Ter zitting heeft de inspecteur echter erkend dat deze feitelijke omschrijving leidt tot grove schuld en niet tot (voorwaardelijk) opzet.

De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende zich, mede gegeven de omvang van haar onderneming en de hoeveelheid personen van wie zij diensten afnam, ervan had dienen te vergewissen wat de fiscale gevolgen van de betreffende arbeidsrelatie zouden zijn, te meer nu personen die aanvankelijk op de loonlijst stonden met het sluiten van een ‘arbeidsovereenkomst freelancer’ buiten het bereik van de loonheffingen werden gebracht. Belanghebbende had zich ervan moeten vergewissen of zij daarmee fiscaal aanvaardbaar handelde. Zij had naar het oordeel van de Rechtbank redelijkerwijs moeten weten dat met haar handelwijze te weinig belasting zou worden afgedragen. Dat belanghebbende niet persoonlijk heeft geprofiteerd van de te weinig afgedragen belasting leidt niet tot een ander oordeel. De Rechtbank acht vergrijpboetes van 25% passend en geboden.

Rechtbank Gelderland 8 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4583

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:4583

Ruim 2,5 jaar gevangenisstraf voor actieve rol bij BTW carrouselfraude

Verdachte wordt – onder meer – verdacht van feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en deelname aan een criminele organisatie.

De Rechtbank spreekt verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie omdat van medeverdachten – en de rechtspersonen die zij formeel bestuurden – niet kan worden bewezen dat zij in zijn algemeenheid wisten van het criminele oogmerk van verdachte. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn zij en hun bedrijven door verdachte gebruikt, zonder dat zij op enig moment zicht hebben gehad of hadden moeten hebben op de fraude.

De Rechtbank komt voor de overige feiten die betrekking hebben op het niet, dan wel onjuist, indienen van aangiften omzetbelasting voor verschillende rechtspersonen tot een gedeeltelijke bewezenverklaring.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan BTW fraude. Uit het dossier blijkt dat hij deze fraude zelf heeft geïnitieerd en feitelijk controle heeft gehad over alle bij de fraude betrokken rechtspersonen. De Rechtbank is verder van oordeel dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om bestaande rechtspersonen, die op een legale wijze handel dreven, en natuurlijke personen, onder wie zijn stiefvader, voor zijn doel te gebruiken, kennelijk om te voorkomen de fraude en de rol van verdachte daarin ontdekt zou worden.

Verdachte heeft op geen enkel moment inzicht gegeven in het motief van zijn handelen, maar het kan naar het oordeel van de Rechtbank niet anders dan dat hij de fraude puur uit winstbejag heeft gepleegd. Verdachte heeft geen berouw getoond voor zijn handelen of aangegeven dat hij dergelijke handelingen in de toekomst niet meer zal gaan verrichten.

Het belastingnadeel van de bewezenverklaarde feiten bedraagt volgens de Rechtbank ruim 2,5 miljoen euro. De Rechtbank is van oordeel dat, gelet daarop, in beginsel een gevangenisstraf van 36 maanden passend is. Nu de redelijke termijn met bijna 2 jaar is overschreden – hetgeen ook gedeeltelijk te wijten is aan de complexiteit van de zaak – zal de Rechtbank een strafvermindering van 10% toepassen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden.

Rechtbank Amsterdam 2 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3950

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:3950

Opzet op belastingfraude niet aanwezig bij constructie voor omzeilen problemen met tewerkstellingsvergunning

Belanghebbende is actief op het terrein van het werven, detacheren en begeleiden van arbeidskrachten, die in Bulgarije worden geworven en kwamen te werken bij opdrachtgevers in Nederland en België.

Omdat het vanaf 2009 lastiger werd om een tewerkstellingsvergunning voor de Bulgaarse arbeidskrachten te verkrijgen, zou gebruik zijn gemaakt van een schijnconstructie met Bulgaarse vennootschappen. De inspecteur is een heffingsonderzoek gestart naar belanghebbende. Uit het onderzoeksrapport dat is opgemaakt blijkt dat belanghebbende als inhoudingsplichtige dient te worden aangemerkt. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag loonheffingen van € 135.061 en een vergrijpboete van € 67.531 opgelegd.

Uit de feiten en omstandigheden die de inspecteur heeft aangevoerd en uit wat de inspecteur op basis daarvan heeft gesteld, volgt naar het oordeel van de Rechtbank niet dat belanghebbende opzet had op het ontgaan van belastingheffing. De Rechtbank leidt uit onder meer de verklaringen van opdrachtgevers van belanghebbende af, dat belanghebbende voor de constructie met Bulgaarse vennootschappen heeft gekozen om problemen met het verstrekken van tewerkstellingsvergunningen voor de arbeidskrachten te omzeilen.

Naar het oordeel van de Rechtbank kan belanghebbende wel worden verweten dat dermate lichtvaardig is gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat geen loonbelasting is betaald. Belanghebbende heeft nagelaten om de fiscale aanvaardbaarheid van de gekozen constructie te (laten) onderzoeken, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. De enkele omstandigheid dat een geraadpleegde advocaat belanghebbende heeft geadviseerd over de civielrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke aspecten van de voorgenomen werkwijze, doet daar niet aan af. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake.

De Rechtbank acht een boete van 25% van de nageheven belasting passend en geboden, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 33.765. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete (verder) gematigd tot € 30.388.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4881

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:4881

Matiging verzuimboete vanwege ‘logische gedachtegang’

Belanghebbende heeft een opgaaf intracommunautaire prestaties gedaan, waarbij een onjuist buitenlands btw-identificatienummer is opgegeven. De inspecteur heeft belanghebbende gewezen op deze tekortkoming. Belanghebbende heeft wel gereageerd, maar heeft niet (tijdig) een juist buitenlands btw-identificatienummer overgelegd. Om die reden heeft de inspecteur een verzuimboete van € 131 opgelegd. De verzuimboete is in geschil.

Belanghebbende doet een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende voert aan dat hij alle gegevens waarover hij beschikte aan de inspecteur heeft verstrekt. Voorts voert belanghebbende aan dat hij als kleine ondernemer voldoende moeite heeft gedaan om het juiste btw-identificatienummer te achterhalen en nu hem dat niet is gelukt, het de plicht van de inspecteur is om hem hiermee te helpen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft belanghebbende geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die een beroep op avas rechtvaardigen. Hierbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat belanghebbende op voorhand bekend had kunnen zijn met het feit dat het door hem doorgegeven btw-nummer in dit verband een onjuist btw-identificatienummer betrof. Als belanghebbende het nummer zou hebben ingevoerd op een daarvoor speciale website van de Europese Commissie, had belanghebbende de melding gekregen dat het nummer niet klopte. De Rechtbank overweegt dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor het overleggen van juiste btw-identificatienummers. Voor een geslaagd beroep op avas had belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank ten minste bewijs van enig contact met de Duitse afnemer moeten overleggen.

Ten aanzien van de vraag of de verzuimboete passend en geboden is, oordeelt de Rechtbank dat uit de stukken blijkt dat belanghebbende over het algemeen correcte opgaven intracommunautaire prestaties doet en eventuele geconstateerde fouten steeds binnen de termijn herstelt. Ook acht de Rechtbank het van belang dat belanghebbende geen voordeel heeft gehad van de fout en dat belanghebbende wel degelijk enige moeite heeft gedaan en een ‘logische gedachtegang heeft gevolgd’. Dit overwegende is de Rechtbank van oordeel dat een boete van € 65 passend en geboden is.

Rechtbank Noord-Nederland 13 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2350

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2017:2350