Van Wwft & tuchtrecht

Accountant-administratieconsulent voor één maand doorgehaald wegens het doen van onjuiste aangiften loonheffing

Betrokkene, een accountant-administratieconsulent, had een gezamenlijke klant met het kantoor van klager. Het kantoor van klager verzorgde de loonadministratie en de aangiften loonbelasting voor de klant. Betrokkene verzorgde de overige administratie en de jaarrekening. In de loop van april 2016 is door het kantoor van klager de loonadministratie overgedragen aan het kantoor van betrokkene.

Op verzoek van de bestuurder van de klant heeft het kantoor van betrokkene nihilaangiften loonbelasting ingediend over de maanden februari en maart 2016. Over deze periode waren reeds inhoudelijke aangiften loonbelasting ingediend door klager. Volgens klager was betrokkene evenwel op de hoogte dat de klant in de genoemde maanden personeel in dienst had en dus verloning had moeten plaatsvinden. Daarnaast wordt betrokkene verweten dat een medewerker van zijn kantoor zich accountant noemde terwijl hij dat niet zou zijn geweest.

De Accountantskamer acht de klacht ter zake de onjuiste aangiften loonbelasting gegrond, nu betrokkene heeft onderkend op de hoogte te zijn geweest van het feit dat de klant in die periode wel personeel in dienst had en dat die nihilaangiften daarom niet juist konden zijn.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft betrokkene gesteld dat hij niet wist dat een medewerker van zijn kantoor zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, heeft uitgegeven als accountant en dat het zeker niet met zijn toestemming is gebeurd. Klager heeft dit niet betwist. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onder deze omstandigheden geen verwijt valt te maken, zodat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard.

Nu de klacht gedeeltelijk gegrond wordt geacht, kan door de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. Daarbij houdt de Accountantskamer rekening met de aard, omvang en de ernst van de schending door betrokkene van het fundamentele beginsel ‘integriteit’ en de omstandigheden waaronder deze schending zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer rekent het betrokkene in het bijzonder aan dat hij roekeloos te werk is gegaan door op instigatie van de (bestuurder van de) klant, voor deze opzettelijk onjuiste loonbelastingaangiften te doen. Dat het de bedoeling van betrokkene was dit later “recht te trekken”, kan hier niet aan afdoen, hetgeen in het onderhavige geval nog eens is bevestigd door het snel volgend faillissement van de klant, als gevolg waarvan betrokkene daartoe niet meer de gelegenheid heeft gekregen.

De Accountantskamer legt de maatregel op van tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van één maand.

Accountantskamer 20 oktober 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:70

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2017__70

VGBA van toepassing bij het uitoefenen van het bestuurderschap van een onderneming

Als gevolg van de benarde financiële positie van een – inmiddels gefailleerde – vennootschap en een broederlijk conflict dat verdere samenwerking tussen de aandeelhouders onmogelijk maakte, heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat een overname van aandelen of de activiteiten van de onderneming door een derde noodzakelijk was. Betrokkene is de registeraccountant die door de Ondernemingskamer is benoemd tot tijdelijk bestuurder van de onderneming.

Ter voorbereiding van een overname van de activa van de onderneming heeft betrokkene contact opgenomen met verschillende geïnteresseerde partijen. De broers (beide 50% aandeelhouder van de onderneming) zijn echter niet unaniem tot een keuze voor een van de twee gegadigden gekomen, waardoor betrokkene de keuze voor een partij heeft moeten maken. Naar aanleiding van deze keuze is een due dilligence onderzoek gestart en is een concept overname-overeenkomst door een advocatenkantoor opgesteld.

Betrokkene is echter op dezelfde dag bekend geworden met een side deal tussen een van de broers en de overnemende partij. Hierop is een tweede biedingsprocedure in gang gezet. De potentiële kopers hebben zich echter vervolgens teruggetrokken. Reden daarvoor was dat er sprake was van meerdere dreigincidenten. Klagers hebben betrokkene vervolgens verweten dat hij niet eerlijk, oprecht, deskundig en zorgvuldig heeft gehandeld en dat hij het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht mede door het geaccepteerde bod ‘onzuiver en ontoelaatbaar’ te verklaren.

Betrokkene heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, nu hij niet in de hoedanigheid van accountant is opgetreden. Dit verweer slaagt niet. Volgens vaste jurisprudentie heeft het tuchtrecht niet de door betrokkene bepleite beperkte reikwijdte. Weliswaar zijn de fundamentele beginselen alleen van toepassing “bij de uitoefening van zijn beroep” en wordt in de toelichting gewezen op het verlenen van een professionele dienst, dat neemt niet weg dat er bij een grammaticale uitleg van dit begrip geen grond is om te oordelen dat gedragingen van een accountant in het kader van zijn zakelijk (beroepsmatig) optreden als bestuurder van een vennootschap daar niet onder vallen. Naar het oordeel van de Accountantskamer wordt bij het uitoefenen van het bestuurderschap van een onderneming zonder meer door betrokkene gebruik gemaakt van zijn vakbekwaamheid als accountant, zodat geoordeeld moet worden dat hij in die functie een professionele dienst verricht als bedoeld in de VGBA en ook daarom geoordeeld moet worden dat hij op zijn gedragingen als bestuurder alle fundamentele beginselen van de VGBA van toepassing zijn.

Vervolgens sluit de Accountantskamer aan bij het civiele begrip van onbehoorlijk bestuur ter beoordeling van de klacht of betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door onjuiste handelingen te verrichten. De financiële toestand van de onderneming heeft ertoe geleid dat er op korte termijn beslissingen over de overname of de activa door een derde nodig waren, terwijl de aandeelhouders met elkaar in een diepgaand conflict verwikkeld waren. De Accountantskamer acht het dan ook voorstelbaar dat betrokkene de met de potentiele koper gemaakte afspraken heeft willen aanpassen, mede in het licht van de oorspronkelijke side deal tussen de koper en een van de aandeelhouders. De side deal hield mede in dat één van de broers voor de onderneming zou blijven werken, terwijl in de initiële bieding de arbeids- dan wel managementovereenkomsten met de broers niet zouden worden overgenomen. Dat betrokkene vervolgens niet tot een overname van de activa is gekomen, kan hem niet tuchtrechtelijk worden verweten. Klagers hebben onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die dit oordeel zou rechtvaardigen.

De Accountantskamer heeft de klacht dan ook ongegrond verklaard.

Accountantskamer 20 oktober 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:70

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2017__66

Berisping voor accountant-administratieconsulent nu hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de andere partij

Tussen twee broers is onenigheid ontstaan over de uitvoering van een samenwerkingsverband met betrekking tot een drietal nieuwbouwprojecten. Volgens de ene broer heeft de ander   onvoldoende financiële verantwoording afgelegd over de baten en lasten van de drie projecten.

Betrokkene wordt onder meer verweten dat hij het beginsel van objectiviteit heeft geschonden door een dubbelrol aan te nemen (hij zou zowel de accountant zijn geweest van de onderneming van één van de broers, alsook van de drie gezamenlijke projecten). Aangezien klaagster (de onderneming van de andere broer) al ruimschoots drie jaren voor het indienen van de klacht op de hoogte was van deze dubbelrol is de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

De overige klachten zijn wel ontvankelijk. Klaagster heeft onder meer gesteld dat betrokkene onvoldoende financiële verantwoording had verstrekt over de baten en lasten van het vastgoedproject. Klaagster meende dat betrokkene – naast de financiële jaaropstellingen – tevens de jaarrekeningen had moeten verstrekken. De Accountantskamer heeft hiertoe overwogen dat de betrokkene geen verwijt treft, aangezien hij geen opdrachtrelatie had met klaagster en zijn opdrachtgever hem meermalen nadrukkelijk had verboden om de jaarrekeningen aan klaagster ter beschikking te stellen.

Twee klachten treffen echter wel doel. Klaagster is tijdens de uitvoering van het samenwerkingsverband op een gegeven moment geconfronteerd met aanzienlijke additionele planvoorbereidingskosten. Betrokkene wordt verweten dat hij op de hoogte was van deze kosten en dat hij hiervan geen melding heeft gemaakt in de jaarrekening. Gelet op de materialiteit van deze post en de gevolgen die deze kosten zouden kunnen hebben voor de exploitatie van de projecten, had betrokkene onderzoek moeten doen naar deze kosten. Daarnaast had hij zich daarover, eventueel in de toelichting, moeten uitlaten bij de jaarrekening.

De andere gegrond verklaarde klacht ziet op het verwijt dat in de overzichten die betrokkene aan klaagster verstrekt heeft geen rente uit de diverse projecten is verantwoord. Klaagster heeft ter zake dit verwijt gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat op de projecten geen rentebaten kunnen worden geboekt, mede omdat in een eerdere jaarrekening wel (aanzienlijke) rentebaten zijn geboekt. Betrokkene heeft niet betwist dat de exploitatie van de projecten rentebaten heeft opgeleverd. Hij was echter geïnstrueerd om dergelijke baten niet in de exploitatieoverzichten te verwerken. Volgens de Accountantskamer had betrokkene ten minste een melding moeten maken dat deze (categorie) baten niet in de overzichten waren verwerkt, aangezien hij op de hoogte was van de uiteenlopende opvattingen tussen partijen over de afrekening van de projecten. Zonder toelichting konden de overzichten namelijk de onterechte indruk wekken dat er helemaal geen rentebaten waren gerealiseerd.

Aangezien de klachten deels gegrond zijn verklaard is de accountant-administratieconsulent een maatregel van berisping opgelegd.

Accountantskamer 6 oktober 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:65

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2017_65

Verslag resultaten internetconsultatie implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn

In de periode van 15 juli 2016 tot en met 16 augustus 2016 is het concept wetsvoorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn publiek geconsulteerd. Naar aanleiding van de consultatie van het conceptwetsvoorstel zijn in totaal 16 openbare en 5 niet openbare reacties ontvangen.

De richtlijn vervangt de derde anti-witwasrichtlijn en vult het bestaande instrumentarium op dit terrein verder aan. Het toepassingsbereik van de richtlijn is uitgebreid naar nieuwe categorieën instellingen, te weten de aanbieders van kansspeldiensten en personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen in het geval daarbij contante betalingen worden gedaan of ontvangen van €10.000 of meer.

Daarnaast introduceren zowel de richtlijn, als de verordening een kader voor het bestuursrechtelijk bestraffen van overtredingen van bepalingen ter implementatie van de richtlijn en bepalingen uit de verordening.

Uit het verslag blijkt dat de naleving van de Wwft voor instellingen van een kleinere omvang en voor individuele beroepsbeoefenaren een grotere impact kan hebben. De richtlijn geeft op deze punten echter geen ruimte aan lidstaten om hieraan zelf invulling te geven.

In de consultatiereacties wordt op vrijwel alle onderdelen van het conceptwetsvoorstel ingegaan. Naar aanleiding van de consultatiereacties zijn de conceptwettekst en memorie van toelichting op verschillende punten aangepast. In een aantal consultatiereacties is aangegeven dat het conceptwetsvoorstel op onderdelen verder gaat dan de vierde anti-witwasrichtlijn. Dit heeft op een aantal onderdelen, waaronder in de paragraaf met handhavingsbevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten, tot wijzigingen geleid.

Daarnaast zijn vragen gesteld over de delegatiegrondslag met betrekking tot de definitie van ‘uiteindelijk belanghebbende’, het toepassingsbereik van de Wwft voor belastingadviseurs, advocaten en notarissen en de spanning tussen de geheimhoudingsplicht van advocaten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden. Naar aanleiding van deze vraagstukken zijn ook verduidelijkingen, waarborgen en is een aantal wijzigingen ingevoerd.

https://www.internetconsultatie.nl/implementatiewetvierdeantiwitwasrichtlijn/details

Dat er op de zitting onjuiste informatie naar voren zou zijn gebracht is niet aannemelijk geworden

Klaagster, X B.V., heeft een klacht ingediend tegen vier accountant-administratieconsulenten.

Van de vier betrokkenen zijn twee aandeelhouder van een onderneming dat een pand aan X Groep B.V verhuurde. De huurovereenkomst zou volgens klaagster onder bedrog tot stand zijn gekomen. Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van januari 2016 blijkt dat het pand ter zake waarvan de huurovereenkomst was gesloten, is aangekocht met behulp van een bankfinanciering met een vrij forse aflossingslast die niet met de reguliere huurontvangst worden voldaan. Daarom zou er toen zijn afgesproken dat het kantoor van betrokkenen een hogere huur zou betalen en dat er verrekening plaats zou vinden middels de feeverhoudingen. Klaagster zou hierdoor financieel zijn benadeeld.

De Accountantskamer is echter van oordeel dat de klacht op deze onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien klaagster bij de ondertekening van het huurcontract op 23 juli 2009 al op de hoogte was van de huursom. Anders dan klaagster stelt, is – naar het oordeel van de Accountantskamer – sprake van een eenmalige gedraging, omdat betrokkenen niet jaarlijks na het afsluiten van de huurovereenkomst een afweging inzake de hoogte van huur maakten. Daarom is geen sprake van verweten gedragingen na 23 juli 2009. Daarbij acht de Accountantskamer van belang dat klaagster tevens op de hoogte was van het feit dat betrokkenen zowel voor de verhuurder als ook voor de huurder optraden.

Voorts stelt klaagster dat betrokkenen in een andere procedure bij de Accountantskamer ter zitting opzettelijk onwaarheden naar voren hebben gebracht. De Accountantskamer is van oordeel, gelet op hetgeen klaagster heeft aangevoerd en gelet op de inhoud van het overgelegde proces-verbaal van de betreffende zitting, dat klaagster niet slaagt in de bewijslast. Er is niet, althans, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door of namens betrokkenen daadwerkelijk onjuiste informatie naar voren is gebracht. Laat staan dat door of namens betrokkenen ter zitting bewust, dat wil zeggen opzettelijk in strijd met de waarheid is verklaard met als doel de Accountantskamer te misleiden. Dit klachtonderdeel dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Accountantskamer 2 oktober 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:63

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2017/ECLI_NL_TACAKN_2017_63

Blog: Is de accountant of adviseur in iedere hoedanigheid onderworpen aan de Wwft?

Niet zelden doet de vraag zich voor of een accountant of belastingadviseur tijdens het uitoefenen van een nevenfunctie ook onderworpen is aan de regelgeving van de Wwft. Met andere woorden ben je ‘24/7’ een beroepsoefenaar die kwalificeert als een instelling in de zin van de Wwft? Bij de totstandkoming van de wet (en doorgevoerde wijzigingen) is hierover nauwelijks tot niets opgemerkt. Het antwoord op die vraag dient dan ook vooral te worden gezocht in de reikwijdte van de begrippen ‘instelling’ en ‘cliënt’ uit de Wwft. In deze blog zullen deze onderwerpen nader worden belicht. Daarnaast zal aandacht worden geschonken aan de reikwijdte van het tuchtrecht van accountants en adviseurs.

Wie is de instelling?

Een instelling kan zijn een natuurlijke persoon of een organisatie. Van belang is dat in 2013 door een wetswijziging de normadressering beperkt is tot degenen die de relevante beroepsactiviteiten zelfstandig onafhankelijk uitoefenen, kort gezegd: het kantoor en de natuurlijke persoon die zelfstandig optreedt (Kamerstukken II 2011-2012, 33 238, nr. 3). Dus niet het individu dat verbonden is aan een kantoor.

Het kantoor en de natuurlijk persoon die zelfstandig optreedt kunnen door de toezichthouder worden aangesproken op het niet nakomen van de Wwft-verplichtingen. Dat is volgens de wetsgeschiedenis “ook efficiënter dan accountants in loondienst aan te spreken.” In de praktijk is het immers voor het individu vaak niet toegestaan een ongebruikelijke transactie zelf te melden. Eerst dient intern gemeld te worden, waarna doorgaans de compliance afdeling van de organisatie beslist of daadwerkelijk wordt gemeld. In dat verband kan worden gewezen op de volgende overweging van Rechtbank Amsterdam in een uitspraak van 30 juni 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3965):

“Uit het dossier blijkt dat verdachte weliswaar beroeps- en bedrijfsmatig accountancy activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten heeft uitgeoefend, maar dat hij die handelingen heeft verricht namens accountantskantoor [naam accountantskantoor] , een vennootschap onder firma (hierna: v.o.f.). Dit accountantskantoor heeft [persoon] ook gefactureerd voor de activiteiten van verdachte. Gelet hierop en op de hiervoor weergegeven uitleg van de Wwft is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend. Verdachte was daarom geen instelling in de zin van de Wwft en er rustte dus geen verplichting op hem om de in de tenlastelegging vermelde transactie te melden.”

Het vorenstaande laat echter – volgens de wetsgeschiedenis – onverlet de mogelijkheid van tuchtrechtelijke maatregelen jegens de accountant op basis van het wettelijke tuchtrecht dat op hem van toepassing is, wegens schending van de beroepsregels.  Die verplichting kan echter niet voortvloeien uit de Wwft. De Wwft is namelijk in dat geval niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ‘instelling’ en dus evenmin van een meldingsplicht. Een autonome verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties volgt evenmin uit de beroepsregels. Het sec niet melden kan dus in beginsel niet worden aangemerkt als tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Het handelen van de accountant zou dan op een andere wijze ter discussie moeten komen te staan. Zo kan een accountant een verwijt worden gemaakt indien er geen afstand wordt genomen van een cliënt als een vermoeden van fraude bestaat.

Hoewel de overtreder van de Wwft in beginsel de kwaliteit van ‘instelling’ moet hebben, zou theoretisch ook tegen een ander dan de ‘instelling’ maatregelen kunnen worden genomen indien één van de andere deelnemingsvarianten van toepassing is, zoals  bijvoorbeeld medeplegen, medeplichtige dan wel feitelijk leidinggeven.

Beroepsactiviteiten uitoefenen in de zin van de Wwft

De Wwft stelt dus de eis dat de natuurlijk persoon als accountant of belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel voor zover hij anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht.

Wat kan worden verstaan onder het uitoefenen van beroepsactiviteiten? Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan:

  • werkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening;
  • het voeren van administraties;
  • forensische accountancy;
  • belastingadvies;
  • het invullen van belastingaangiften;
  • dienstverlening zoals ‘tax assurance’.

Dienstverlening waar geen sprake is van een gevaar van witwassen of financieren van terrorisme valt echter niet onder de reikwijdte van de Wwft. Dat is blijkens de memorie van toelichting bijvoorbeeld het geval indien het individu “een seminar voor een cliënt organiseert.” Dat valt uiteraard niet onder de identificatie- of meldingsverplichtingen.

De derde anti-witwasrichtlijn bepaalt evenwel dat accountants en belastingadviseurs onder de reikwijdte van de richtlijn vallen indien zij handelingen “in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten” verrichten, hetgeen een ruimer bereik lijkt te hebben dan de omschrijving in de Wwft.

Vorenstaande geeft evenwel nog geen duidelijk antwoord op de vraag of een nevenfunctie valt onder de reikwijdte van de Wwft. Wanneer worden immers activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig zelfstandig onafhankelijk verricht?

Cliënt(relatie)

Naast het zijn van een ‘instelling’ dient – wil de Wwft van toepassing zijn – ook sprake te zijn van een cliënt(relatie). Een cliënt is volgens art. 1, lid 1, onderdeel b Wwft een natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een zakelijke relatie wordt aangegaan. Voorts wordt een zakelijke relatie omschreven als een “zakelijke, professionele, of commerciële relatie tussen een instelling en een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die verband houdt met de professionele activiteiten van die instelling en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd, wordt aangenomen dat deze enige tijd zal duren (art. 1, lid 1, onderdeel g Wwft).”

Voor de vraag of al dan niet sprake is van een cliëntrelatie kan relevant zijn of sprake is van een bezoldigde dan wel onbezoldigde nevenfunctie. Voor zover sprake is van een onbezoldigde nevenfunctie zou volgens ons het standpunt kunnen worden ingenomen dat daarmee geen cliëntrelatie bestaat. Er wordt dan immers niet gedeclareerd door het kantoor dan wel de persoon in kwestie. De nevenfunctie is dan niet op het vergaren van inkomen gericht, maar ligt meer in de privésfeer. Bij een onbezoldigde penningmeester van een sportverenging of een goed doel, ontstaat er geen zakelijke relatie met de sportvereniging of het goede doel. Ook niet als die functie vanuit het zakelijke netwerk wordt verkregen.

Zijn er echter raakvlakken met advies- of accountancy werkzaamheden zoals bijvoorbeeld één van de hiervoor genoemde (beroeps)activiteiten en wordt er – meer dan een onkostenvergoeding – betaald voor de dienstverlening, dan geldt dat waarschijnlijk is voldaan aan de voorwaarden van het zijn van een instelling en cliënt. In dat geval rust er een identificatie- en meldingsplicht op de instelling in kwestie.

In dit verband kan worden gewezen op een uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:5650). In die zaak werd de instelling verweten onterecht geen cliëntenonderzoek te hebben verricht. Hiertegen verweerde de instelling zich door het standpunt in te nemen dat er (nog) geen zakelijke relatie was aangegaan, maar er was slechts sprake van voorbereidende werkzaamheden inzake het doen van de fiscale aangifte. Volgens de Rechtbank is evenwel voor het bestaan van een zakelijke relatie niet vereist dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht. In dat verband acht de Rechtbank van belang dat ter zake van de voorbereidende werkzaamheden door de instelling een omzet van € 2.755 staat vermeld op haar ‘omzetlijst klanten’. Zodoende kwam de Rechtbank dan ook tot het oordeel dat wel degelijk sprake was van een zakelijke relatie in de zin van art. 1 lid 1 onderdeel g Wwft. Deze uitspraak onderschrijft dus het standpunt dat het al dan niet ontvangen van een vergoeding voor werkzaamheden relevant kan zijn bij de beoordeling van het bestaan van een zakelijke relatie in de zin van art. 1, lid 1, onderdeel a en g Wwft.

Tenslotte kan van belang zijn of een relatie een duurzaam of incidenteel karakter heeft (Kamerstukken II 2007-2008, 31237, nr. 3.). Aangezien de zakelijke relatie enige tijd dient te duren, wordt incidentele dienstverlening uitgesloten. Met betrekking tot incidentele dienstverlening dienen de voorschriften van de Wwft enkel in acht genomen te worden op het moment dat de waarde van een transactie van de ‘cliënt’ het bedrag van ten minste € 15.000 bereikt. Daar de activiteiten van accountants en adviseurs doorgaans een duurzaam karakter hebben, zullen deze activiteiten meestal binnen een zakelijke relatie plaatsvinden.

Beroepsactiviteiten in het tuchtrecht

Zoals reeds opgemerkt is het mogelijk om jegens accountants die niet kunnen worden aangemerkt als een instelling in de zin van de Wwft, wél tuchtrechtelijke maatregelen te nemen. Daarvoor is – net als in de Wwft – nodig dat de accountant heeft gehandeld in “de uitoefening van het beroep” (zie art. 42, lid 1, Wab en art. 33 RA). Blijkens de wetsgeschiedenis is het niet de bedoeling van de wetgever geweest het tuchtrecht te beperken tot het beroepsmatig handelen in ‘enge zin’. Voorwaarde voor tuchtrechtelijke handhaving is volgens de toelichting bij art. 3 van de VGBA dat de gedraging een relatie moet hebben met de uitoefening van het accountantsberoep. Bij het verrichten van een professionele dienst is hiervan vanzelfsprekend sprake. Voor de tuchtrechtelijke handhaving van een gedraging buiten een professionele dienst is nodig dat de gedraging van invloed is op de uitoefening van het beroep (afstralen op het beroep). Voorbeelden van dergelijke gedragingen zijn betrokkenheid bij het witwassen van gelden of belastingfraude door de accountant.

Dat snel sprake kan zijn van beroepsmatig handelen blijkt uit meerdere uitspraken van de Accountantskamer. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:35. Betrokkene in die zaak stond reeds 25 jaar ingeschreven als accountant, maar is op enig moment een nieuw bedrijf begonnen dat handelde in kunststof kozijnen. Geconstateerde verschillen tussen de aangegeven omzet op een aangifte vennootschapsbelasting en een aangifte omzetbelasting van één van de vennootschappen van betrokkene hebben geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Volgens de Accountantskamer hadden de strafrechtelijke verwijten aan verdachte betrekking op fiscale en administratieve werkzaamheden die gebruikelijk zijn in de accountantspraktijk. Volgens de Accountantskamer had betrokkene gedurende enkele jaren onder meer meermaals bewust geen of onjuist aangifte omzetbelasting gedaan en de autokilometeradministratie vervalst. Om die reden was volgens de Accountantskamer sprake van beroepsmatig handelen van betrokkene, waardoor alle fundamentele beginselen van de VGBA van toepassing waren.

Ook in de zaak van 23 januari 2015 kwam de Accountantskamer tot het oordeel dat sprake was van beroepsmatig handelen (ECLI:NL:TACAKN:2015:4). In die zaak had een registeraccountant geassisteerd bij administratieve werkzaamheden voor het bedrijf van haar vader vanwege zijn ziekte. Het verweer van betrokkene dat zij heeft gehandeld als mantelzorger voor haar vader en het om privé-handelen ging dat los stond van haar beroepsmatige bezigheden werd daarbij verworpen.

Tenslotte kan nog worden gewezen op de volgende overweging van de Accountantskamer van 17 mei 2013 (ECLI:NL:TACAKN:2013:YH0370): “Het door een registeraccountant in “privé” (samen met een ander) opzetten, drijven en opheffen van een (gezamenlijke) onderneming valt onder het bereik van het beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33 Wet RA; de accountant treedt daarbij op als accountant in business.

Gelet op het voorgaande dient voor accountants te worden geconcludeerd dat in het tuchtrecht het begrip ‘uitoefening van het beroep’ ruim dient te worden opgevat. Hoewel dit niet automatisch betekent dat dit eveneens voor de Wwft heeft te gelden – waarvoor immers ook het vereiste geldt dat steeds sprake moet zijn van zelfstandig onafhankelijk handelen –, kan niet worden uitgesloten dat de toezichthouder, het BFT, eenzelfde ruime strekking zal geven aan de woorden ‘beroeps- of bedrijfsmatig handelen’.

Ten aanzien van het verenigingstuchtrecht voor belastingadviseurs geldt dat er relatief weinig jurisprudentie voorhanden is. De leden van de NOB en RB dienen zich volgens art. 1 van de reglementen ook in andere hoedanigheden, bijvoorbeeld in privé of als bestuurslid van een sportvereniging, zich overeenkomstig de eer en waardigheid van het beroep van belastingadviseur gedragen. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat de leden van de NOB die bestuurder zijn van een organisatie in de non-profitsector, zoals  een sportvereniging  of  een  ANBI, geen bezoldigde fiscale werkzaamheden voor die organisatie mogen verrichten (ingevolge de toelichting van art. 2, lid 2, reglement NOB).

Conclusie

Geconcludeerd moet worden dat werkzaamheden in het kader van een nevenfunctie onder de reikwijdte van de Wwft kunnen vallen indien en voor zover deze werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als zelfstandig onafhankelijke beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Daarvoor kan van belang zijn of sprake is van een bezoldigde, dan wel onbezoldigde, nevenfunctie. Bij een onbezoldigde functie is in beginsel geen sprake van een cliëntrelatie, uitzonderingen daargelaten. Dat kan eveneens worden gezegd voor handelingen die in de privé of hobbysfeer vallen, dan wel het verlenen van een eenmalige dienst.

Volledigheidshalve dient evenwel te worden opgemerkt dat voor zover wetenschap wordt opgedaan over ongebruikelijke transacties waarbij een cliënt van het kantoor (de instelling) is betrokken, deze informatie altijd onder de meldingsplicht valt. Een direct causaal verband tussen de ongebruikelijke transactie en de werkzaamheden van de instelling voor de cliënt is namelijk geen vereiste.

Daarnaast geldt dat accountants of adviseurs die niet kunnen worden aangemerkt als instelling in de zin van de Wwft, wel onderworpen zijn aan het tuchtrecht, ook indien het handelen in de privésfeer ligt. Voor het tuchtrecht kan zeker wel worden geconcludeerd dat het zijn van accountant of adviseur een ’24/7′ job is.

Berisping van registeraccountant wegens onvoldoende hoor en wederhoor bij het opstellen van een onafhankelijk rapport

Een voormalige accountant is vanwege ondeugdelijke arbeid door het CBb voor 18 maanden in het register doorgehaald. In de civiele schadeprocedure heeft de Rechtbank deze accountant veroordeeld tot het betalen van schade nader op te maken bij staat. In de daaropvolgende schadestaatprocedure is betrokkene verzocht een partijonderzoek te doen naar de vraag of en in hoeverre de gevorderde miljoenen aan schade terecht zijn en in causaal verband staan met de eerder vastgestelde ondeugdelijke arbeid van de accountant en daarover een rapport op te stellen. Betrokkene doet dat onderzoek en maakt daarvan een rapport op.

Klagers (o.a. de curatoren van de failliete onderneming) hebben onder andere gesteld dat de stellingen en conclusies van betrokkene in het rapport een deugdelijke grondslag ontberen. De Accountantskamer heeft ten aanzien van dit standpunt onder meer overwogen dat betrokkene ten aanzien van verschillende conclusies die hij heeft getrokken in zijn rapportage, niemand heeft gehoord en zich slechts heeft verlaten op stukken die hem van de zijde van een der partijen werden aangereikt en die door de advocaten verwoorde standpunten bevatten. Om een deugdelijke grondslag voor het rapport te verkrijgen had betrokkene zich ook moeten verstaan met andere belangrijke partijen, onder wie klagers. Volgens de Accountantskamer was er derhalve een gebrek aan hoor en wederhoor bij het opstellen van de rapportage en is de klacht gegrond verklaard.

Vervolgens is er geklaagd dat het rapport ten onrechte in meerdere procedures is gebruikt. Betrokkene heeft deze klacht weersproken en heeft daarvoor onder meer aangevoerd dat hij de kring van verspreiding van het rapport heeft proberen te beperken. Zodra hij op de hoogte was geraakt van de (ongeoorloofde) verspreiding van het rapport, heeft hij om opheldering verzocht en heeft hij verzocht om na te gaan in hoeverre het rapport inderdaad in weerwil van de beperking werd verspreid. Tot slot heeft hij andere derden, van welke hij de bevestiging heeft gekregen dat zij het rapport eveneens gebruikten terwijl zij hiertoe niet gerechtigd waren, gesommeerd om het rapport in te trekken in de procedures waarin zij verwikkeld zijn. Van betrokkene kon volgens de Accountantskamer dan ook niet worden gevergd dat hij meer had gedaan tegen ongeoorloofde verspreiding en gebruik van het rapport. Dat anderen desalniettemin met het rapport “aan de haal” zijn gegaan, kan betrokkene niet tuchtrechtelijk worden tegengeworpen. Wel had hij een vermelding in het rapport moeten opnemen over voor welke kring van gebruikers het rapport bestemd was, want dat is verplicht, ook indien op de rapportage niet een bepaalde standaard (NVCOS) van toepassing is. Over het ontbreken van zo’n mededeling in het rapport is echter niet geklaagd. Het klachtonderdeel is ongegrond verklaard.

Tevens hebben klagers gesteld dat betrokkene de opdracht niet had mogen aanvaarden vanwege te weinig waarborgen en aangezien hij niet over de benodigde gegevens beschikte. Volgens betrokkene had zijn opdrachtgever hem echter niet verboden om voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag het eventueel benodigde hoor en wederhoor uit te voeren. Dat vervolgens betrokkene daadwerkelijk onvoldoende werkzaamheden heeft verricht om zijn opdracht op een juiste wijze uit te voeren, doet niet af aan het feit dat hij de opdracht wel heeft mogen aanvaarden. De klacht mist dus feitelijke grondslag en is ongegrond verklaard.

Nu de klachten (gedeeltelijk) gegrond zijn verklaard, heeft de Accountantskamer besloten betrokkene een maatregel van berisping op te leggen.

Accountantskamer 8 september 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:61

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2017_61

Accountant-administratieconsulent wordt een waarschuwing opgelegd vanwege het niet tijdig reageren op vragen van zijn cliënt

Klagers zijn drie huisartsen die een huisartsenmaatschap zijn aangegaan. Zij hebben in privé gezamenlijk een pand gekocht ten behoeve van de vestiging van een medisch centrum. Betrokkene is als accountant-administratieconsulent werkzaam geweest voor klagers in privé, onder meer ten behoeve van hun samenwerkingsverband en de maatschap. De huisartsen en de maatschap zijn na verloop van tijd overgestapt naar een accountantskantoor voor hun aangiften.

Betrokkene heeft op de zitting voor het eerst aangevoerd dat bepaalde werkzaamheden niet door hem zijn verricht, maar door een fiscalist, en dat hij dienaangaande niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Nu belanghebbende in zijn verweerschrift niet heeft betwist de werkzaamheden waarover wordt geklaagd te hebben verricht en in het verweerschrift onder meer staat dat betrokkene bepaalde bedragen in de aangiften inkomstenbelasting heeft opgenomen en de correctiefactor van 35% in redelijkheid heeft kunnen toepassen, had het op de weg van betrokkene gelegen om het standpunt dat hij heeft aangevoerd ter zitting, met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. Aangezien hij dit heeft nagelaten, wordt zijn verweer door de Accountantskamer verworpen. De klachten die deze werkzaamheden betreffen zijn echter onvoldoende onderbouwd door klagers en worden door de Accountantskamer niet-ontvankelijk verklaard.

Klagers hebben betrokkene tevens verweten dat hij niet adequaat heeft gereageerd op vragen van de klagers. Zij hebben naar voren gebracht dat er medio 2014 tot drie keer toe vragen zijn gesteld aan betrokkene en dat hij daarop niet inhoudelijk heeft gereageerd. Betrokkene heeft tijdens de behandeling van de zaak erkend dat de communicatie beter had gekund. Hij heeft ook aangevoerd dat hij niet heeft geantwoord, omdat een van klagers telefonisch had medegedeeld geen vertrouwen meer in hem te hebben. Toen wist betrokkene dat hij niet meer de accountant van klagers zou zijn. Dit heeft hij echter niet schriftelijk vastgelegd en derhalve niet kunnen aantonen.

Volgens het oordeel van de Accountantskamer mag van een accountant verlangd worden dat hij op zijn minst correct en tijdig reageert, als hem door of namens een cliënt vragen worden gesteld, mede gelet op de belangen van zijn cliënt. Dit geldt ook indien de relatie met de cliënt op dat moment al is beëindigd, hetgeen in dit geval overigens wordt betwist. Aangezien betrokkene pas een aantal maanden later heeft gereageerd op de vragen van de klagers, acht de Accountantskamer deze klacht gegrond.

De betrokkene wordt een maatregel van waarschuwing opgelegd.

Accountantskamer 8 september 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:59

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2017_59

Lidmaatschap van de Nba levert geen zwaarwegende aanwijzingen op voor vooringenomenheid; wrakingsverzoek ongegrond

Klagers (verzoekers) hebben een verzoek bij de Accountantskamer ingediend tot wraking van verschillende leden van de kamer.

Het wrakingsverzoek is onder andere gedaan onder de motivering dat de leden van de kamer als naaste collega’s hebben samengewerkt met een van de betrokkenen in de onderliggende zaak. De Accountantskamer heeft het verzoek echter pas ontvangen na meer dan zes weken nadat aan verzoekers bekend was geworden welke leden van de Accountantskamer deel zouden uitmaken van de kamer die hun zaken zou behandelen. Uit jurisprudentie van wrakingskamers in andere rechtsdomeinen volgt, dat een wrakingsverzoek onverwijld na kennisneming van de feiten en omstandigheden waarop het berust, moet worden ingediend. Voor zover het wrakingsverzoek op deze samenwerking ziet, is het door de wrakingskamer niet-ontvankelijk verklaard.

Tevens vermeldt de wrakingskamer dat het feit dat de gewraakte leden betrokkenen kennen uit hoofde van hun functie bij de Accountantskamer, niet met zich meebrengt dat zij moeten worden aangemerkt als een zakelijke kennis van die leden. Als dit wel het geval was geweest, dan had de rechter de zaak niet in behandeling moeten nemen op grond van ‘Aanbeveling 2’ van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, die door de leden van de Accountantskamer in acht wordt genomen.

Bij de inhoudelijke beoordeling van de resterende wrakingsgronden ten aanzien van de voorzitter en accountantslid 2 wordt vooropgesteld dat een tuchtrechter, moet worden vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onbevooroordeeld en onpartijdig te zijn. Van een deugdelijke grond voor wraking kan eerst worden gesproken, indien sprake is van feiten en omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de rechtzoekende persoonlijk, dan wel aangaande een standpunt in de zaak een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de rechtzoekende daarvoor bestaande vrees gerechtvaardigd is. De vrees dat zulks het geval is, dient bovendien objectief gerechtvaardigd te zijn, hetgeen wil zeggen dat niet voldoende is dat degene die de rechter wraakt, niet gelooft in diens onpartijdigheid.

Verzoekers hebben als wrakingsgrond tegen de voorzitter mede aangevoerd dat hij een vooringenomenheid koestert omdat hij er een belang bij zou hebben om bij de “huisleverancier van accountantsleden” (de Nba) niet tot het oordeel te komen dat de top van de Nba intensief betrokken is bij het stelselmatig niet naleven of verkeerd toepassen van wet- en regelgeving. De wrakingskamer heeft ten aanzien van dit standpunt overwogen dat zij niet inziet dat het lidmaatschap van de Nba een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor (een objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van de voorzitter bij de beoordeling van enig standpunt van verzoekers (als klagers).

De wrakingsgrond tegen een accountantslid 2 faalt eveneens. Het bekleden van functies bij de Nba levert volgens de wrakingskamer geen zwaarwegende aanwijzing op voor het slagen van een wrakingsverzoek.

De wrakingskamer heeft om deze redenen geconcludeerd dat, zover het wrakingsverzoek ontvankelijk is verklaard, deze ongegrond is.

Accountantskamer 18 augustus 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:58

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2017__58

FIU rapport ‘from suspicion to action’

Op 5 september 2017 heeft Europol het rapport ‘from suspicion to action – converting financial intelligence into greater operational impact’ gepubliceerd. Het rapport geeft inzicht in het anti-witwaskader alsmede het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties in de EU.

Het aantal FIU-meldingen blijkt nog altijd toe te nemen. In 2014 hebben de Financial Intelligence Units bijna één miljoen rapporten ontvangen. Hiervan is 67% afkomstig uit Nederland (31%) en het Verenigd Koninkrijk (36%). Van het totale aantal rapporten wordt sinds 2006 ongeveer 10% nader onderzocht. Zelfs in deze gevallen is de mate van ‘asset recovery’ erg laag. Er wordt namelijk nog geen 1% van de wederrechtelijk verkregen voordelen in beslag genomen. De veronderstelling dat er fraude wordt gepleegd blijkt een van de belangrijkste redenen voor instellingen om een melding te doen.

Het hoge percentage Nederlandse meldingen aan Financial Intelligence Units kan worden verklaard door het feit dat het Nederlandse systeem op basis waarvan meldingen betreffende ongebruikelijke transacties worden gedaan, is gebaseerd op objectieve indicatoren. Het is nog altijd aan de Financial Intelligence Unit om te bepalen of een transactie echt als verdacht kan worden aangemerkt. Dit gebeurt slechts in een klein aantal (15%) van de gevallen. De meldingen aan de Financial Intelligence Units blijken voornamelijk afkomstig te zijn van kredietinstellingen en banken.

De Europese Unie is zich bewust van diverse tekortkomingen in het huidige kader. Hoewel het hoge aantal meldingen in het Verenigd Koninkrijk en Nederland grotendeels te verklaren is, is het verschil in meldingen tussen deze twee lidstaten en de rest van de Europese Unie disproportioneel. Het rapport roept dan ook op tot betere samenwerking tussen de lidstaten alsmede een betere samenwerking tussen de Financial Intelligence Units en andere agentschappen.

https://static1.squarespace.com/static/574ed613b654f9622c9dbf0e/t/59afba642994ca703c02d0e8/1504688771378/FROM+SUSPICION+TO+ACTION.pdf