Categorie: Wwft & tuchtrecht

Registeraccountant heeft op steekhoudende wijze verwijten weerlegd; klachten ongegrond

Volgens klaagster, de Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie, heeft betrokkene ten onrechte goedkeurende controleverklaringen afgegeven bij de jaarrekening 2012 van [BV 1] en [BV 2]. Betrokkene zou daarmee hebben meegewerkt de betaalde koopprijs van de aandelen [BV1] een “schijn van redelijkheid” te geven. Daarnaast wordt betrokkene verweten te hebben nagelaten de aandelentransactie aan de Financial Intelligence Unit (FIU) te melden. De belangrijkste feiten waren als volgt.

In 2012 zijn de aandelen [BV 1] voor € 12,5 miljoen verkocht aan [BV 2]. De heer [A] was bestuurder van [BV 1] en aandeelhouder van [BV 2]. Het eigen vermogen van [BV 1] is per 31 december 2012 bijna € 10 miljoen gedaald. Uit het mutatieoverzicht blijkt dat [BV 1] € 12 miljoen dividend heeft uitgekeerd.

Volgens de toelichting op de balans van [BV 2] bedroeg de reële waarde van de activa en passiva op het moment van de verkoop afgerond € 31,5 miljoen. De aandelentransactie resulteerde daarom in een negatieve goodwill van € 19 miljoen. Daarnaast is opgenomen dat de negatieve goodwill in de komende 16 jaar zou vrijvallen ten gunste van het resultaat en dat deze vrijval op een aparte regel in de winst en verliesrekening zal worden getoond.

Klaagster heeft ter zitting haar klacht aangevuld met verwijten over:

  • de rol die betrokkene zou hebben gespeeld bij de verkoop van de aandelen;
  • de tegenstrijdige belangen die betrokkene zou hebben gediend; en over
  • het onvolledig, dan wel onjuist uitvoeren van de controlewerkzaamheden.

De Accountantskamer acht deze aanvullingen van de klacht op zitting ontoelaatbaar. Deze verwijten zijn in een zodanig laat stadium naar voren gebracht dat betrokkene geen, laat staan voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verweer tegen deze klachten voor te bereiden en zijn verdediging daarop te richten. Dit is in strijd met de eisen van een goede procesorde. De nieuw aangedragen klachtonderdelen zijn daarom niet-ontvankelijk.

Klaagster heeft wel tijdig aangevoerd dat het eigen vermogen van [BV 1] en [BV 2] willekeurig en zonder argumenten of toelichting aanzienlijk is verminderd. Betrokkene heeft daartegen als verweer aangevoerd dat de mutatie in het eigen vermogen volledig is toegelicht in de jaarrekening. Bij [BV 1] gaat het om een dividenduitkering en een post omrekeningverschillen die voortvloeien uit bedrijfsactiviteiten in niet-Eurolanden. De dividenduitkering is gebaseerd op een geldig aandeelhoudersbesluit en moest ten laste van het vermogen worden gebracht. De € 19 miljoen ziet op de verwerking van de negatieve goodwill in verband met de aankoop van de aandelen [BV 1]. Die negatieve goodwill is evenwel niet in de balans opgenomen in het eigen vermogen, maar als passiefpost en zal blijkens de toelichting in 16 jaar vrijvallen ten gunste van het resultaat.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene de door klaagster summierlijk aangedragen feiten en omstandigheden op steekhoudende wijze heeft weerlegd. Klaagster heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten onrechte goedkeurende controleverklaringen heeft afgegeven. Ook is niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat betrokkene heeft verhuld dat de verkopers zouden zijn opgelicht. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft betrokkene aangevoerd dat klaagster dit verwijt niet heeft onderbouwd en dat het hem niet is toegestaan om mededelingen aan derden te doen over het al dan niet hebben gedaan van een melding (artikel 22 Wwft).

De Accountantskamer is van oordeel dat – daargelaten het antwoord op de vraag of betrokkene verplicht was tot het doen van een melding – klaagster nog niet het begin van bewijs heeft aangedragen dat betrokkene geen melding heeft gedaan. Verder merkt de Accountantskamer op dat betrokkene volgens de regelgeving van de Wwft is gebonden aan de geheimhoudingsplicht. Het zou strijdig zijn met de eisen van een goede procesorde indien een ieder door het indienen van een (niet met feiten onderbouwde) tuchtklacht, de facto een zogenaamde fishing expedition, een betrokkene ter afwering van die tuchtklucht zou kunnen dwingen deze geheimhoudingsplicht te doorbreken. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Accountantskamer 29 januari 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:4

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_4?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=1

Waarschuwing aan registeraccountant in hoger beroep vernietigd

Het kantoor waar de AA-accountant werkzaam is, verwijt appellant (een RA), dat hij de door hem als deskundige te beantwoorden vraag van het Hof onjuist heeft geïnterpreteerd. Hij heeft zich volgens klaagster niet beperkt tot de voorgelegde vraag, maar is ver over de grens van de vraagstelling heen gegaan, met als gevolg dat hij de vraag onjuist heeft beantwoord. De vraag van het Hof luidde: “Had een redelijk bekwaam en redelijk handelend AA-accountant (cliënt) moeten adviseren het voorstel van de Belastingdienst van 16 juli 2004 te aanvaarden, in aanmerking genomen (i) het feit dat tegen de aanslag geen bezwaar meer open stond, (ii) het risico dat dit voorstel (op onderdelen) zou worden ingetrokken en (iii) de goede en kwade kansen op een beter resultaat dan dit voorstel.”

Appellant heeft deze vraag in zijn rapport bevestigend beantwoord. De Accountantskamer heeft geconcludeerd dat een deugdelijke grondslag in het rapport ontbreekt en dat de conclusie van het rapport van appellant de tuchtrechtelijke toets der kritiek niet heeft kunnen doorstaan. Daarmee heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid, waarvoor hem een waarschuwing is opgelegd. Tegen dit oordeel komt appellant in hoger beroep.

Volgens het College heeft de Accountantskamer de inhoud van het rapport te beperkt bezien en onvoldoende op zijn merites beoordeeld. Appellant heeft in het rapport de vraag van het Hof bevestigend beantwoord. In aanloop naar dit antwoord heeft appellant drie deelconclusies getrokken en elk van deze conclusies voorzien van een uitvoerige onderbouwing/toelichting waarin hij op verschillende aspecten met betrekking tot de werkzaamheden van de AA-accountant is ingegaan. Aan dit wezenlijke deel van de onderbouwing van het rapport is de Accountantskamer bij haar oordeel ten onrechte voorbijgegaan. De bevindingen in het rapport bevatten voldoende aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat de AA-accountant in de periode rondom het voorstel van de Belastingdienst steken heeft laten vallen die hebben geleid tot nadeel bij de cliënt. Daarbij is van belang dat het voorstel van de Belastingdienst verband hield met een definitieve aanslag waartegen geen bezwaar meer open stond, zodat de cliënt afhankelijk was van de goede wil van de Belastingdienst. De door appellant in zijn rapport betrokken en gewogen feiten en omstandigheden bieden naar het oordeel van het College voldoende grond voor het oordeel dat de AA-accountant de hem geboden mogelijkheid om de Belastingdienst te overtuigen van zijn gelijk, niet heeft benut en de kans heeft vergroot dat de Belastingdienst het voorstel niet zou handhaven.

Gelet op het voorgaande heeft de Accountantskamer ten onrechte geconcludeerd dat appellant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid en dat de klacht gegrond dient te worden verklaard. Op grond hiervan is ook de maatregel van waarschuwing ten onrechte opgelegd.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:14

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:14

Hoger beroep ondernemer tegen klachten RA ongegrond nu het handelen van derden betreft

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Accountantskamer van 7 oktober 2016. De Accountantskamer heeft de volgende klachtonderdelen ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard:

  • het onjuist uitvoeren van fiscale werkzaamheden voor appellant en zijn echtgenote, waardoor teveel belasting is betaald;
  • het vervalsen van een handtekening op de akte van cessie;
  • het niet reageren op de brieven van de Belastingdienst;
  • het kwijtraken van de map met privé-stukken van appellant en zijn echtgenote.

De Accountantskamer heeft ten aanzien van het eerste klachtonderdeel geoordeeld dat de verwijten die zien op de fiscale werkzaamheden werden uitgevoerd door een aangiftemedewerkster die onder verantwoordelijkheid werkte van een lid van de NOB, die voor zijn handelen zelfstandig tuchtrechtelijk aanspreekbaar is. Betrokkene is derhalve niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor het handelen van de aangiftemedewerkster. Dit geldt eveneens voor het handelen van een AA die wel onder verantwoordelijkheid werkte van betrokkene, maar die zélf ook zelfstandig tuchtrechtelijk aanspreekbaar is als ingeschreven lid van de NBA.

Volgens appellant kon hij alleen betrokkene aansprakelijk stellen, aangezien betrokkene de taken van de vorige contactpersoon op zich had genomen vanwege de fouten die waren gemaakt. Volgens het College maakt dat echter niet dat betrokkene verantwoordelijk is voor het handelen van zijn kantoorgenoten. Dat betrokkene zelf fiscale werkzaamheden voor appellant heeft verricht, is niet gebleken. Het College ziet dan ook niet in dat betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te achten voor de werkzaamheden van zijn kantoorgenoten.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel merkt het College op dat de precieze gang van zaken rondom de akte van cessie in het midden kan blijven. De klacht ziet immers ook op het handelen van een kantoorgenoot, in welk verband het College er nogmaals op wijst dat deze een zelfstandige tuchtrechtelijk verantwoordelijkheid heeft. De derde grief faalt eveneens om de reden dat betrokkene niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen/nalaten van zijn kantoorgenoten die fiscale werkzaamheden voor appellant hebben verricht.

Tot slot voert appellant over het kwijtraken van de stukken aan dat het onhaalbaar was de klacht eerder in te dienen. De klacht is verzonden op 29 maart 2016. Voor het antwoord op de vraag of de klacht tijdig is ingediend, moet aldus worden nagegaan of de klacht niet ziet op een handelen of nalaten dat zich vóór 29 maart 2010 heeft voorgedaan en/of reeds vóór 29 maart 2013 sprake was van een situatie waarin appellant een handelen of nalaten van betrokkene heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren. Uit het proces-verbaal van de zitting van de Accountantskamer blijkt dat appellant heeft gesteld dat de map in januari 2013 al zoek was. Dit was appellant dus reeds vóór 29 maart 2013 bekend. Gelet hierop heeft de Accountantskamer de klacht op dit punt terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van de ondernemer is ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:450

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:450

Geldboete van € 40.000 aan trustkantoor voor het niet onverwijld melden van een ongebruikelijke transactie in hoger beroep in stand gelaten

De Nederlandsche Bank (DNB) heeft aan appellante (een trustkantoor) een boete van € 40.000 opgelegd voor het niet onverwijld melden van een ongebruikelijke transactie. Rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarna appellante in hoger beroep is opgekomen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Appellante verleende diensten aan een eigenaar van onroerend goed in Oekraïne ter waarde van ruim USD 10.000.000. De certificaten waren in handen van een rechtspersoon naar het recht van de Republiek der Seychellen. De aandelen in deze rechtspersoon werden gehouden door een ‘nominee shareholder’. De UBO was een natuurlijk persoon met de Oekraïense nationaliteit. In december 2013 wordt appellante geïnformeerd dat de aandelen op 15 juli 2013 om niet zijn overgedragen aan een andere persoon met de Oekraïense nationaliteit. Appellante heeft over de aandelentransactie nadere informatie ingewonnen bij de voormalige eigenaar. In april 2014 meldt appellante diverse ongebruikelijke transacties, waaronder de aandelentransactie. Volgens DNB en de Rechtbank had appellante eerder moeten overgaan tot het melden van de ongebruikelijke transactie.

De eerste hogerberoepsgrond richt zich tegen de uitleg van de Rechtbank van het begrip transactie in de zin van de Wwft. Het College is het echter eens met de Rechtbank dat de overdracht van de aandelen kwalificeert als een (ongebruikelijke) transactie. Daartoe acht het College met name van belang dat de constructie specifiek is opgezet om de vastgoedportefeuille af te schermen tegen de mogelijke invordering van de Oekraïense overheid. De klant van appellante speelde daarin een sleutelrol en appellante was daarbij nauw betrokken. De wisseling van de UBO wijzigde de positie van de klant van appellante werkelijk, omdat zij de vastgoedportefeuille vanaf dat moment voor een ander is gaan houden.

Het oordeel van de Rechtbank dat sprake was van een ongebruikelijke transacties wordt eveneens juist bevonden. Het College overweegt dat de transactie een beperkt gedocumenteerde overdracht om niet betreft van een vastgoedportefeuille met een waarde van ongeveer USD 10.000.000 tussen twee personen met de Oekraïense nationaliteit. De waarde van de overgedragen vastgoedportefeuille staat bovendien in opvallende verhouding tot het bij appellante bekende verdere vermogen van de voormalige UBO. Het ongebruikelijke karakter was bovendien door appellante onderkend. Eén van de bestuurders had de transactie bestempeld als ‘highly unusual’.

Ook ziet het College  geen aanleiding te oordelen dat appellante geen enkel verwijt treft. Voorts acht het College de boete van € 40.000, mede gelet op het bewezen “track record”, passend en geboden. Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

CBb 17 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:6

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2018:6

Berisping NOB-lid wegens onduidelijke specificatie van facturen en het te laat overdragen van zijn dossier bekrachtigd in beroep

In 2014 is door de Belastingdienst bij de onderneming van klaagster een boekenonderzoek aangekondigd. Klaagster heeft vervolgens appellant benaderd om met de Belastingdienst tot een consensus te komen. Toen de zaak een strafrechtelijke ‘sfeer’ kreeg, is klaagster overgestapt naar een fiscaal advocaat.

Klaagster meent dat appellant heeft gehandeld in strijd met het Reglement Beroepsuitoefening (RBU). Zij verwijt appellant onder andere te hebben nagelaten een duidelijke inschatting van de te verwachten kosten te maken, een opdrachtbevestiging op te stellen en een overzicht van de werkelijk bestede uren bij de voorschotnota’s te geven. Daarnaast meent zij dat appellant haar dossier na beëindiging van de opdracht niet correct heeft afgehandeld. De Raad van Tucht heeft appellant hiervoor een berisping opgelegd. Appellant heeft tegen de uitspraak van de Raad van Tucht beroep ingesteld. De opgelegde maatregel is volgens appellant onjuist dan wel te zwaar.

Volgens de Raad van Beroep heeft de Raad van Tucht terecht geoordeeld dat appellant heeft gehandeld in strijd met art. 12 RBU. Op grond van deze bepaling is een NOB-lid gehouden zijn cliënt een inschatting van de te verwachten kosten te geven. Wanneer de aard van de te verrichten werkzaamheden het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om een inschatting te geven van de te verwachten kosten, is een NOB-lid gehouden om zijn cliënt regelmatig inzicht te geven in de reeds gemaakte kosten, temeer wanneer zijn cliënt daarom uitdrukkelijk verzoekt. Appellant heeft dit nagelaten.

Voorts is de Raad van Beroep van oordeel dat appellant zodanig laat alle relevante dossierstukken aan de advocaat van klaagster ter beschikking heeft gesteld, dat appellant – mede gelet op de belangen die met tijdige doorsturing van de stukken gemoeid waren en de schade die klaagster, naar zij onweersproken heeft gesteld, door de late verzending van de stukken aan haar advocaat heeft geleden – op dit punt tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Dat appellant, zoals hij in beroep heeft gesteld, op 21 september 2015 reeds per mail stukken aan de advocaat heeft verstrekt, laat onverlet dat er op 25 september 2015 een verzoek om dossieroverdracht is gedaan, aan welk verzoek eerst eind oktober 2015 gevolg is gegeven. Dat er vertraging is opgetreden ten gevolge van ziekte en vakantie dient voor rekening van appellant te blijven.

Voorts oordeelt de Raad van Beroep dat appellant inhoudelijk niet verantwoordelijk is voor de werkzaamheden van zijn niet-ondergeschikte collega’s in het dossier van klaagster. Dit neemt echter niet weg dat hij wel verantwoordelijk is voor het verstrekken van een urenspecificatie voor zover het de uren betreft van zijn collega’s. Appellant opereerde immers in de relatie tot klaagster als zelfstandig adviseur en vormde ook het aanspreekpunt voor declaratiekwesties. De vertraging die is opgetreden ten gevolge van ziekte en vakantie dient voor rekening van appellant te blijven; hij had zijn taken over kunnen dragen aan een collega.

De Raad van Beroep heeft zich ook voor het overige aangesloten bij de uitspraak van de Raad van Tucht en het beroep ongegrond verklaard. De Raad van Beroep heeft hierbij tevens rekening gehouden met de aard van de problematiek (een onderzoek naar klaagster met een strafrechtelijk element) en de vorenbedoelde schade.

Raad van Beroep, 12 december 2017 (B 97)

https://www.nob.net/uitspraak-raad-van-beroep-12-december-2017-b-97-tegen-de-uitspraak-van-de-raad-van-tucht-30-januari

Boetebeleid Bureau Financieel Toezicht

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) heeft als toezichthouder de bevoegdheid om aan instellingen een bestuurlijke boete op te leggen voor het niet nakomen van de verplichtingen uit de Wwft. Het BFT heeft onlangs besloten om het interne boetebeleid voor het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete, te publiceren op hun website.

Het BFT maakt in haar beleid onderscheid tussen het niet nakomen van de meldplicht en het niet nakomen van het cliëntenonderzoek. Het niet nakomen van deze verplichtingen is opgedeeld in vijf categorieën van mate van ernst en verwijtbaarheid.

De omzet van een organisatie is richtinggevend voor de hoogte van de boete. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid (categorie 1-5), wordt een boete opgelegd tussen de 1% en 5% van de omzet. Indien de instelling aantoont dat de boete niet kan worden gedragen, wordt het vermogen als richtlijn aangehouden. Dan geldt als uitgangspunt 2% tot 10% van het vermogen.

Het beleid is te raadplegen op de website van het BFT.

https://www.bureauft.nl/wwft/

Registeraccountants schieten tekort bij totstandkoming deskundigenbericht

Klager exploiteerde via een besloten vennootschap [BV1] en een aantal door hem direct of indirect gecontroleerde vennootschappen [C Groep] een assurantiebedrijf. Op 28 feb 2003 is BV1 samen met een aantal andere vennootschappen van C groep failliet verklaard. Klager en de huisbankier van de C Groep zijn vervolgens verwikkeld geraakt in een civiele procedure, waarbij de bank is veroordeeld tot een schadevergoeding vanwege de opzegging van het krediet aan de C Groep.

In de schadestaatprocedure die naar aanleiding van deze uitspraak is gevoerd, is betrokkene [Y1] als deskundige aangesteld om te onderzoeken of de C Groep op 31 december 2002 zodanig in financiële problemen verkeerde dat zij op korte termijn niet meer in staat was geweest haar opeisbare verplichtingen te voldoen. Betrokkene [Y2] heeft tijdens het onderzoek een klankbordrol gehad.

In de procedure bij de Accountantskamer heeft klager onder andere gesteld dat Y1 de opdracht niet had mogen aanvaarden en dat er verschillende gebreken aan het rapport kleven die tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. De Accountantskamer is echter van mening dat het Y1 vrij stond om de opdracht als deskundige te aanvaarden. Dat hij in een voorgaande periode gelijktijdig met de accountant van de bank, partner is geweest bij hetzelfde kantoor doet daar niet aan af. Specifieke kennis van de verzekeringssector en van de vastgoedsector bij voorbaat, was evenmin een voorwaarde om de opdracht vakbekwaam en zorgvuldig uit te kunnen voeren.

De Accountantskamer is echter ook van oordeel dat uit het deskundigenrapport niet voldoende blijkt of en op welke wijze Y1 meerdere relevante factoren bij de beantwoording van de door de Rechtbank gestelde vraag heeft betrokken. Ook ontbreekt een heldere uiteenzetting van de analyse die tot de conclusie heeft geleid dat C Groep op 31 december 2002 in onvoldoende mate een reëel perspectief had op het kunnen nakomen van haar opeisbare verplichtingen en op de mogelijkheid tot een duurzame voortzetting van de bedrijfsuitoefening ultimo 2002. Het had naar het oordeel van de Accountantskamer ook op de weg van betrokkene gelegen om de juistheid van de visie van klager gemotiveerd te weerleggen.

Y2 heeft als klankbord kunnen lezen welke kritische opmerkingen naar aanleiding van het concept-deskundigenbericht werden gemaakt en op welke wijze deze door Y1 werden weerlegd. Van Y2 had verwacht mogen worden dat hij de door de Accountantskamer vastgestelde omissies in de inhoud en de weerlegging van de kritiek had bemerkt en daarop in ieder geval enige actie had ondernomen. Dit heeft hij achterwege gelaten.

Y1 wordt een berisping opgelegd. De Accountantskamer heeft aangenomen dat klager door de wijze waarop betrokkene de vraagstelling heeft opgevat en de uitkomst van zijn onderzoek heeft neergelegd in zijn deskundigenbericht, aanmerkelijk nadeel heeft ondervonden. Ook wordt in aanmerking genomen dat Y1 moest opereren in een lastige kwestie, waarbij zich veel onduidelijkheden hebben voorgedaan. Ten aanzien van Y2, wiens betrokkenheid beperkter van aard is geweest, acht de Accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Accountantskamer 19 januari 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:1

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_1

Waarschuwing wegens onprofessioneel handelen bij het opmaken van een waarde overzicht van een vennootschap

Betrokkene, registeraccountant en accountant-administratieconsulent, kreeg van zijn achterbuurman het verzoek om mee te denken over de wijze van vaststelling van de waarde van aandelen van een vennootschap. Op basis van hem toegestuurde balansen en winst- en verliesrekeningen heeft betrokkene een excelmodel gemaakt met een overzicht van de waarde van de betreffende vennootschap. Dit excelmodel heeft uiteindelijk de basis gevormd voor de bepaling van de koopprijs van de aandelen. De verkopers zijn vervolgens met de koper in een civielrechtelijk geschil geraakt, omdat deze koopprijs te hoog zou zijn vastgesteld.

Betrokkene heeft volgens klaagster (één van de verkopers) gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels, omdat hij de door hem aangeleverde cijfers onvoldoende heeft doorgrond en de waardering zonder een controle van de cijfers heeft afgegeven, terwijl hij wist dat klaagster deze cijfers bij de verkoop van de aandelen zou gebruiken en aan de koper zou verstrekken.

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene niet (tijdig) heeft onderkend dat de opdracht, ondanks haar beperkte reikwijdte, kwalificeerde als een opdracht voor de uitvoering waarvan voldaan moest worden aan de voorschriften van Standaard 5500N, waardoor is vereist dat een gegeven opdracht schriftelijk wordt vastgelegd. In de opdrachtbevestiging had betrokkene de intentie van de opdracht, inhoudende het globaal bepalen van een waarde, met de in de wet voorgeschreven elementen moeten opnemen. Indien, zoals betrokkene naar voren heeft gebracht, de verkregen informatie beperkt en om die reden ontoereikend was, had het op zijn weg gelegen om zijn cliënt tijdig in te lichten dat hij de overeengekomen werkzaamheden niet kon uitvoeren. Dit heeft hij niet gedaan. De maatregelen die betrokkene bij het verstrekken van het excelmodel heeft getroffen (het kwalificeren van de waardering als globale waardering, het wijzen op de verstrekte beperkte informatie, geen gebruik maken van een formele rapportage op officieel briefpapier of een anderszins op formele wijze uitgevoerde waardering) kwalificeren niet als toereikend.

Volgens klaagster wist betrokkene dat zijn rapportage mede bedoeld was om aan de koper ten behoeve van de verkoop te verstrekken, althans in te brengen bij verkooponderhandelingen en treft hem te meer een verwijt omdat hij dat heeft veronachtzaamd. Betrokkene heeft betwist dat klaagster hem op de hoogte heeft gesteld van het feit dat zij zijn waardering op die wijze zou gebruiken. Nu een toereikende onderbouwing hiervoor ontbreekt, heeft klaagster dit standpunt niet aannemelijk gemaakt zodat dit verwijt geen doel treft.

De Accountantskamer heeft betrokkene een maatregel van waarschuwing opgelegd.

Accountantskamer 19 januari 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:2

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_2

Ongebruikelijke transacties waren niet bekend bij de instelling, boete toch deels in stand omdat de instelling onvoldoende invulling heeft gegeven aan het cliëntenonderzoek

Naar aanleiding van een bijzonder signaal heeft het BFT een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wwft door een fiscaal advies- en accountantskantoor (de instelling/eiseres) met betrekking tot één van haar klanten (een bedrijf), waar zij de jaarrekeningen van samenstelde en administratieve bijstand aan verleende.

Volgens het BFT heeft de instelling in de periode van 2011 tot en met 2013 de verplichtingen van het cliëntenonderzoek overtreden door bij de dienstverlening aan het bedrijf geen onderzoek te doen naar de omvang en herkomst van de contante betalingen. Daarnaast zou de instelling in deze periode zeven keer hebben nagelaten een melding van een ongebruikelijke transactie te doen. Het BFT heeft ter zake van de geconstateerde overtredingen aanvankelijk een boete opgelegd ter hoogte van € 42.000. In de bezwaarfase is de boete verlaagd naar € 28.000. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de Rechtbank.

Eiseres heeft zich onder andere verweerd door te stellen dat haar pas na de hoorzitting in bezwaar cautie is gegeven en dat alle verstrekte verklaringen, zowel mondeling als schriftelijk, buiten beschouwing moeten blijven omdat zij onder dwang verkregen zijn. Derhalve is de boete in strijd met artikel 5:10a, eerste lid, Awb of artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgelegd.

De Rechtbank is echter van oordeel dat bij aanvang van de controle het voor het BFT nog niet duidelijk was welke diensten eiseres had verleend aan het bedrijf en ook niet of eiseres had kunnen zien of er sprake was van ongebruikelijke transacties. Er was daarom nog geen sprake van een verhoor. Daarnaast is de overtreding van het cliëntenonderzoek tevens gebaseerd op het onderzoek van de cliëntadministratie. Deze cliëntadministratie is wilsonafhankelijk materiaal, dat aan de boete ten grondslag mag worden gelegd, ook als deze op grond van een wettelijke verplichting onder dwang verkregen is. Voorts oordeelt de Rechtbank dat het verweer ten aanzien van het gebruik van de door eiseres afgelegde verklaring omtrent het niet melden van de ongebruikelijke transacties, geen inhoudelijke bespreking behoeft (kennelijk omdat zij van oordeel is dat eiseres in dit verband geen verwijt betreft).

Eiseres voert aan dat zij geen zicht hoefde te hebben op de omvang van de contante betalingen bij het bedrijf aangezien het bedrijf een klant was met een laag risico. Tevens acht zij de grondslag van de boete onduidelijk, omdat ook omstandigheden voorafgaand aan 2011 door het BFT zijn meegewogen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de instelling haar aanname dat het bedrijf een klant was waarbij geen (hoog) risico bestond op overtredingen van de Wwft ten onrechte niet gecontroleerd. Op grond van artikel 3 Wwft was de instelling daartoe wel gehouden. De instelling is op grond van het cliëntenonderzoek verplicht tot een voortdurende controle op de zakelijke relatie en op de tijdens deze relatie verrichte transacties. Dat volgens de instelling in het verleden geen bijzondere risico’s in de bedrijfsvoering van het bedrijf naar voren waren gekomen, ontslaat de instelling niet van haar verplichtingen om deze controle voortdurend uit te oefenen.

Bovendien vloeide uit de aard van het bedrijf voort dat er een risico bestond op witwassen. Het bedrijf was immers een klant waarvoor gold dat een groot deel van haar omzet contant werd betaald en die op grond van de Wwft een eigen meldplicht had voor contante betalingen boven € 15.000. Ook als de verhouding tussen contante betalingen en bankbetalingen niet ongebruikelijk zou zijn in de branche waarin het bedrijf actief is, zoals eiseres heeft aangevoerd, had eiseres dienen na te gaan of deze contante betalingen niet zouden moeten leiden tot aanscherping van het risicoprofiel. Van enige controleactiviteiten van eiseres op dit punt, zoals bijvoorbeeld het navragen of het bedrijf aan haar eigen meldplicht voldeed, is volgens de Rechtbank niet gebleken. De omstandigheid dat een accountant volgens de eigen beroepsregels geen verificatieplicht heeft bij het samenstellen van een jaarrekening leidt daarom niet tot de conclusie dat aan de uit de Wwft voortvloeiende verplichting tot cliëntcontrole geen invulling behoeft te worden gegeven. Dat betekent dat eiseres bij het samenstellen van de jaarrekening controle had moeten uitoefenen op de risico’s die zich voordeden in de bedrijfsvoering van het bedrijf. Nu eiseres dit heeft nagelaten heeft het BFT volgens de Rechtbank dan ook terecht een overtreding van artikel 3 Wwft vastgesteld.

Het bovenstaande betekent echter niet dat eiseres hierdoor ook ten onrechte heeft nagelaten de ongebruikelijke transacties te melden. Artikel 16, eerste lid, Wwft vereist dat een instelling bekend is met een ongebruikelijke transactie en dit verwijtbaar niet (tijdig) meldt. Dat eiseres bekend had kunnen worden met het ongebruikelijke karakter van de diverse concrete transacties indien eiseres eenzelfde onderzoek had gedaan als het BFT, leidt volgens de Rechtbank niet tot de conclusie dat zij door dit onderzoek na te laten artikel 16, eerste lid, Wwft heeft overtreden. Dit verwijt ziet immers ten materiële op het nalatig zijn in het uitvoeren van een doeltreffend cliëntonderzoek en niet op het verwijtbaar niet-melden van haar bekend geworden ongebruikelijke transacties. Ook het persbericht van oktober 2013, waardoor eiseres op de hoogte raakte van de verdenking van het Openbaar Ministerie jegens het bedrijf over de jaren 2009 en 2010, leidt er op zichzelf niet toe dat eiseres daardoor wel kennis droeg van concrete ongebruikelijke transacties bij het bedrijf. In dit persbericht worden immers geen concrete transacties genoemd. Omdat het BFT niet heeft aangetoond dat eiseres al voorafgaand aan het onderzoek van het BFT wist van de ongebruikelijke transacties bij het bedrijf in de jaren 2011-2013, heeft het BFT niet onderbouwd dat eiseres artikel 16, eerste lid, Wwft heeft overtreden.

Ten aanzien van de boete wordt door de Rechtbank opgemerkt dat het BFT een intern boetebeleid heeft die invulling geeft aan de matiging van de basisbedragen. Er wordt gewerkt met aan de omzet van de betreffende instelling gerelateerde boetes, die variëren van 1% tot 5%. Dit boetebeleid is volgens de Rechtbank op zichzelf niet onredelijk. Bij eiseres heeft het BFT de boete (in bezwaar) gematigd tot 3% van de omzet. Het BFT heeft echter ten onrechte zeven overtredingen van artikel 16, lid 1, Wwft mede ten grondslag gelegd aan de boete. Hierom heeft de Rechtbank de boete gematigd tot € 21.000. De Rechtbank is van oordeel dat eiseres de boete met een betalingsregeling zal kunnen dragen.

Rechtbank Rotterdam 15 december 2017, ECLI:NL:RBOT:2017:9882

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2017:9882

De AFM heeft niet buiten redelijke twijfel aangetoond dat EY en PwC hun wettelijke zorgplicht hebben overtreden

Volgens de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) hebben PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. (PwC) en Ernst & Young Accountants LLP (EY) niet voldaan aan hun wettelijke zorgplicht (artikel 14 Wet toezicht accountantsorganisaties), omdat hun externe accountants niet voldoen aan de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. In een aantal dossiers is door de AFM geconstateerd dat de externe accountants in verschillende controledossiers niet over voldoende en geschikte informatie beschikte om een goedkeurende verklaring te verstrekken bij de betreffende jaarrekening. De AFM heeft aan EY en PwC bestuurlijke boetes opgelegd van € 2.230.000 respectievelijk € 845.000. De accountantskantoren hebben hiertegen beroep ingesteld bij Rechtbank Rotterdam.

Volgens de Rechtbank zal ter beantwoording van de vraag of de accountantsorganisatie de op haar rustende wettelijke verplichtingen naleeft, in beginsel onderzoek moeten worden gedaan naar het kwaliteitsbeleid en naar het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantsorganisatie. Alleen met een dergelijk onderzoek wordt rechtstreeks inzicht verkregen in de wijze waarop de accountantsorganisatie invulling geeft aan haar wettelijke verplichtingen, in het bijzonder de op haar rustende zorgplicht.

Onderzoek naar de controlewerkzaamheden van de externe accountants is volgens de Rechtbank niet vereist om te kunnen beoordelen of de accountantsorganisatie haar zorgplicht naleeft. Tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants kunnen duiden op een gebrekkige naleving van de zorgplicht door de accountantsorganisatie. Dergelijke tekortkomingen zijn als zodanig in beginsel echter niet voldoende voor de conclusie dat de accountantsorganisatie nalatig is ten aanzien van haar zorgplicht.

In bijzondere gevallen zou op grond van tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants de conclusie gerechtvaardigd kunnen zijn dat de accountantsorganisatie niet aan haar zorgplicht voldoet. Nu sprake is van afzonderlijke, van elkaar te onderscheiden wettelijke verplichtingen voor enerzijds de accountantsorganisatie en anderzijds haar externe accountants, waarbij bovendien de professionele oordeelsvorming van de externe accountant een rol speelt, dienen de tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants in dat geval geen andere conclusie toe te laten dan dat de accountantsorganisatie tekortschiet in de naleving van haar zorgplicht.

Wat dit laatste betreft heeft de AFM volstaan met het standpunt dat, gelet op de aard, ernst en hoeveelheid van de tekortkomingen in de controlewerkzaamheden bij de door de AFM onderzochte controles, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat EY en PwC zich onvoldoende inspanningen hebben getroost om ervoor te zorgen dat haar externe accountants bij het verrichten van wettelijke controles voldoen aan de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. Uitgaande van de strenge eisen die moeten worden gesteld aan de bewijsvoering van de overtreding en de motivering van de boeteoplegging, is dit onvoldoende voor het oordeel dat de AFM buiten redelijke twijfel heeft aangetoond dat PwC en EY hun zorgplicht hebben overtreden. De AFM motiveert immers niet waarom de aard, ernst en hoeveelheid van de tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants geen andere conclusie toelaten dan dat EY en PwC hun zorgplicht niet zijn nagekomen.

De Rechtbank heeft het beroep van EY en PwC gegrond verklaard en de boetebesluiten herroepen.

Rechtbank Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9977 en ECLI:NL:RBROT:2017:9978

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2017:9977

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:9978