Categorie: Wwft & tuchtrecht

Boeten van in totaal € 170.000 wegens overtredingen van het Besluit prudentiële regels Wft en de Wwft in beroep gehandhaafd

DNB heeft aan eiseres, een betaalinstelling, meerdere bestuurlijke boeten opgelegd van in totaal € 170.000. Volgens DNB beschikte eiseres in de periode 1 juli 2014 tot en met 27 augustus 2015 niet over een onafhankelijke en effectieve compliance functie (artikel 21 Besluit prudentiële regels Wft). DNB heeft eiseres hiervoor een bestuurlijke boete van € 50.000 opgelegd. In een tweede besluit heeft DNB een bestuurlijke boete van in totaal € 120.000 voor het niet verrichten van cliëntenonderzoek (artikel 3 en 8 Wwft) en het niet zorgdragen dat haar werknemers voldoende kennis hebben van de Wwft (artikel 35 Wwft). Nadat eiseres tevergeefs bezwaar heeft gemaakt, is zij in beroep gegaan bij Rechtbank Rotterdam.

In beroep betoogt eiseres dat DNB bij het tweede besluit geen bestuurlijke boeten meer mocht opleggen, omdat de vermeende overtredingen waarop de boetebesluiten zien al waren afgedaan met andere maatregelen. De Rechtbank verwerpt dit verweer, omdat de eerdere maatregelen, een normoverdragend gesprek en een waarschuwing, geen punitieve sancties zijn. Deze maatregelen zijn niet gericht op leedtoevoeging, maar bedoeld om de instelling ertoe te bewegen de volgens DNB bestaande overtredingen te beëindigen. Dat een normoverdragend gesprek en een waarschuwing – net als een onderzoek van DNB – als ingrijpend kunnen worden ervaren, is niet bepalend voor het rechtskarakter van deze maatregelen. Ook de omstandigheid dat de gegeven waarschuwing een antecedent in de vorm van een aantekening in het register van de toezichthouder oplevert, doet aan het reparatoire karakter ervan niet af. Als DNB één of meer overtredingen constateert, is zij in beginsel bevoegd daartegen handhavend op te treden op de wijze die zij passend acht. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat DNB als zij een overtreding constateert zowel maatregelen gericht op herstel treft als een punitieve sanctie oplegt. Nieuwe feiten zijn daarvoor niet vereist.

Voorts betoogt eiseres dat de verklaringen van haar medewerkers tijdens het onderzoek niet aan de bestuurlijke boeten ten grondslag mochten worden gelegd. Deze verklaringen zijn volgens eiseres afgelegd om te voldoen aan een verplichting tot informatieverstrekking en zijn ten onrechte gebruikt als bewijs van de gestelde overtredingen. De Rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden of dit betoog terecht is voorgedragen. Als de betreffende verklaringen worden uitgesloten van het bewijs, blijft naar het oordeel van de Rechtbank voldoende bewijs over om te concluderen dat DNB de in beroep bestreden overtredingen buiten redelijke twijfel heeft aangetoond.

Ten aanzien van de eerste overtreding stelt eiseres dat zij de compliance functie gelet op de open norm in de geldende regelgeving en gelet op de aard en omvang van de organisatie destijds evenredig en adequaat heeft ingevuld. De Rechtbank is ten aanzien van de eerste overtreding van oordeel dat eiseres de onafhankelijkheid van de compliance functie onvoldoende heeft nagestreefd door de compliance officer haar eigen werkzaamheden te laten controleren. Hierdoor werden interne procedures en voorschriften onvoldoende gewaarborgd. De stelling van eiseres, dat er een uitzondering gemaakt moet worden vanwege de geringe omvang van de organisatie, wordt evenmin gevolgd.

De tweede boete ziet op de overtreding van artikel 3 van de Wwft. Volgens artikel 3 Wwft dient een instelling cliëntonderzoek te doen om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. Eiseres betoogt dat de Wwft geen verplichting bevat om een schriftelijk risicoprofiel op te stellen en deze vast te leggen in dossiers. De Rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het is van belang dat een instelling periodiek toetst of de cliënt nog voldoet aan het risicoprofiel dat is opgesteld bij aanvang van de dienstverlening. Instellingen kunnen alleen ongebruikelijke transacties opmerken als ze een goed beeld hebben van de betreffende cliënt. Bij aanvang van de dienstverlening dient er dus een risicoprofiel opgesteld te worden. In drie onderzochte dossiers is er geen schriftelijk risicoprofiel opgesteld door eiseres. In andere dossiers is het risicoprofiel onvoldoende geschetst.

Tot slot stelt eiseres dat zij heeft voldaan aan de periodieke opleidingsverplichting als beschreven in artikel 35 Wwft. Eiseres voert aan dat zij zelf mag bepalen hoe zij deze verplichting invult en dat bovendien sprake is van een inspanningsverplichting. Volgens eiseres zijn nieuwe werknemers een introductiecursus aangeboden. Wat deze cursus inhield, heeft eiseres ook desgevraagd niet concreet onderbouwd, zodat niet aannemelijk is geworden dat met deze introductiecursus voldoende invulling is gegeven aan de opleidingsverplichting. Het regelmatig herzien van een lijst van do’s and dont’s op het internet kan niet worden gezien als periodiek opleiden van het personeel. Dat er regelmatig concrete zaken tijdens het werkoverleg werden besproken kan evenmin worden beschouwd als opleiden van personeel. Daarnaast is niet gebleken van een herhaling of andere cursus op het gebied van de Wwft. Het bewijs van deze overtreding heeft DNB niet uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van medewerkers van eiseres. Ook eiseres verklaart in haar reactie op het rapport van bevindingen feitelijk dat haar medewerkers in de betreffende periode (nog) geen vervolgtrainingen of -opleidingen kregen. Daarnaast heeft DNB eiseres herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld haar stellingen te concretiseren met bijvoorbeeld het gebruikte introductiemateriaal en de lijst van do’s en don’ts. Eiseres heeft dat niet gedaan, waardoor haar stellingen op dit punt niet aannemelijk zijn geworden. Onder deze omstandigheden heeft DNB deze overtreding naar het oordeel van de Rechtbank buiten redelijke twijfel aangetoond. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Gelet op de omvang van eiseres in verhouding tot de overige onder toezicht staande betaalinstellingen en de overige omstandigheden heeft DNB aanleiding gezien beide boeten fors te matigen, namelijk tot 10% van het basisbedrag. Hiermee is eiseres naar het oordeel van de Rechtbank niet tekortgedaan. De beroepen zijn ongegrond.

Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5236

 

AFM teruggefloten door het CBb

In 2012 heeft de AFM een lange lijst met namen van beleidsbepalers van financiële ondernemingen aan de Belastingdienst verstrekt met het verzoek of deze personen gebruik hadden gemaakt van de inkeerregeling. Op basis van de gegevens van de Belastingdienst heeft de AFM aan twee beleidsmakers van twee financiële ondernemingen die van de inkeerregeling gebruik hadden gemaakt, de maatregel van heenzending opgelegd.

In 2015 heeft de Rechtbank geoordeeld dat het opvragen van informatie door de AFM ontoelaatbaar was en dat de Belastingdienst deze gegevens niet had mogen verstrekken op basis van haar geheimhoudingsplicht. De Rechtbank is daarom van oordeel dat de AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet voor het bewijs mocht gebruiken.

De AFM is vervolgens in hoger beroep gegaan. In hoger beroep bevestigt het College het oordeel van de Rechtbank dat de Belastingdienst de gegevens niet mocht verstrekken. Volgens het College kan evenwel niet worden gezegd dat de AFM de gegevens van de Belastingdienst heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik hiervan door de AFM ontoelaatbaar moet worden geacht. Volgens het College was de opvatting dat gegevensverstrekking over de inkeerregeling ten behoeve van de betrouwbaarheidstoetsing mogelijk was, niet op voorhand onverdedigbaar. Daarnaast mag de AFM sinds 2016 wel fiscale informatie opvragen bij de Belastingdienst. Dit betekent dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet ten grondslag mocht leggen aan haar besluitvorming.

Het College oordeelt evenwel dat de maatregel van heenzending onevenredig zwaar was en geeft de AFM tien weken om een nieuw besluit te nemen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:46 en ECLI:NL:CBB:2017:47

* de uitspraken zijn van enige tijd geleden, maar zijn niet eerder in de nieuwsbrief opgenomen.

Accountant negeert informatieverzoeken van de Nba en wordt uit het register geschrapt

Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam in zijn eigen praktijk. Het kantoor van betrokkene werd onderworpen aan een periodiek kwaliteitsonderzoek. De uitkomst van dat onderzoek was dat betrokkene niet voldeed aan de gestelde eisen. Betrokkene moest zich in een persoonlijk gesprek komen verantwoorden. Na dit gesprek heeft betrokkene de Nba laten weten dat hij de aanbevelingen zou hebben opgevolgd. Bij een vervolgonderzoek bleek dat de aanbevelingen onvoldoende waren uitgevoerd. Hierna is betrokkene meerdere malen verzocht om de Nba te informeren over de gang van zaken in zijn praktijk. Nu betrokkene geen informatie verschafte diende de Nba een klacht in.

De klacht van de Nba ziet onder meer op het niet reageren op de informatieverzoeken van de Nba en de gebrekkige kwaliteitsbeheersing van zijn kantoor.

Volgens de Accountantskamer is betrokkene één en andermaal in de gelegenheid gesteld te voldoen aan zijn verplichting tot het verstrekken van nadere informatie, maar heeft hij dat nagelaten. Door herhaalde malen slecht mee te werken aan een toetsing heeft betrokkene het accountantsberoep in diskrediet gebracht, te meer nu het stelsel van kwaliteitsbeheersing van zijn kantoor al jarenlang niet geheel voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daaruit volgt dat hij naast het fundamentele beginsel ‘vakbekwaamheid en zorgvuldigheid’ ook het fundamentele beginsel van ‘professionaliteit’ niet in acht heeft genomen.

De overige gegronde klachtonderdelen duiden er naar het oordeel van de Accountantskamer zonder meer op dat de accountantspraktijk, waaraan betrokkene verbonden is, niet beschikt over een stelsel van kwaliteitsbeheersing dat is afgestemd op de aard, omvang en het belang van de opdrachten. Ook in zoverre is de klacht gegrond.

De Accountantskamer rekent het betrokkene in het bijzonder aan dat hij de verzochte informatie niet uit eigener beweging heeft aangeleverd en dat hij slechts na lang treuzelen een oriënterende vragenlijst heeft ingediend. Bovendien bleek bij de toetsing van het kantoor van betrokkene geen sprake te zijn van een stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens de Accountantskamer heeft betrokkene ‑ ook ter zitting ‑ onvoldoende laten blijken daarvan doordrongen te zijn.

Een en ander overziend, acht de Accountantskamer het passend en geboden betrokkene voor de periode van één jaar uit de accountantsregisters te schrappen.

De Accountantskamer 2 juli 2017, ECLI:NL:TACAKN:2018:50

 

Waarschuwing voor achterhouden poststukken van derden

Betrokkenen zijn werkzaam bij kantoor [X]. In 2017 heeft kantoor [X] de accountants-administratie en belastingadviespraktijk van kantoor [Y] overgenomen via een activatransactie. Voordien was één van de betrokkenen werkzaam bij kantoor [Y]. Kantoor [X] heeft hierbij ook de postbus overgenomen en voortgezet. Kantoor [X] heeft vanaf de verhuisdatum de post van [Y] laten doorzenden naar het nieuwe adres. Klaagster en een aantal andere ondernemingen maakten al jaren eveneens gebruik van deze postbus. Als gevolg van de postdoorzending, ook van de aan de postbus gerichte post, zijn sinds de verhuizing poststukken verkeerd bezorgd.

De postverwerking wordt binnen [BV1] verzorgd door verschillende managementassistenten. Alle binnenkomende post wordt geopend en gekopieerd. De originele poststukken worden verdeeld over de verschillende afdelingshoofden die op hun afdeling voor verdere distributie zorgdragen. De poststukken van klaagster zijn op deze manier verwerkt. Klaagster maakt één van de betrokkene [B] hierop attent en vraagt of het mogelijk is om de post op te halen of door te sturen. Volgens [B] was dit op dat moment niet mogelijk. Enige tijd later start klaagster een kort geding vanwege het achter houden van post en dient daarbij ook een tuchtklacht in.

Volgens klaagster heeft betrokkene zich niet aan de geldende gedrag en beroepsregels gehouden door post bestemd voor derden te openen, lezen, kopiëren en achter te houden. De Accountantskamer acht de klacht in al haar onderdelen gegrond. Betrokkene [B] had de post ongeopend moeten laten en de geadresseerden op zijn minst over de ontvangst van de poststukken op de hoogte moeten brengen. Dit geldt te meer nu als onweersproken vaststaat dat betrokkene [B] wist waar de op de desbetreffende poststukken vermelde geadresseerden gevestigd waren en hij wist wie hij daarvoor moest aanspreken. Het feit dat klaagster wist dat zij geen gebruik meer kon maken van de postbus en dat zij ook zelf van de verhuis- en doorzendservice van PostNL gebruik had kunnen maken, zoals door betrokkene [B] wordt betoogd, maakt dat niet anders

De Accountantskamer is van oordeel dat het hiervoor omschreven handelen een accountant niet betaamt en dat betrokkene [B] had behoren te weten dat daarmee het accountantsberoep in diskrediet kon worden gebracht, zodat dit handelen moet worden aangemerkt als schending van het fundamentele beginsel van professionaliteit. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

De Accountantskamer 2 juli 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:49.

 

Berisping accountant voor partijdige positie bij aandelenkoop

Betrokkene, een accountants-administratieconsulent, is sinds 2012 accountant van [B] en diens vennootschappen. In 2014 hebben klagers 75% van de aandelen in één van de vennootschappen van [B] gekocht. De klacht van klagers over het handelen van betrokkene valt uiteen in zeven klachtonderdelen, waarvan een aantal hieronder worden besproken.

Zo stellen klagers onder meer dat betrokkene betrokken zou zijn geweest bij het opmaken en het verstrekken van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie aan klagers. Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klagers echter onvoldoende duidelijk gemaakt welke rol betrokkene bij het opstellen van de betreffende stukken zou hebben gehad. Maar zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat betrokkene daarin een actieve rol heeft gehad, kan dat klagers niet baten, nu klagers niet geconcretiseerd hebben aangevoerd waar de door hen herhaaldelijk gestelde onjuistheden in de stukken op zagen. Ook niet nadat de Accountantskamer klagers om voorbeelden vroeg. Ook is niet gebleken dat betrokkene zijn cliënt zou hebben aangezet tot valsheid in geschrifte. Deze klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

De Accountantskamer overweegt evenwel dat het onduidelijk was welke rol betrokkene aannam bij de besprekingen in het kader van de aandelenovername tussen klagers als kopende partij en zijn cliënt als verkopende partij. Volgens de Accountantskamer had betrokkene bij aanvang van die besprekingen duidelijkheid moeten verschaffen over zijn positie en rol als adviseur van zijn cliënt bij die besprekingen. Verder had hij klagers moeten adviseren om zich door een deskundige te laten bijstaan. De Accountantskamer acht de klacht in zoverre gegrond.

Verder had betrokkene volgens de Accountantskamer moeten beseffen dat (aanzienlijke) privé-leningen aan zijn cliënt en de hoge, alsmaar oplopende vordering van zijn kantoor, een bedreiging inhielden voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Deze bedreiging heeft betrokkene echter, evenmin als de beoordeling en de maatregel, niet in zijn dossier vastgelegd. Betrokkene ontkent dat er sprake was van enige bedreiging van de objectiviteit, maar toch heeft hij in december zijn werkzaamheden overgedragen aan een andere accountant. Hieruit leidt de Accountantskamer af dat betrokkene een dreiging voor zijn objectiviteit heeft gezien.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene niet alleen zijn beoordeling van een door hem gesignaleerde bedreiging voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit en de genomen maatregel niet heeft vastgelegd, maar zelfs werkzaamheden is blijven verrichten. Daarnaast heeft betrokkene zich jegens klager niet duidelijk over zijn rol uitgesproken en evenmin iets daarvan vastgelegd. Ten slotte heeft betrokkene ter zitting geen blijk gegeven van enig inzicht in het verwijtbare karakter van zijn handelen. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

De Accountantskamer, 8 juni 2016, ECLI:NL:TACAKN:2018:39

 

Accountant FC Twente hard op de vingers getikt voor onjuiste controlegegevens

Betrokkene heeft een goedkeurende verklaring gegeven voor de jaarrekeningen 2012 en 2013 van FC Twente. Het bestuur van FC Twente heeft op een later moment de jaarrekeningen ingetrokken en hiervan melding gemaakt bij de Kamer van Koophandel. FC Twente heeft dit ook bij klaagster, de AFM, gemeld.

De klacht van klaagster valt uiteen in drie klachtonderdelen. In alle drie de klachtonderdelen staat centraal het verwijt dat betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd en dat hij niet beschikte over voldoende en geschikte controle-informatie om goedkeurende verklaringen af te geven.

Het eerste verwijt komt in de kern erop neer dat betrokkene ten onrechte en in strijd met het ‘toerekeningsbeginsel’ een (voorgenomen) overdracht van rechten op toekomstige TV-gelden tegenover de overdracht van schulden (van € 12 mio), in de jaarrekening heeft verwerkt. Daarnaast zou betrokkene niet hebben vastgesteld of ten aanzien van een vennootschap een consolidatieplicht bestond, althans zou hij zijn afwegingen voor zijn keuze daaromtrent onvoldoende hebben vastgelegd. Tot slot zou niet zijn gebleken dat betrokkene de (gewijzigde) schatting van de restwaarde van het stadion voldoende heeft getoetst. De wijziging van de restwaarde van het stadion heeft geleid tot aanpassing van de restwaarde van het stadion van nihil naar € 20 miljoen en een vermindering van de jaarlijkse afschrijving met € 1,1 miljoen.

De Accountantskamer acht alle klachten gegrond en legt een tijdelijke doorhaling van de inschrijving van betrokkene in de registers op. De maatregel duurt een volledige maand. Daarbij heeft de Accountantskamer zwaar laten wegen dat zij in alle (drie) klachtonderdelen tot het oordeel is gekomen dat betrokkene geen, althans ontoereikende, controle-informatie heeft verkregen. Door dat na te laten en op die wijze zijn kerntaak als controlerend accountant te veronachtzamen, heeft betrokkene de in de VGC en de VGBA neergelegde fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid, respectievelijk vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden en zijn beroepsgroep geschaad. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene ter zitting en in zijn verweer te kennen heeft gegeven lering te hebben getrokken uit hetgeen hem is verweten, heeft de toenmalige werkgever reeds een aantal maatregelen aan hem opgelegd en is niet eerder aan hem een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

De Accountantskamer, 8 juni 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:38

 

Waarschuwing accountant wegens niet doen van onderzoek naar VAR-verklaring

Betrokkene heeft de jaarstukken over 2013 en 2014 voor klaagsters opgemaakt. De Belastingdienst heeft de aangiften loonheffing 2013 tot en met 2014 van één van de klaagsters, [X1], onderzocht. De Belastingdienst concludeert in haar rapport dat er sprake was van een dienstbetrekking tussen [X1] en haar statutair bestuurder, [F], maar dat [X1] niet beschikte over een zogenoemde VAR-verklaring. Volgens klaagsters heeft betrokkene bij het opstellen van de jaarrekeningen niet gecontroleerd of [X1] beschikte over een VAR-verklaring, terwijl er wel aanleiding bestond om dat te doen. De overige klachten worden hier buiten beschouwing gelaten.

De Accountantskamer overweegt dat tot 1 mei 2016 met een VAR-verklaring zekerheid kon worden verkregen over het al dan niet aanwezig zijn van een dienstbetrekking tussen de opdrachtgever en een freelancer. Vaststaat dat [F] op freelance-basis voor [X1] werkzaam was, zonder dat [X1] over een VAR-verklaring beschikte.

Standaard 4410 bepaalt dat indien de accountant constateert dat de door het management verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, hij bij het management om aanvullende of gecorrigeerde informatie moet vragen. Weliswaar schrijft deze standaard het opvragen van VAR-verklaringen niet specifiek voor, maar in dit geval kon het van betrokkene worden verlangd dat hij onderzocht of er een VAR-verklaring was verstrekt. Het ging hier om een ingehuurde directeur, met een bij die functie bijbehorend salaris, die bijna fulltime werkzaam was. De eventueel verschuldigde loonheffing betrof dan ook een materiële post. Bovendien was [F] degene die betrokkene van informatie voorzag.

Betrokkene heeft aan [F] gevraagd of er van al het ingeleende personeel VAR-verklaringen aanwezig waren. Hierover verklaarde betrokkene dat hij niet meer weet hoe [F] deze vraag beantwoord had, maar dat de VAR-verklaring in elk geval niet in de administratie zat. Volgens de Accountantskamer had dit – mede gelet op de mogelijke risico’s voor [X1] – voor betrokkene een signaal moeten zijn om nader onderzoek te doen. Op de zitting heeft betrokkene dit dan ook erkend.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat is gebleken dat betrokkene weliswaar regelmatig en uitvoerig overleg heeft gevoerd met zijn opdrachtgevers, maar op enkele belangrijke onderdelen zijn dossier niet helemaal compleet had en onvoldoende heeft doorgevraagd. Aldus heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De Accountantskamer, 18 juni 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:41

 

In de gegeven situatie zijn de onderhandse leningen ten onrechte aangemerkt als ongebruikelijke transacties

Het BFT heeft aan appellant een boete opgelegd van € 7.000 wegens overtreding van artikel 3 en artikel 16 van de Wwft. Volgens het BFT beschikt appellant in de vijftien onderzochte dossiers niet over de juiste documenten en gegevens voor de verificatie van de cliënten. Daarnaast zou er in twee dossiers geen melding zijn gedaan van ongebruikelijke transacties. Het door appellant ingestelde bezwaar bij het BFT en beroep bij de Rechtbank is ongegrond verklaard.

De verweren van appellant met betrekking tot het niet naleven van de verplichting tot het uitvoeren van het cliëntenonderzoek slagen in hoger beroep evenmin. De stelling van appellant dat het BFT niet concreet zou hebben aangegeven welke gegevens in de cliëntdossiers ontbraken en in welke dossiers dat was geweest, mist feitelijke grondslag. In het onderzoekrapport van het BFT is immers per cliëntdossier vermeld welke gegevens zijn aangetroffen en welke gegevens niet. Het betoog van appellant dat de meeste van de door het BFT onderzochte cliënten al voor de inwerkingtreding van de Wwft in 2008 bij hem cliënt zijn geworden, treft verder geen doel. De verplichting van artikel 3 Wwft geldt ook voor bestaande cliënten. Het betoog van appellant dat de Wbp tot terughoudendheid zou nopen wat betreft het maken van een kopie van iemands identiteitsbewijs baat appellant evenmin. Ingevolge de Wbp mogen persoonsgegevens worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen. Artikel 3 van de Wwft is een dergelijke verplichting. Daarbij bepaalt artikel 33 Wwft dat een afschrift van het document dat een persoonsidentificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de identificatie heeft plaatsgevonden, mag worden bewaard om te voldoen aan de verplichting van gegevensvastlegging als bedoeld in die bepaling.

Daarnaast komt appellant op tegen het oordeel dat in twee dossiers ten onrechte geen melding zou zijn gedaan van ongebruikelijke transacties. In één van de dossiers was sprake van een kortlopende lening met een familielid ter hoogte van € 3.000. Verder bevatte dit dossier een tweede handgeschreven leningsovereenkomst ter hoogte van € 7.000. Bij deze leningsovereenkomsten waren er geen zekerheden bedongen of zakelijke rentekosten opgenomen. In het tweede dossier heeft appellant de eigenaar bijgestaan bij het boekenonderzoek door de Belastingdienst. Dit onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van een vermoeden van fiscale fraude. Appellant heeft na dit boekenonderzoek afscheid genomen van deze cliënt, maar geen melding gedaan.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat in deze dossiers sprake was van ongebruikelijke transacties die door appellant hadden moeten worden gemeld. Dat het ontbreken van een rentevergoeding bij een lening van familie niet ongebruikelijk is in Marokko, laat onverlet dat in Nederland nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken en de rente marktconform moet zijn. Bij beide leningen ontbreken deze voorwaarde. Ook had appellant het vermoeden van de fiscale fraude moeten melden. Dat appellant was gestopt met het verrichten van diensten voor de cliënt doet daaraan volgens de Rechtbank niets af.

Het College is van oordeel dat het BFT niet heeft aangetoond dat appellant de leningen in de onderhavige situatie had moeten aanmerken als ongebruikelijke transacties. Het College overweegt daartoe dat de lening van € 7.000 schriftelijk is vastgelegd in een  opgestelde leningsovereenkomst. Appellant heeft voorts voor de omstandigheid dat beide leningen zonder renteafspraken zijn aangegaan een specifieke en acceptabele verklaring kunnen geven, namelijk dat het gaat om een lening in de familiekring tussen personen met een Marokkaanse achtergrond en dat het ontbreken van een rentevergoeding in deze omstandigheden niet ongebruikelijk is. Het College is het niet eens met de Rechtbank dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken. Dat de Belastingdienst uit een fiscaal oogpunt bepaalde consequenties kan verbinden aan een renteloze onderhandse lening, doet er niet aan af dat het, onder andere in de familiekring, geenszins ongebruikelijk is om een lening aan te gaan met de afspraak dat hiervoor geen rente is verschuldigd. Ook de omstandigheid dat voor deze leningen kennelijk geen zekerheden waren bedongen acht het College, gelet op de hoogte van de geleende bedragen niet dusdanig bijzonder dat daarmee het ongebruikelijke karakter van de leningen zou zijn aangetoond.

Het College overweegt voorts dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant ten onrechte het vermoeden van fiscale fraude door zijn cliënt niet heeft gemeld bij de FIU. Volgens het College doet de omstandigheid dat een andere overheidsinstantie – de Belastingdienst – op de hoogte was van de fiscale fraude niet af aan de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden.

Nu het hoger beroep deels gegrond is, ziet het College aanleiding om de opgelegde boete te matigen. Het College acht, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, in dit geval een boete van € 4.500 passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet het College geen plaats. Verder wordt het BFT veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.053,20.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29 mei 2018, ECLI:CBB:2018:233

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2018:233&showbutton=true&keyword=wwft

De door de Accountantskamer ten onrechte niet eerder besproken klachten zijn in hoger beroep alsnog ongegrond

Appellante had een aantal omvangrijke klachten ingediend bij de Accountantskamer over gedragingen van betrokkenen, een accountant en diens kantoor. Door de uitgebreide omvang van de klachten heeft de Accountantskamer deze samengevat en gereduceerd naar twee klachten. Eén van die klachten is deels gegrond verklaard. Er is evenwel geen maatregel opgelegd. Appelante heeft vervolgens hoger beroep ingesteld.

Volgens appellante, de klant van het kantoor, heeft de Accountantskamer geen recht gedaan aan haar klachten over de gedragingen van betrokkenen door haar klachten te reduceren naar twee klachtonderdelen. Daarmee heeft de Accountantskamer een aantal klachten niet behandeld. De klachten betreffen niet uitsluitend de voortvarendheid van de controles maar zien ook op de doelmatigheid en professionaliteit van het optreden van betrokkenen, aldus appellante.

Het College neemt de zienswijze van appellante aan. In zoverre slaagt het hoger beroep en komt de uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Voor de verdere afhandeling kiest het College om zelf in de zaak te voorzien en om de onbesproken klachten alsnog inhoudelijk te beoordelen.

Het College komt hierbij tot de conclusie dat de niet eerder besproken klachten ongegrond zijn en dat de grieven gericht tegen de uitspraak van de Accountantskamer niet slagen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Het College vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de nog niet eerder beoordeelde klachtonderdelen ongegrond.

College voor Beroep voor het bedrijfsleven, 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:201

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2018:201&showbutton=true&keyword=tuchtrecht

College volgt het oordeel van de Accountantskamer dat AA niet vaktechnisch verantwoordelijk kan worden gehouden voor de werkzaamheden van de fiscalist

Een accountantskantoor heeft diensten verleend aan een echtpaar en hun landbouwbedrijf. De diensten bestonden onder meer uit het samenstellen van jaarrekeningen en het opstellen van jaarlijkse verrekeningen tussen de echtgenoten in verband met hun huwelijkse voorwaarden. Een AA [betrokkene] en een medewerker, fiscalist [X], waren beiden betrokken bij de dienstverlening. In het kader van hun scheiding hebben de echtgenoten [X] gevraagd om een opstelling te maken van hun vermogen.

De echtgenoot [appellant] richt zijn klachten tot betrokkene en stelt onder meer dat de berekeningen onjuist zijn en daarom ondeskundig en onzorgvuldig zijn opgesteld. Deze klachten zijn door de Accountantskamer ongegrond verklaard. Volgens de Accountantskamer valt betrokkene tuchtrechtelijk niets te verwijten, omdat hij niet vaktechnisch verantwoordelijk kan worden gehouden voor de werkzaamheden van [X]. Appellant stelt tegen dit oordeel hoger beroep in bij het College.

Het College volgt het oordeel van de Accountantskamer en verklaart het hoger beroep ongegrond. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij geen feitelijke of vaktechnische betrokkenheid had bij de opgestelde berekeningen en de uitkomst daarvan. Tegenover deze weerspreking heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat betrokkene dienaangaande desondanks een tuchtrechtelijk verwijt treft. Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21 februari 2018, ECLI:CBB:2018:206

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2018:206&showbutton=true&keyword=tuchtrecht