Van Wwft & tuchtrecht

Waarschuwing voor registeraccountant die aanzienlijke verschillen in de gepubliceerde jaarcijfers niet heeft waargenomen

Betrokkene, een registeraccountant, is sinds eind 2011 accountant van de vennootschap [Holding B.V.] en haar dochtermaatschappijen, waaronder [B.V.1]. Laatstgenoemde vennootschap was afnemer van producten van klaagster. [Holding B.V.] stond garant voor de betaling van de leveringen van klaagster aan [B.V.1]. Klaagster heeft vanwege een verruimde garantstelling, de liquiditeiten van deze vennootschappen op basis van onder meer de gepubliceerde balansen getoetst en voor de garantstelling als voldoende beoordeeld. Bij klaagster zijn echter door het faillissement van [Holding B.V.] en [B.V.1] facturen onbetaald gebleven voor een bedrag van € 133.389,59.

Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels, nu onder zijn verantwoordelijkheid over het boekjaar 2010 publicatieverslagen van [Holding B.V.] en [B.V.1] zijn gedeponeerd, waarin onjuiste cijfers zijn opgenomen.

In de procedure heeft betrokkene erkend dat beide aan de orde zijnde publicatiestukken onder zijn verantwoordelijkheid zijn opgesteld en gedeponeerd. Volgens klaagster blijkt uit de balansen over 2010 en de jaarrekeningen 2010 dat die cijfers in vele opzichten afwijken van de cijfers opgenomen in de publicatiestukken. Gezien die afwijkingen geven de publicatiestukken een misleidend beeld van de liquiditeitsposities van de betreffende vennootschappen. Waren de juiste cijfers door betrokkene gedeponeerd, dan was er mogelijk geen verruimde garantstelling afgegeven. Betrokkene heeft erkend dat er verschillen zijn tussen de cijfers in de publicatiestukken en de stukken waarop klaagster heeft gewezen, maar (het effect van) die verschillen gerelativeerd. Hij heeft voorts aangevoerd dat er geen definitieve jaarrekening van [Holding B.V] is opgesteld.

De Accountantskamer stelt vast dat het om aanzienlijke verschillen gaat. Volgens betrokkene zijn de afwijkingen veroorzaakt door een technische fout in het rapportagepakket. Betrokkene had echter erop moeten toezien dat de gepubliceerde balans op juiste wijze was ontleend aan de balans in de opgemaakte en vastgestelde jaarrekeningen. De verschillen daartussen hadden hem niet mogen ontgaan. Dat geldt te meer als het gaat om het deponeren van cijfers die afwijken van de cijfers in een conceptjaarrekening die nog niet is vastgesteld. Immers deponering van publicatiestukken mag pas plaatsvinden nadat de jaarrekening is vastgesteld.

Dit tekortschieten levert volgens de Accountantskamer strijd op met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Aan dat oordeel doet niet af dat de publicatiebalans een minder gunstig beeld geeft van de financiële positie, dan de balans in de jaarrekening.

De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en legt aan betrokkene de maatregel waarschuwing op. Daarbij wordt enerzijds meegewogen dat betrokkene tot twee maal toe is tekortgeschoten in de van hem te vergen deskundigheid en zorgvuldigheid. Anderzijds staat daar tegenover dat de gepubliceerde cijfers een slechter beeld geven van de financiële positie, zodat gebruikers waarschijnlijk door de verschillen niet zijn benadeeld.

Accountantskamer 18 augustus 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:51

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2017/ECLI_NL_TACAKN_2017_51?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=6

Uitblijven van een reactie is van onvoldoende tuchtrechtelijk gewicht om te oordelen dat registeraccountant tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld

Betrokkene, een registeraccountant, wordt verweten dat hij niet heeft gereageerd op diverse brieven en e-mails van klager (een voormalige maat van betrokkene) inzake het nakomen van een vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is klager gevrijwaard voor toekomstige claims van een andere accountant die uit de maatschap was gestapt.

Betrokkene heeft ter verklaring voor het uitblijven van een reactie onder meer aangevoerd dat hij geen toegang meer had tot het kantoor waarheen een aantal van de brieven zijn gestuurd en dat de brieven niet aan hem zijn doorgestuurd. Hetzelfde geldt voor de betreffende e-mailberichten die daaraan zijn gericht. Bovendien bleef betrokkene veel in het buitenland en had zijn penvoerder hem niet op de hoogte gebracht van de correspondentie.

De Accountantskamer is van oordeel dat het verre de voorkeur had verdiend dat betrokkene op de brieven en e-mailberichten had gereageerd. De Accountantskamer neemt daarbij in aanmerking dat klager een groot financieel belang heeft bij het verkrijgen van meer zekerheid over het nakomen van de vrijwaring en dat door het uitblijven van een reactie van betrokkene de onzekerheid over die nakoming werd versterkt. De Accountantskamer gaat voorbij aan het verweer van betrokkene dat hij de verzoeken van klager niet heeft ontvangen, mede vanwege zijn verblijf in het buitenland. Nu betrokkene in Nederland zakelijk actief was en er, naar hij ter zitting heeft verklaard, sprake was van een stortvloed aan juridische conflicten, had betrokkene, onverwijld maatregelen moeten treffen om te waarborgen dat hij (weer) per post en per e-mail bereikbaar was. Anderzijds moet worden vastgesteld dat er uiteindelijk wel is gereageerd op het verzoek van klager.

Een en ander afwegend acht de Accountantskamer het uitblijven van een eerdere reactie van betrokkene op de brieven en e-mailberichten van klager van onvoldoende tuchtrechtelijk gewicht om te oordelen dat betrokkene in strijd met enige voor hem geldende gedrags- of beroepsregel heeft gehandeld. De klacht dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Nu de Accountantskamer reeds op deze grond de klacht ongegrond verklaart, gaat zij voorbij aan hetgeen betrokkene overigens heeft aangedragen.

Accountantskamer 18 augustus 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:52

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2017/ECLI_NL_TACAKN_2017_52?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=7

Accountant handelde onzorgvuldig door onvoldoende onderzoek te doen naar de vol-ledigheid van de verstrekte gegevens en door het antedateren van een overeenkomst

Appellant is werkzaam als accountants-administratieconsulent en bestrijdt het oordeel van de Accountantskamer dat hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat de ex-vrouw van een tandarts (klaagster) toestemming had verleend voor het stopzetten van de pensioenopbouw in eigen beheer van de vennootschap. Tevens bestrijdt appellant het oordeel van de Accountantskamer dat hij door het antedateren van de overeenkomst tot stopzetting van het pensioen, tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Aan appellant is door de Accountantskamer de maatregel van berisping opgelegd.

Volgens de voorwaarden was voor de beëindiging van het nabestaandenpensioen een akkoord vereist van klaagster. Een door klaagster getekend exemplaar van de stopzettingsovereenkomst ontbrak. Volgens appellant blijkt echter uit meerdere feiten en omstandigheden dat klaagster akkoord is gegaan met de stopzetting van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Volgens appellant is hij ingeschakeld als deskundige op het gebied van verslaglegging en niet vanwege zijn deskundigheid op controlegebied. Dat houdt volgens appellant in dat niet zonder meer verwacht mag worden dat verificatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd die bij een controle horen. Dit is slechts anders indien aanleiding bestaat of had moeten bestaan te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de gegevens of wanneer die gegevens anderszins onbevredigend zijn. Daarvan was geen sprake, aldus appellant. Klaagster beweert echter dat zij nooit akkoord is gegaan met de stopzetting van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen.

Het College stelt voorop dat er in beginsel geen verificatieplicht bestaat bij het opstellen van een samenstellingsverklaring. Het College stelt voorts vast dat appellant nauw betrokken is geweest bij het stopzetten van de verdere pensioenopbouw in eigen beheer. Onder deze omstandigheden had appellant naar het oordeel van het College bij het samenstellen van de jaarrekening 2013 moeten constateren dat de aan hem verstrekte gegevens onvolledig waren, nu een door klaagster getekend exemplaar van de stopzettingsovereenkomst ontbrak. Appellant had bij de vennootschap moeten informeren naar het bestaan van een door de partner getekend exemplaar van de stopzettingsovereenkomst. Hetgeen is gesteld door appellant maakt dat niet anders.

Ten aanzien van de tweede grief overweegt het College dat de Accountantskamer in haar overwegingen buiten de formulering en strekking van het klachtonderdeel is getreden. De grief is in zoverre terecht voorgedragen. Niet in geschil is echter dat appellant de gewijzigde stopzettingsovereenkomst heeft geantedateerd. Hoewel niet is gebleken dat aan het antedateren van de stopzettingsovereenkomst een onoorbaar motief ten grondslag lag, oordeelt het College dat appellant door het antedateren van de stopzettingsovereenkomst onzorgvuldig heeft gehandeld.

De klachtonderdelen zijn beide terecht gegrond verklaard. Het College acht het opleggen van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:291

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:291

Accountantskamer had klachtonderdelen niet-ontvankelijk moeten verklaren

Aan appellant is door de Accountantskamer in eerste aanleg de maatregel van waarschuwing opgelegd nu hij in strijd zou hebben gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Hem werd onder meer verweten dat hij in de jaarrekeningen 2011 van de vennootschappen (klagers) (i) bepaalde vorderingen had moeten afwaarderen en (ii) dat de continuïteitsveronderstelling niet nader is toegelicht.

In hoger beroep bestrijdt appellant dit oordeel van de Accountantskamer. Hij stelt dat de Accountantskamer ten onrechte deze klachtonderdelen inhoudelijk heeft beoordeeld. Naar zijn mening zijn de onderdelen van de klacht buiten de termijn van drie jaar ingediend, zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wta). De klacht is bij brief van 5 augustus 2015 ingediend en appellant is van mening dat de in de klacht gestelde verwijten al vóór 5 augustus 2012 door klagers is geconstateerd of redelijkerwijs geconstateerd had kunnen worden. De klachtonderdelen hadden daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Het College stelt vast dat appellant op 13 juli 2012 de (concept)jaarrekeningen over 2011 met klager heeft besproken en daarbij een samenstellingsverklaring heeft afgegeven. Daarin zijn de vorderingen opgenomen tussen de vennootschappen onderling en van de vennootschappen op [A], de enig aandeelhouder en bestuurder. Van deze bespreking heeft appellant middels handgeschreven gespreksaantekeningen beknopt verslag gedaan. Uit deze aantekeningen blijkt dat is gesproken over het ten opzichte van de omzet zeer marginale resultaat, de liquiditeitsproblemen van de onderneming, het door [A] te veel opnemen als medeoorzaak daarvan en het wegstrepen van alle rekening-couranten voor 2012. Verder stelt het College vast dat naar aanleiding van diezelfde bespreking een juridisch adviseur in overleg met appellant op 27 juli 2012 diverse documenten aan [A] heeft toegezonden. Daaruit blijkt volgens het College dat het herstructureren van de binnen de groep bestaande schuldaanspraken op 13 juli 2012 onderwerp van bespreking is geweest. Het is volgens het College niet voorstelbaar dat appellant niet uitgebreid bij de schuldpositie van de onderneming heeft stilgestaan. De onderneming verkeerde duidelijk in zwaar weer – hetgeen zeker de aandacht van [A] als bestuurder en aandeelhouder moet hebben gehad – zodat daar alle aanleiding toe bestond.

Derhalve moet worden gehouden dat [A] vóór 5 augustus 2012 niet alleen op de hoogte was of kon zijn van de (mate van oninbaarheid van de) vorderingen tussen de vennootschappen onderling en van de vennootschappen op hem in privé, maar bovendien ermee bekend was in hoeverre appellant vorderingen in de jaarrekeningen 2011 had afgewaardeerd. Tevens blijkt uit de feiten dat klagers op de hoogte waren of konden zijn van de problematische financiële positie van de vennootschappen, zodat zij op 13 juli 2012 het ontbreken van een nadere uitleg van de continuïteitsveronderstelling bij de oplevering van de samenstellingsverklaring bij de betreffende jaarrekeningen hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren.

Gelet op het voorgaande verklaart het College het hoger beroep gegrond. Het College vernietigt de uitspraak van de Accountantskamer en de maatregel van waarschuwing en verklaart de voormelde klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 18 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:273

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2017:273

Hoewel de tuchtklacht mogelijk uitsluitend als pressiemiddel is gebruikt had niet mogen worden gedreigd met mogelijke schadeclaim

Betrokkene is accountant en werkzaam voor een accountantskantoor en heeft voor een vennootschap, klaagster, diensten verleend, zoals de controle van de (geconsolideerde jaarrekening) en samenstellingswerkzaamheden. Tijdens die werkzaamheden is tussen partijen een geschil ontstaan over de aanlevering van de benodigde controle-informatie, hetgeen volgens betrokkene tot gevolg heeft gehad dat het overeengekomen budget reeds voor het einde van de controlewerkzaamheden was besteed. Op enig moment heeft [B], die als senior bedrijfsjurist bij het accountantskantoor werkzaam is, op verzoek van betrokkene de behandeling van de openstaande facturen overgenomen. In een brief van [B] aan klaagster staat het volgende vermeld:

Uit uw e-mail d.d. 26 september 2016 maken wij op dat u voornemens bent een klachtenprocedure te starten bij de NBA en de Accountantskamer. Het is ons echter onbekend wat de grondslag daartoe zal zijn. Tijdens de bespreking op 5 september 2016 heeft u immers te kennen gegeven over te gaan tot het starten van een procedure indien partijen niet tot een minnelijke regeling zouden komen. Wij kunnen ons dan ook niet aan de indruk onttrekken dat u genoemde klachtenprocedure bij NBA en Accountantskamer uitsluitend als pressiemiddel aanwendt teneinde te trachten ons te bewegen tot een u welgevallige minnelijke regeling te komen. Voorgaande kan onder omstandigheden worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid en kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens [Accountantskantoor1]. Indien mocht blijken dat u daadwerkelijk misbruik maakt van een bevoegdheid en een onrechtmatige daad pleegt  jegens [Accountantskantoor1], dan wel een of meerdere van de aldaar werkzame personen, dan zullen wij genoodzaakt zijn de geleden en nog te lijden schade op u te verhalen.(…)”

De klacht houdt in dat betrokkene ten onrechte zou hebben getracht klaagster af te houden van het indienen van een tuchtklacht, door te stellen dat het indienen van een tuchtklacht mogelijk onrechtmatig zou kunnen zijn en dat eventuele schade dientengevolge op klaagster zal worden verhaald.

De Accountantskamer stelt allereerst vast dat de brief waarop de klacht betrekking heeft, door de bedrijfsjurist van het accountantskantoor is opgesteld en verstuurd en dat de brief dus strikt genomen geen handelen of nalaten van betrokkene betreft. Allereerst moet dus beoordeeld worden of betrokkene wel tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van deze brief. In dat verband overweegt de Accountantskamer dat uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 22 april 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:158) valt af te leiden dat er ten minste enige (vaktechnische) betrokkenheid van de aangeklaagde accountant dient te zijn bij het gewraakte handelen van een ander die niet is ingeschreven als accountant, wil sprake kunnen zijn van tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van die accountant.

Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij de feiten in de betreffende conceptbrief heeft gecontroleerd en dat, hoewel hij niet meer weet of de gewraakte passage er reeds letterlijk in stond, de strekking van die passage wel reeds aanwezig was in de brief. De Accountantskamer leidt hieruit enige (vaktechnische) betrokkenheid af bij de inhoud van de brief, waarmee zij de klacht ontvankelijk acht.

Bij de beoordeling van de klacht dient volgens de Accountantskamer voorop te staan dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Een accountant dient zich dan ook te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen. De omstandigheid dat betrokkene niet heeft aangekondigd in geval van een tuchtklacht zonder meer een actie uit onrechtmatige daad te zullen starten, ontneemt aan de uitlating niet de afschrikwekkende werking. Weliswaar kan in de brief gelezen worden dat, indien de tuchtklacht uitsluitend als pressiemiddel wordt aangewend, (pas) onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid en een onrechtmatige daad, maar daaraan wordt, zonder die omstandigheden te expliciteren, in stellige bewoordingen toegevoegd dat, indien hiervan sprake blijkt te zijn, het accountantskantoor genoodzaakt zal zijn om de geleden en nog te lijden schade op klaagster te verhalen. Aangenomen kan worden dat een dergelijke uitlating in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht wordt ervaren. Dat de gewraakte mededeling in dit geval mogelijk (ook) onderdeel van de onderhandelingen was, doet daaraan niet af.

De klacht is dan ook gegrond. Echter, de Accountantskamer stelt vast dat klaagster reeds in reactie op een schikkingsvoorstel voorafgaande aan de brief heeft aangekondigd een tuchtklacht in te dienen. Daardoor kon de indruk ontstaan dat klaagster de aankondiging van een tuchtklacht uitsluitend als pressiemiddel heeft willen gebruiken. De Accountantskamer begrijpt dat de mededeling van betrokkene als doel had om hier tegengewicht aan te bieden. Gezien deze omstandigheden, met inachtneming van de aard en de ernst van het verzuim, ziet de Accountantskamer geen aanleiding om een maatregel op te leggen.

De Accountantskamer 11 augustus 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:50

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:50

Onvoldoende controle naar belangrijke post in jaarrekening

Klaagster is (de curator van) een zorgbureau die zich voornamelijk richtte op het leveren van thuiszorg en sloot met het oog op haar bedrijfsactiviteiten overeenkomsten met zorgkantoren.

Betrokkene was in 2010 controlerend accountant van het zorgbureau en heeft ten behoeve van (onder meer) drie zorgkantoren accountantsverklaringen afgegeven. Tevens heeft zij een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening van het zorgbureau.

Uit de resultaten van een onderzoek in opdracht van één van de zorgkantoren naar aanleiding van gebleken misstanden bij het zorgbureau is in het najaar van 2011 bekend geworden dat het zorgbureau veel meer zorg had gedeclareerd dan daadwerkelijk was geleverd.

De klacht houdt in dat betrokkene ten onrechte een goedkeurende verklaring zou hebben afgegeven nu in die jaarrekening ten onrechte een bedrag van (afgerond) € 3,7 miljoen aan omzet is verantwoord. Klaagster voert ter onderbouwing – onder meer – aan dat betrokkene ten onrechte na de controle van de nacalculaties geen aanvullende controlewerkzaamheden heeft verricht,  dat zij zich bij het afgeven van de goedkeurende verklaring louter zou hebben gebaseerd op een verklaring van de (indirect) bestuurder van het zorgbureau inhoudende dat de zorgkantoren de nacalculaties hadden goedgekeurd en dat zij signalen van fraude bij het zorgbureau onvoldoende serieus heeft genomen.

De Accountantskamer verwerpt het verweer van betrokkene dat de klacht (17 mei 2016) zou zijn verjaard. Ter zake de zesjaars termijn is ter zitting (alsnog) duidelijk gemaakt dat de klacht niet het afgeven van de verklaringen bij de nacalculaties (25 februari 2010) betreft en evenmin de controlewerkzaamheden die voorafgaande daaraan zijn verricht. Het object van de klacht is het afgeven van de goedkeurende verklaring zonder over (in de ogen van klager) toereikende controle-informatie te beschikken. Dat het vergaren van voldoende controle-informatie voorafgaande aan het afgeven van de verklaring had moeten plaatsvinden en dus (mogelijk) meer dan zes jaar vóór het indienen van de klacht, maakt dat niet anders, aldus de Accountantskamer. Volgens de Accountantskamer is de driejaarstermijn evenmin overschreden,  omdat klaagster onweersproken heeft aangevoerd dat zij pas in 2015 over stukken beschikte waaruit het klachtwaardig handelen/nalaten bleek.

De Accountantskamer overweegt dat, gezien de bij de nacalculaties afgegeven verklaringen inhoudende een oordeel met beperking, vaststaat dat betrokkene geen toereikende informatie heeft kunnen verkrijgen om tot de conclusie te komen dat de nacalculaties geen afwijking van materieel belang bevatten. Betrokkene had dus aanvullende controlewerkzaamheden moeten verrichten in het kader van de controle van de desbetreffende post. Betrokkene had zich niet slechts mogen baseren op enkele e-mailberichten van de administrateur van klaagster, alsmede een mondelinge verklaring van een indirect bestuurder van klaagster. Zij had nadere informatie moeten vergaren om zich ervan te vergewissen dat de zorgkantoren (aan welke werd gedeclareerd) hadden ingestemd met de gedeclareerde werkzaamheden.

De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en acht een berisping passend en geboden.

Daarbij weegt de Accountantskamer mee dat betrokkene blijk heeft gegeven van een onvoldoende professioneel kritische instelling bij haar controle van de belangrijkste post in de jaarrekening van klaagster, door genoegen te nemen met ontoereikende controle-informatie.

De Accountantskamer 11 augustus 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:49

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:49

Registeraccountant als deskundige in civiele rechtzaak te kort door de bocht

Appellant is een registeraccountant die door Rechtbank Roermond in 2012 werd benoemd tot deskundige in een civiele procedure tussen klaagster en een andere accountant. Appellant werd in dat kader opgedragen om een deskundigenbericht uit te brengen over het werk van die andere accountant.

In de procedure bij de Accountantskamer is onder meer geoordeeld dat appellant in zijn rapport had moeten vermelden dat de betreffende accountant bij het samenstellen van de jaarrekening een dubbele betaling aangaande het bedrijfspand had moeten signaleren en deze had moeten melden bij klaagster. Daarnaast had appellant tot een zelfstandig oordeel moeten zijn gekomen omtrent de dubbele betaling en door dat niet te doen zou hij Rechtbank Roermond op het verkeerde been hebben gezet. Bij de bestreden uitspraak heeft de Accountantskamer de klachtonderdelen gezamenlijk besproken, gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de Accountantskamer. De eerste grief is dat de Accountantskamer een onjuiste (dan wel te ruime) beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd. Volgens appellant heeft de Accountantskamer ten onrechte aan appellant dezelfde maatstaf aangelegd als ten aanzien van de accountant wiens werk appellant moest beoordelen. De fout die de oorspronkelijk accountant zou hebben gemaakt, werkt dan vervolgens één op één door in het deskundigenbericht en dit is volgens appellant niet juist. Het enkele feit dat appellant in het rapport tot een andere conclusie komt dan de Accountantskamer leidt volgens appellant niet per definitie tot de conclusie dat appellant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat zijn rapport op een deskundige en zorgvuldige manier tot stand gekomen is.

Het College overweegt hierover dat de appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, ervan is uitgegaan dat de accountant ten tijde van het samenstellen van de jaarrekeningen op de hoogte was van de ‘dubbele betaling’ voor het bedrijfspand. Het College verwerpt echter het standpunt van appellant dat de accountant in het kader van zijn samenstellingswerkzaamheden hierover geen nadere inlichtingen had hoeven vragen. Het ging immers om een op z’n minst genomen opmerkelijke financiële transactie die bovendien van materieel belang was voor de onderneming in kwestie, waardoor de accountant niet zomaar had mogen aannemen dat dit de bedoeling was.

Het College onderstreept de conclusie van de Accountantskamer dat appellant dit in zijn deskundigenbericht had moeten onderkennen. In elk geval had hij in zijn rapport niet kunnen volstaan met een ongeclausuleerde ‘ja’ op de vraag van de Rechtbank of de accountant een beroepsfout had gemaakt. De stelling van appellant ter zitting dat het hem, gelet op de gesloten vraagstelling van de Rechtbank, niet vrij stond anders te antwoorden dan met ‘ja’ of ‘nee’, brengt het College niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien waarom het appellant niet zou zijn toegestaan zijn antwoord op de vragen van de Rechtbank van een (nadere) motivering of nuancering te voorzien.

Het College ziet geen aanleiding om een andere maatregel op te leggen dan de waarschuwing zoals die door de Accountantskamer is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:70

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:270

Cliëntenonderzoek op basis van de Wwft is niet geheel vormvrij

Bij besluit heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) aan appellant, handelend onder de naam van een accountantskantoor, een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.500 wegens overtreding van het cliëntenonderzoek vastgelegd in artikel 3 en artikel 33 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

De Rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en heeft daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen. Appellant is, als hij zijn bedrijf uitoefent een instelling in de zin van de Wwft en is daarom gehouden het cliëntenonderzoek zo in te richten dat hij in staat is om de cliënt te identificeren en diens identiteit te verifiëren. De identiteit kan, gelet op de bepalingen van artikel 11 van de Wwft en artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft, worden geverifieerd aan de hand van bijvoorbeeld een paspoort, een rijbewijs of een identiteitsbewijs maar niet met gegevens van de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel of de loonadministratie. In artikel 33 Wwft is bepaald dat de gegevens van deze documenten op opvraagbare wijze dienen te zijn vastgelegd. Dit kan door een kopie te maken van een identiteitsdocument of de gegevens van het document te noteren en te bewaren. De Rechtbank volgt appellant niet in het betoog dat het cliëntenonderzoek vormvrij is. Aangezien appellant erkent dat hij geen kopie heeft gemaakt dan wel relevante gegevens heeft genoteerd en bewaard, heeft het BFT terecht geconstateerd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de regels van de Wwft ter zake het cliëntenonderzoek. Dat appellant de betreffende cliënten al jaren kent en een cliënt een familielid is, maakt niet dat hij niet aan de verplichtingen van de Wwft hoeft te voldoen. De Wwft kent geen uitzondering voor dergelijke situaties. De Rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de Rechtbank. Hij stelt dat het BFT en de Rechtbank de Wwft op onjuiste wijze interpreteren. Volgens hem blijkt namelijk uit verschillende kamerstukken dat het cliëntenonderzoek vormvrij is. Een vormvrij cliëntenonderzoek is in overeenstemming met de gedachte achter het wetsvoorstel om een einde te maken aan het rigide en kostbare regime uit de Wet op de identificatieplicht (WID). Er is dan ook geen wettelijke verplichting meer om kopieën van documenten te maken of documentnummers op te schrijven. Het cliëntenonderzoek van appellant zou voldoen aan dit vormvrije cliëntonderzoek.

Het BFT stelt zich op het standpunt dat de Wwft weliswaar niet voorschrijft dat een kopie moet worden gemaakt van het identiteitsbewijs, maar dat in de Wwft wel is opgenomen dat cliënten voorafgaand aan de dienstverlening geïdentificeerd moeten worden en dat de identiteit van cliënten moet worden geverifieerd. Verder volgt uit de Wwft dat bepaalde gegevens wél moeten worden vastgelegd. Het verwijt jegens appellant is dat hij de identiteit van zijn cliënten in het geheel niet conform de Wwft identificeert. Ten tijde van het onderzoek beschikte appellant niet over kopieën van het identiteitsbewijs dan wel over de in artikel 33 van de Wwft genoemde gegevens. Appellant zou zich dus niet aan de verplichtingen van artikel 3 en artikel 33 van de Wwft hebben gehouden.

Het College verwerpt de stelling van appellant. Volgens het College doet de wens van de wetgever om met de Wwft een minder rigide systeem te hanteren, met als uitgangspunt een risicogeoriënteerde benadering, niet af aan de in de artikelen 3 en 33 van de Wwft neergelegde verplichtingen. Appellant verliet zich enkel op het vastleggen van gegevens uit, onder andere, fiscale aangiften van cliënten. Op grond van deze gegevens kon appellant de identiteit van zijn cliënten niet identificeren in overeenstemming met de Wwft.

Het College verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:235

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:235

 


 

Evaluatierapport project Niet-Melders openbaar

Naar aanleiding van een recent Wob-verzoek (Wet openbaarheid van bestuur) over het Niet-Melders Project heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 21 juli 2017 een set met documenten vrijgegeven, waaronder een evaluatierapport van het Functioneel Parket Amsterdam over de strafrechtelijke aanpak van schendingen van verplichtingen uit de Wwft.

In 2012 is het Niet-Melders Project gestart dat zich richt op poortwachters in het economisch verkeer. Het Niet-Melders Project is een gezamenlijk project waarin de toezichthouders samen met de Financial Intelligence Unit, de FIOD, de politie en het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie ieder halfjaar een aantal zaken selecteert waar het vermoeden is dat sprake is van overtreding van de Wwft en die strafrechtelijk op te pakken.

In de evaluatie is gekeken door wie de signalen zijn aangeleverd, welke meldplichtige instellingen strafrechtelijk vervolgd zijn en naar de status van de lopende zaken.

De verschillende groepen die worden onderzocht zijn onder meer: handelaren (20), notarissen (9), accountants (4), belastingadviseurs (4), trustkantoren (2) en makelaars (2). Uit de vrijgegeven gegevens blijkt dat het gros van de gevallen (41%) is gebaseerd op meldingen van de FIOD en de politie. Verder valt op dat alle zaken die voor de rechter zijn geweest (10), hebben geleid tot een veroordeling:

Uit de evaluatie blijkt voorts dat de zaken die op zitting zijn geweest steeds hebben geleid tot een veroordeling. Dit zou voornamelijk komen omdat het soort opzet dat moet worden bewezen bij overtredingen van de wwft, kleurloos opzet betreft, zodat niet van belang is of de instelling op de hoogte was van de wetgeving. Dit zou volgens de schrijvers van het evaluatierapport eveneens betekenen dat niet van belang zou zijn of de instelling de transactie zelf al dan niet als ongebruikelijk heeft aangemerkt.

Daarnaast is een groei te zien in het aantal meldingen per jaar. Voor de start van het project (2011) kwamen jaarlijks 167.000 meldingen binnen. In 2014 waren dat er ruim 277.000 en in 2016 is het aantal meldingen opgelopen tot 417.000.

Tenslotte wordt opgemerkt dat nog niet veel trustkantoren melden. In 2014 waren dit 31 van de 287 vergunninghoudende trustkantoren. Deze meldplichtige instelling heeft volgens het rapport veel zicht op geldstromen en zou daardoor ongebruikelijke transacties moeten constateren. Het moet duidelijker worden dat ook zij moeten melden.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/2017/07/21/wob-besluit-21-juli-2017-inzake-niet-melders-project

 

 

Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen bij overname bedrijf

Klaagster is een onderneming waarvoor betrokkenen (twee registeraccountants in de uitspraak genoemd [Y1] en [Y2]) diensten verleenden, zoals de controle van de jaarrekeningen van klaagster en de advisering over een overname van een onderneming. Deze onderneming bleek later zwaar verliesgevend te zijn.

De klacht houdt in dat betrokkenen hebben gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. Betrokkenen zouden volgens klaagster (onder meer) ten onrechte geen schriftelijke opdrachtbevestiging hebben verstrekt met betrekking tot hun werkzaamheden in het kader van de overname. Daarnaast zouden zij met een brief aan de bank van klaagster een groter vertrouwen hebben gewekt, dan op grond van de verrichtte werkzaamheden door betrokkenen gerechtvaardigd was.

Ten aanzien van de eerste klacht overweegt de Accountantskamer dat niet in geschil is dat klaagster voor de termijn van artikel 22 lid 1 Wtra (3 jaar) bekend was met het feit dat de opdracht ter zake van de overname niet schriftelijk was bevestigd. Echter, de Accountantskamer stelt dat daarmee nog niet is gezegd dat klaagster toen ook bekend was met het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter van deze nalatigheid. Door de specifieke eisen die NVCOS 5500N stelt aan een schriftelijke bevestiging van de opdracht, kan niet worden gezegd dat bekendheid van het ontbreken van de schriftelijke bevestiging, tevens de bekendheid met de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid impliceert. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan klaagster deze kennis wel zou hebben gehad, hebben betrokkenen niet naar voren gebracht. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van betrokkenen faalt aldus.

Over de brief aan de bank oordeelt de Accountantskamer dat zij feitelijk niet kan vaststellen of deze brief daadwerkelijk een groter vertrouwen heeft gewekt bij de bank dan gerechtvaardigd was. Voorts overweegt de Accountantskamer echter dat de klacht er klaarblijkelijk ook toe strekt dat de brief dat (onterechte) vertrouwen kon wekken. In zoverre acht de Accountantskamer de klacht gegrond. Zo verklaarde één van de betrokkenen dat hij op het moment van versturen van de brief al voorzag dat hij over de geconsolideerde jaarrekening 2012 van de over te nemen onderneming geen goedkeurende verklaring zou kunnen afgeven, omdat een deugdelijke projectadministratie ontbrak. Deze verwachting is echter niet vermeld in de brief aan de bank. De verwijtbaarheid van dit handelen wordt versterkt door de opmerking in de brief dat betrokkenen met geen onzekerheden bekend zijn die nog tot mogelijke verliezen zouden kunnen leiden.

Betrokkenen hebben verzuimd om de opdracht tot het verrichten van adviesdiensten schriftelijk vast te leggen en daarmee het risico in het leven geroepen dat over en weer onvoldoende duidelijkheid zou ontstaan over deze dienstverlening en wat klaagster daarbij van betrokkenen mocht verwachten. Daarnaast hebben betrokkenen met hun brief aan de bank onterechte verwachtingen omtrent de betrouwbaarheid van de projectadministratie kunnen wekken en daarmee van de gepresenteerde resultaten. De Accountantskamer rekent betrokkene [Y1], als voor de controle (eind)verantwoordelijk accountant en ondertekenaar van de brief in dit verband een zwaardere verantwoordelijkheid aan dan [Y2], als opsteller van de brief. De Accountantskamer acht, alles afwegende, voor [Y1] de maatregel van berisping passend en geboden en voor [Y2] de maatregel van waarschuwing.

Accountantskamer 21 juli 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:45

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:45