Categorie: Wwft & tuchtrecht

Berisping notaris en kandidaat-notaris voor het niet nakomen van de WWFT-verplichtingen

In de media verschenen berichten over onthullingen in de Panama Papers dat een kantoor met advocaten en notarissen had meegewerkt aan dubieuze financiële constructies van cliënten. Naar aanleiding hiervan heeft de notaris, die op dat moment bestuursvoorzitter van het kantoor was, direct contact gezocht met het BFT en gevraagd om onderzoek te verrichten binnen de afdeling notariaat van het kantoor. Diezelfde dag heeft de notaris deze functie neergelegd.

De klacht van het BFT heeft betrekking op het handelen en nalaten van deze notaris en een kandidaat-notaris van dit kantoor, in verband met een aandelenoverdracht in dossier [X]. Volgens het BFT is er door gebruikmaking van een stroman-schijnconstructie mogelijk sprake van een dubieuze financiële constructie. De notaris en kandidaat-notaris zouden in dit dossier hun onderzoeksplicht, meldplicht en weigeringsplicht niet zijn nagekomen.

Op zitting erkenden betrokkenen dat zij cruciale informatie uit een e-mail en de daarbij gevoegde bijlagen over het hoofd hadden gezien en dat zij anders zouden hebben gehandeld als zij ten tijde van de voorgenomen transactie daarmee wél bekend zouden zijn geweest. Deze informatie zou destijds voor hen zonder meer aanleiding hebben gevormd om nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld naar de vraag wie de UBO was, naar de voorgenomen transactie en naar de geldstromen en de genoemde bedragen. Zij betreuren het zeer dat de informatie aan hun aandacht is ontsnapt.

De notaris heeft benadrukt dat niet alleen de kandidaat-notaris, maar ook hij (mede) verantwoordelijk is voor de gang van zaken in het dossier [X]. In dat verband heeft de notaris – destijds bestuursvoorzitter van het kantoor – erkend dat het kantoorbeleid niet afdoende was. Volgens de notaris verliep het verifiëren en identificeren naar behoren, maar behoefden het monitoren van transacties en het signaleren van gevaargebieden verbetering. De awareness op dit gebied was destijds niet voldoende en de risico’s van een te grote klantintimiteit hadden destijds beter onderkend moeten worden, aldus de notaris.

De Kamer voor het notariaat oordeelt dat er een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht mag worden van een notaris en kandidaat-notaris. Het is om die reden dus verwijtbaar dat de kandidaat-notaris geen kennis heeft genomen van de informatie uit een e-mailstring en dat zij de daarbij gevoegde PowerPoint slides onvoldoende zorgvuldig heeft bekeken. Daarmee heeft zij cruciale informatie gemist. Als gevolg daarvan is een akte van aandelenoverdracht gepasseerd, zonder dat daaraan voorafgaand voldoende onderzoek is verricht en zonder dat (voldoende) stil is gestaan bij de vraag of uit hoofde van de Wwft een verscherpt cliëntenonderzoek had moeten worden verricht, of melding had moeten worden gemaakt van een ongebruikelijke transactie en of er aanleiding was om diensten te weigeren of op te schorten in afwachting van de uitkomst van nader onderzoek. De klacht zal dan ook gegrond worden verklaard.

De Kamer passeert het verweer van betrokkenen dat de door het missen van de informatie gemaakte “doorwerkfouten” buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van hun handelwijze. Daargelaten de vraag of de gestelde praktijk rond “doorwerkfouten” zich leent voor toepassing door de notariële tuchtrechter is de Kamer, gelet op de ernst van de onachtzaamheid, van oordeel dat (ook) de gevolgen van het missen van de informatie voor hun risico behoren te komen en mede in de beoordeling dienen te worden betrokken.

Ten aanzien van de maatregel merkt de Kamer voor het notariaat op dat de betrokkenen volledige openheid van zaken hebben gegeven en dat direct is begonnen aan de verbetering van het beleid om op juiste wijze toepassingen te geven aan de verplichtingen van de Wwft. Verder hebben betrokkenen naar voren gebracht dat de enorme media-aandacht, waarbij een beeld van hen is geschetst dat volgens hen geen recht doet aan de werkelijkheid, hen zeer heeft aangegrepen en grote emotionele en financiële gevolgen heeft gehad. Mede gelet hierop legt de Kamer de maatregel van berisping op waarbij de Kamer zal overgaan tot openbaring van de opgelegde maatregel.

Kamer voor het notariaat, 19 maart 2018 ECLI:NL: TNORSCHE:2018:1

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TNORSHE_2018_1?DomeinNaam=accountants%2Cnotarissen&Pagina=1&ItemIndex=3

Accountant onvoldoende vakbekwaam voor het uitvoeren van de opdracht

Klaagster is belangenbehartiger van gezamenlijke obligatiehouders. Zij is opgericht in verband met een belegging van een besloten vennootschap [BV1] in Duits vastgoed. Ten behoeve van die belegging heeft [BV1] in totaal voor een bedrag van € 2.190.000 aan obligaties uitgegeven.

Betrokkene heeft een prognoseverklaring afgegeven bij een cijfermatige toekomstprojectie in de nog door [BV1] uit te geven prospectus. De prospectus is uiteindelijk door [BV 1] in maart 2015 gepubliceerd.

Volgens klaagster heeft betrokkene in onvoldoende mate een zelfstandig en kritisch onderzoek ingesteld naar de begrote exploitatie-inkomsten en –uitgaven van [BV1] en was hij onvoldoende vakbekwaam voor het uitvoeren van de opdracht. Daarnaast zou betrokkene ten onrechte de indruk gewekt hebben dat hij als de controlerend accountant bij het project van het obligatiefonds was betrokken.

Naar het oordeel van de Accountantskamer kan uit de werkwijze van betrokkene worden afgeleid dat hij de door het obligatiefonds zelf gemaakte inschattingen als uitgangspunt heeft genomen. De ontwikkeling daarvan heeft hij niet geanalyseerd, maar de aanvaardbaarheid daarvan heeft aangenomen op grond van een vergelijking met ontwikkelingen in de markt en navraag bij deskundigen. Doordat betrokkene eigen onderzoek achterwege heeft gelaten en hij evenmin een voorbehoud heeft gemaakt, ontbeert het onderzoek van betrokkene in zoverre een deugdelijke grondslag en heeft hij gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Betrokkene heeft ter zitting bevestigd dat hij niet over specifieke kennis en/of ervaring beschikt met betrekking tot (beleggings)prospecti, (Duits) onroerend goed en onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie. Hij heeft daarbij verklaard dat hij om deze reden een collega-accountant heeft benaderd voor het uitvoeren van een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling. Naar het oordeel van de Accountantskamer is dat echter niet toereikend, nu niet gebleken is dat sprake was van een intensieve samenwerking. Deze was wel vereist door het gebrek aan kennis over de aard en inhoud van de opdracht bij betrokkene. Betrokkene had de opdracht niet mogen aanvaarden of moeten beëindigen. Door dit niet te doen heeft betrokkene eveneens in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel oordeelt de Accountantskamer dat  betrokkene niet verwijtbaar heeft gehandeld. Ter zitting heeft betrokkene onweersproken verklaard dat het aanvankelijk de bedoeling was dat hij de toekomstige jaarstukken ook zou gaan controleren. Er was dus geen sprake van een onjuiste vermelding van de (toekomstige) betrokkenheid van betrokkene. Maar zelfs als dat niet het plan was of nog onbekend was, was er geen reden om een maatregel te treffen omdat betrokkene niet had hoeven te voorzien, zoals klaagster ter zitting heeft betoogd, dat potentiële beleggers op grond van die vermelding zouden verwachten dat hij zijn prognosewerkzaamheden met meer nauwkeurigheid zou uitvoeren. Dit mocht klaagster te meer niet verwachten, nu de prognoseverklaring vermeldt op grond van welke standaard de werkzaamheden zijn uitgevoerd en daarin verder staat dat de verklaring een beperkte mate van zekerheid inhoudt.

De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden, nu betrokkene over onvoldoende deskundigheid beschikte voor het uitvoeren van de opdracht en hij geen toereikende maatregel heeft getroffen om ervoor te zorgen dat hij zich bij die uitvoering zou houden aan de fundamentele beginselen. Voorts is meegewogen dat betrokkene met zijn handelwijze de toegevoegde waarde van zijn verklaring voor de potentiële beleggers heeft onderschat.

Accountantskamer 9 april 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:17

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_17?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=2

Uitvoeringsbesluit Wwft aangeboden aan Eerste en Tweede Kamer

De Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid hebben het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer. Het Uitvoeringsbesluit Wwft voorziet onder meer in een nadere uitwerking en uitbreiding van de begripsomschrijving van ‘uiteindelijk belanghebbende’ (UBO) en van ‘politiek prominente personen’ (PEP).

Van 31 januari 2018 tot en met 28 februari 2018 is het ontwerp voor dit besluit ter consultatie voorgelegd. In deze periode van publieke consultatie zijn er 22 openbare reacties ontvangen en 8 niet openbare reacties. Naar aanleiding van de consultatiereacties is dit besluit op verschillende onderdelen aangepast.

Als gevolg van de ontvangen consultatiereacties is verduidelijkt dat ‘middelbare of lagere functionarissen’ niet worden aangemerkt als prominente publieke functies. Prominente publieke functies zijn invloedrijke functies die een hoger risico op bijvoorbeeld corruptie met zich brengen. Functionarissen die een functie op lager niveau bekleden, worden geacht in een minder invloedrijke positie te verkeren waardoor de risico’s op bijvoorbeeld witwassen of corruptie op voorhand kleiner worden geschat. Ook bestuursleden van lokale politieke partijen dienen om die reden niet als PEP te worden aangemerkt.

Ook ten aanzien van het begrip UBO zijn er verschillende wijzigingen doorgevoerd in het onderhavige besluit. De consultatiereacties hebben er in de eerste plaats toe geleid dat het onderscheid dat in de vierde anti-witwasrichtlijn in de begripsomschrijving van UBO wordt gemaakt tussen juridische entiteiten en juridische constructies, in het onderhavige besluit meer is toegespitst op de in Nederland voorkomende rechtsvormen. Zo is voor de uitwerking van de begripsomschrijving van UBO voor stichtingen thans aangesloten bij de uitwerking van het UBO-begrip voor vennootschappen en andere juridische entiteiten. Als gevolg van deze wijzigingen dienen tot de UBO’s van een stichting onder andere de natuurlijke persoon of personen die direct of indirect meer dan 25% van het eigendomsbelang in de stichting houden. In het geval van stichtingen kunnen uitkeringen aan anderen dan de oprichters, bestuurders en leden van andere organen worden gedaan met een ideële of sociale strekking. Deze uitkeringen vallen als uitkering van winst ook onder de definitie van eigendomsbelang.

Verder is verduidelijkt dat de uitzondering voor beursgenoteerde vennootschappen waarop reeds openbaarmakingsvereisten van toepassing zijn, eveneens geldt voor 100% dochtermaatschappijen van deze beursgenoteerde vennootschappen. Daarnaast is de reikwijdte van het begrip hoger leidinggevend personeel nader toegelicht voor de toepassing van het UBO-begrip. Tot het hoger leidinggevend personeel worden op grond van de Wwft de dagelijks beleidsbepalers van een Wwft-instelling gerekend, alsmede de leidinggevenden binnen een instelling direct onder dat niveau die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden van invloed zijn op de blootstelling van een instelling aan de risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme.

Tot slot zijn de gevolgen voor de regeldruk verder in kaart gebracht. Het wordt onderkend dat de verplichtingen die voor instellingen voortvloeien uit de vierde anti-witwasrichtlijn aanzienlijke gevolgen hebben voor de regeldruk. De ministers achten deze regeldruk evenwel proportioneel. In het ontwerpbesluit worden de toenemende kosten en de artikelen nader toegelicht.

Brief Minister van Financiën 6 april 2018, kamerstukken II 2017/18 34 808 nr. 16

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D23635&did=2018D23635

Hoewel de ernst van het verwijt volgens de Accountantskamer een berisping waard is, blijft het bij een waarschuwing

Betrokkene verrichte werkzaamheden voor een echtpaar en een onderneming van de man. Zij had een doorlopende opdracht voor het samenstellen van de jaarrekening van de onderneming, het opstellen van de aangiften vennootschapsbelasting en het opstellen van de aangiften inkomstenbelasting van het echtpaar. Op enig moment raakt het echtpaar verwikkeld in een echtscheiding.

De Belastingdienst heeft met betrokkene contact gehad over de opgelopen rekening-courant schuld in de jaren 2010 tot en met 2016. De Belastingdienst heeft met betrokkene afgesproken dat de toename van de rekening-courantvordering op de man in 2014 als uitdeling in aanmerking zal worden genomen. In een e-mail van vrijdag 20 januari 2017 laat betrokkene desgevraagd weten dat de uitdeling in 2014 aan ieder van het echtpaar voor 50% is toe te rekenen. Als gevolg van de voorgestelde 50/50 verdeling van de dividenduitkering van de vennootschap ontvangt klaagster een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 ten bedrage van € 7.132.

Klaagster verwijt betrokkene dat zij heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit en haar daardoor niet juist heeft geadviseerd.

Betrokkene heeft ter zitting bevestigd dat zij inderdaad een bedreiging voor de schending van het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft geïdentificeerd. Ook heeft zij erkend dat zij maatregelen had moeten nemen, maar dat zij dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Volgens betrokkene was klaagster evenwel gebaat bij een praktische en voortvarende oplossing.

De Accountantskamer constateert dat betrokkene bij de Belastingdienst (mede) namens klaagster, zonder overleg met haar, een standpunt heeft genomen, waarvan klaagster dus niet op de hoogte was. Door zonder overleg met klaagster mede namens haar in een conflictueuze situatie aan de Belastingdienst een standpunt in te nemen, heeft zij door haar wens om het conflict met de Belastingdienst zelf op te lossen zich in haar afwegingen ongepast laten beïnvloeden. Bij navraag door klaagster heeft betrokkene bovendien verhullend opgetreden door in haar eerste reactie in het midden te laten dat de Belastingdienst de navorderingsaanslag juist had opgelegd naar aanleiding van haar berichtgeving.

Betrokkene had dit, naar het oordeel van de Accountantskamer, allemaal kunnen voorkomen door de door haar zelf geconstateerde bedreiging van de objectiviteit serieus te nemen en daarnaar te handelen door in overleg met beide echtelieden afdoende waarborgen te treffen. Bij gebreke van instemming van haar beide cliënten had zij haar opdracht dienen te beëindigen, althans de Belastingdienst dienen te berichten dat zij niet in staat was in deze namens beide cliënten op te treden en de verlangde inlichtingen te verschaffen. Door beide niet te doen, kon betrokkene niet meer een neutraal standpunt innemen, zoals zij als verweer heeft aangevoerd, maar heeft zij de facto een voor klaagster nadelig standpunt ingenomen. Het verweer dat klaagster was gebaat bij een praktische en voortvarende oplossing, kan haar in dat licht bezien evenmin baten.

Hiermee heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit. Door zonder overleg met klaagster mede namens haar bij de Belastingdienst een standpunt in te nemen, heeft zij ook onzorgvuldig en daarmee in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld.

Hoewel de verweten gedragingen van betrokkene qua ernst een berisping waard zijn, acht de Accountantskamer in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene nog relatief kort staat ingeschreven in het accountantsregister, aan haar niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en zij geen kwaadwillende, maar juist oplossingsgerichte bedoelingen heeft gehad. Tevens is meegewogen dat betrokkene ter zitting blijk heeft gegeven van inzicht in haar onjuiste attitude. Betrokkene wordt daarom een waarschuwing opgelegd.

Accountantskamer 30 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:15

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_15?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=1

Accountant die zich in een wespennest begaf had maatregelen schriftelijk moeten vastleggen

Tussen twee bestuurders van een vennootschap, klager en [A], is op enig moment onenigheid ontstaan. Betrokkene is door [A] benaderd om hem behulpzaam te zijn bij de ontvlechting van diens samenwerking met klager in de vennootschap. Vervolgens heeft betrokkene de jaarrekening over 2014 opgesteld.

In de kern komt de klacht erop neer dat betrokkene bij zijn samenstellingswerkzaamheden voor de vennootschap geen, dan wel onvoldoende, contact met beide bestuurders heeft onderhouden. Daarnaast zou hij zich slechts hebben verlaten op informatie die door de [A] was aangeleverd.

Volgens de Accountantskamer heeft betrokkene zich duidelijk in een wespennest begeven, omdat op voorhand volstrekt duidelijk was dat er tussen klager en [A] grote onenigheid bestond over een groot aantal onderwerpen. Onder deze omstandigheden moet een accountant extra bedacht zijn op naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Daartegen moeten maatregelen worden genomen welke schriftelijk dienen te worden vastgelegd.

Een en ander was te meer noodzakelijk nu betrokkene zich eerder expliciet had gepresenteerd als adviseur van [A] en betrokkene had vernomen dat een ander accountantskantoor de aan haar verstrekte opdracht had teruggegeven vanwege de onenigheid tussen [A] en klager. Ook had betrokkene van de helpdesk van de Nba te horen gekregen dat aanvaarding van de opdracht niet bezwaarlijk was, mits “de objectiviteit gewaarborgd bleef.” Dit diende aldus betrokkene, onder meer “plaats te vinden door het goed documenteren van alle informatie.” Het verloop van dit gesprek is evenwel niet schriftelijk vastgelegd. Ook elke andere vastlegging waaruit zou blijken dat betrokkene het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft nageleefd, ontbreekt.

Daarmee heeft betrokkene zich begeven in een situatie waarin zijn objectiviteit te zeer in het gedrang komt. Dit betekent niet dat betrokkene de opdracht niet had mogen accepteren. Betrokkene had klager echter in de gelegenheid moeten stellen om zijn standpunten over de onderwerpen waarover onenigheid bestond, uiteen te zetten. Bijvoorbeeld door toezending van een conceptjaarrekening met het verzoek tot het geven van commentaar. Nu betrokkene dit heeft nagelaten heeft hij gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel ‘objectiviteit’. Maar ook met dat van ‘vakbekwaamheid en zorgvuldigheid’, nu het immers bij de geschillen tussen klager en [A] ging om materiële posten in de jaarrekening. De klacht moet dan ook in zoverre gegrond worden verklaard. De Accountantskamer legt betrokkene de maatregel van berisping op mede omdat hij onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in de tekortkomingen van zijn handelen.

Accountantskamer 16 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:13

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_13?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=5

Klacht van voormalig kantoordirecteur tegen maten van het kantoor ongegrond

De maten van het kantoor van betrokkenen, waaronder betrokkenen zelf, zijn verwikkeld in een civiele procedure met hun voormalige kantoordirecteur over de door deze gevorderde bonus.

In de civiele procedure stelde klager zich op het standpunt dat hij recht had op een hogere vergoeding dan hij in 2014 en 2015 had ontvangen. In de arbeidsovereenkomst met klager was bepaald dat hij recht had op een bonus van 10% van het deel van het resultaat van het accountantskantoor uitgaand boven de € 2.3 miljoen, met een maximum van € 30.000. Klager betwist de juistheid van de jaarrekeningen 2014 en 2015 van het accountantskantoor, omdat zij volgens hem niet het juiste resultaat weergeven. Volgens klager is bij het uittreden van twee maten per 1 januari 2015 een extra winstuitkering aan deze uittreders betaald.

Klager is in de civiele procedure in twee instanties in het ongelijk gesteld, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van een andere in aanmerking te nemen winst. Toch dient klager een tuchtklacht in.

Volgens klager verschuilen betrokkenen zich achter een ‘oude’ jaarrekening die uiteindelijk niet door de vennoten als ‘definitieve’ jaarrekening is aangemerkt. Daarnaast zouden betrokkenen bij de verdediging van de hoogte van de bonus standpunten innemen, die niet verdedigbaar zijn, omdat de jaarwinst had moeten worden gecorrigeerd met de rente en afschrijving van de goodwill.

De Accountantskamer gaat bij de beoordeling van de klacht ervan uit dat betrokkenen volledig tuchtrechtelijk verantwoordelijk mogen worden gehouden voor de door het accountantskantoor in de civiele procedure ingenomen standpunten.

Volgens vaste jurisprudentie kan evenwel het door een accountant al dan niet in rechte innemen van een civielrechtelijk standpunt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Van zulke bijzondere omstandigheden zou bijvoorbeeld sprake zijn indien een door een accountant ingenomen standpunt bewust onjuist of misleidend en dus te kwader trouw blijkt te zijn of moet worden opgevat als het accountantsberoep in diskrediet brengend.

De Accountantskamer is in deze zaak van oordeel dat klager met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Klager heeft, tegenover de uitvoerige en gemotiveerde weerspreking van betrokkenen ervan, niet aannemelijk gemaakt dat de jaarrekeningen 2014 en 2015 van het accountantskantoor, waarvan het resultaat als grondslag diende van de aan klager te betalen winstbonussen, niet zouden deugen. Laat staan dat betrokkenen daarover bewust onjuiste of misleidende standpunten zouden hebben ingenomen. De klacht moet daarom ongegrond worden verklaard.

Accountantskamer 23 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:14

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_14?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=3

Ook het College is van oordeel dat RA onafhankelijk en onpartijdig heeft gehandeld

De aandeelhouder van appellante organiseerde samen met zijn compagnon [C] onder andere motorevenementen op TT Assen, maar hij stopte hiermee en droeg zijn aandelen over aan [C]. Betrokkene is registeraccountant en is door appellante en [C] aangesteld om tot een bindende vaststelling te komen van de waarde van de aandelen van hun BV. Appellante heeft bij de Accountantskamer de juistheid van het advies betwijfeld en verwijt betrokkene dat hij zijn werk niet goed en onafhankelijk heeft gedaan. De Accountantskamer heeft de klachten van appellante ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellante komt er in de kern op neer dat de Accountantskamer onvoldoende inhoudelijk zou zijn ingegaan op de verwijten van appellant richting betrokkene.

Het College is echter evenals de Accountantskamer van oordeel dat het enkele feit dat betrokkene niet (op alle punten) de opvatting van appellante heeft gevolgd, niet de conclusie rechtvaardigt dat betrokkene niet onafhankelijk en onpartijdig is geweest.

Uit het rapport blijkt dat betrokkene heeft geconstateerd dat appellante en [C] een sterk uiteenlopende visie hadden over de waardering van de onderneming. Betrokkene heeft zijn keuze voor de waarderingsmethode echter uitgebreid toegelicht. Daarnaast heeft betrokkene bewerkstelligd dat de volledige administratie tot en met het jaar 2011 aan appellante ter beschikking werd gesteld opdat appellante een opstelling kon maken van posten die in haar visie ten onrechte als zakelijke posten waren verantwoord. Dit heeft geleid tot een lijst van 63 punten, die vervolgens tijdens een bijeenkomst met alle partijen zijn besproken. Met de Accountantskamer oordeelt het College dat niet is gebleken van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat betrokkene in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft gehandeld.

Ten aanzien van de gestelde onjuistheden in het rapport oordeelt het College dat betrokkene als bindend adviseur een grote beoordelingsvrijheid toekomt bij de invulling en uitvoering van de opdracht. Mede op grond daarvan kan betrokkene niet tuchtrechtelijk worden verweten diverse kosten (management fee, race- en BMX-kosten en de claim van derden) in aanmerking te hebben genomen bij de waardering van de onderneming. Partijen zijn door betrokkene in de gelegenheid gesteld hun visie op deze kosten kenbaar te maken en betrokkene heeft zijn keuzes in het rapport afdoende gemotiveerd. Het College ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat betrokkene ten aanzien van deze posten onjuiste standpunten heeft ingenomen.

Gelet op de omstandigheden in deze zaak is evenmin gebleken dat de opdracht onredelijk lang heeft geduurd. Ook daarin kan geen aanleiding worden gevonden voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 december 2017, ECLI:NL:CBB:2017:501

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2017:501

Klachten advocaat tegen AA niet-ontvankelijk respectievelijk ongegrond

Betrokkene heeft in de periode van januari tot en met november 2009 werkzaamheden ten behoeve van klagers advocatenpraktijk verricht, bestaande uit het samenstellen van de jaarrekening, het opstellen van fiscale aangiften en het voeren van een salarisadministratie.

Klager verwijt betrokkene onder meer dat hij misbruik zou hebben gemaakt van zijn bevoegdheid als accountant. Volgens klager heeft betrokkene heimelijk en te kwader trouw medewerkers van klager aangezet bij hem weg te gaan en ook zou hij een medewerker hebben aangezet een klacht in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten. Daarnaast meende klager dat betrokkene de Belastingdienst en de FIOD vals heeft ingelicht over door klager foutieve gedane BTW-opgaven over de omzet van de Raad voor Rechtsbijstand. Voorts zou hij tegen de Belastingdienst in strijd met de waarheid hebben verklaard niet de administratie voor klager te hebben gevoerd. De klacht van klager valt uiteen in 12 onderdelen.

Ter onderbouwing van zijn klacht heeft klager een door hem opgesteld e-mailbericht overgelegd van 2 mei 2016 aan een aantal advocaten van klagers kantoor. In de e-mail wordt onder meer ingegaan op het handelen van betrokkene zoals dat bij een borrel ter sprake zou zijn gekomen.

De Accountantskamer stelt allereerst vast dat klager onweersproken heeft gelaten dat een deel van het vermeend verwijtbaar handelen vóór maart 2010 heeft plaatsgevonden en er tussen het moment van het verweten handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht een periode van zes jaar of meer is verstreken. Voor zover de klachtonderdelen buiten de zesjaarstermijn vallen, dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor zover de klachtonderdelen zien op hetgeen zich volgens klager eind 2015 heeft afgespeeld, is de Accountantskamer van oordeel dat klager, in het licht van de gemotiveerde weerspreking door betrokkene, onvoldoende heeft aangevoerd om zijn klacht aannemelijk te maken. De vastlegging door klager zelf van hetgeen tijdens een borrel zou zijn gezegd, is daartoe onvoldoende. Deze klachtonderdelen zijn dan ook in zoverre ongegrond.

Betrokkene heeft voorts betwist dat hij een medewerker van klager ertoe heeft bewogen een klacht tegen klager in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten. Klager heeft zijn stellingen daarna niet nader onderbouwd. Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Betrokkene heeft zich verder onder meer verweerd met de stelling dat de BTW-opgaven wel onjuist waren, omdat op de betreffende omzet het normale BTW tarief van toepassing was. Klager heeft dit verweer niet weersproken. Naar zeggen van betrokkene heeft klager destijds niet gereageerd op verzoeken van betrokkene om opheldering te verschaffen over de forse omzet waarop het nultarief van toepassing was, zoals deze bleken uit de van klager afkomstige omzetoverzichten. Klager heeft ook dat niet betwist. Gelet daarop is dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

De overige klachtonderdelen zijn voor een deel niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de driejaarstermijn respectievelijk zesjaarstermijn en voor het overige onvoldoende onderbouwd en dus ongegrond.

Accountantskamer 23 februari 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:6

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken-in-domein/accountants/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_6/?zaaknummer=17%2F670&Pagina=1&ItemIndex=1

Klachten hadden in eerdere procedure aanhangig moeten worden gemaakt

Klager is aandeelhouder en bestuurder van klaagster. Klager verwijt zijn voormalige accountant-administratieconsulent, betrokkene, dat hij ten onrechte in de jaarrekening van klaagster een vordering op klager van € 13.500 heeft opgenomen. Daarnaast wordt betrokkene verweten te hebben nagelaten medewerking te verlenen om de fout op te helderen.

In een eerdere procedure heeft betrokkene op een tuchtklacht van onder andere klaagster een berisping opgelegd gekregen. Volgens betrokkene moeten de klachten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de klacht al in die eerdere procedure aanhangig had moeten worden gemaakt.

De Accountantskamer overweegt dat de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure volgens vaste jurisprudentie met zich brengen dat een klager klachten die hun grondslag vinden in een bepaald feitencomplex, waarvan klager kennis draagt, zo veel mogelijk tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig moeten maken. In deze procedure is sprake van een andere klager dan in de eerdere procedure. Vastgesteld moet echter worden dat klagers nauw verbonden zijn, omdat klager aandeelhouder en bestuurder is van de klaagster in de eerdere procedure. Als bestuurder was klager volledig op de hoogte van de eerder tegen betrokkene ingediende klacht. Daarnaast was hij bij de behandeling ter zitting van die eerdere klacht aanwezig en de huidige raadsman van klager was ook de raadsman van klaagster destijds. Gezien het vorenstaande moet klager vereenzelvigd worden met klaagster.

Vervolgens oordeelt de Accountantskamer dat klaagster het klachtonderdeel in die eerdere klachtprocedure had kunnen en moeten indienen. Uit een e-mail van 22 april 2016 blijkt dat klager al voordien aan de opvolgend accountant van klaagster te kennen heeft gegeven dat er in de jaarrekening van klaagster een vordering op hem was opgenomen en dat klager van mening was dat dit ten onrechte was gebeurd. Dat destijds nog onduidelijk was of betrokkene een sluitende verklaring zou geven voor de boeking en (zo neen) of hem van het opnemen van deze vordering een (tuchtrechtelijk) verwijt valt te maken, is in het kader van de naleving van de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure niet van belang, nu daarvoor uitsluitend bepalend is of een klager kennis droeg van het feitencomplex waarop een klacht stoelt. Het thans aanhangige klachtonderdeel moet daarom – op grond van de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure – niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel oordeelt de Accountantskamer dat niet, althans onvoldoende, aannemelijk is gemaakt dat betrokkene onvoldoende bereidheid heeft getoond om opheldering te verschaffen over het opnemen van de betreffende vordering. De Accountantskamer neemt daarbij in aanmerking dat onweersproken is dat betrokkene aan de opvolgend accountant van klaagster na 22 april 2016 ten minste zes (inhoudelijke) e-mailberichten heeft gezonden. Het is niet duidelijk wat er schort aan de door betrokkene aan de opvolgend accountant verstrekte informatie. Voor zover dit klachtonderdeel ontvankelijk is, dient dit derhalve ongegrond te worden verklaard.

Accountantskamer 23 februari 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:7

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_7?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=7

Een accountant die bestuurder is van een onderneming, maakt bij het uitoefenen van het bestuur gebruik van zijn vakbekwaamheid als accountant; klacht echter ongegrond

Klaagster heeft op 24 maart 2017 met [BV1] een overeenkomst voor vijf jaar gesloten tot verhuur aan [BV1] van een pand. [BV1] wordt bestuurd door een vennootschap waarvan betrokkene de enige aandeelhouder en medebestuurder was. In het desbetreffende pand zouden door [BV3] (een vennootschap onder directie van [C]) ongeveer vijftig tijdelijk in de Antwerpse havenregio werkzame arbeidsmigranten worden ondergebracht.

De huur voor de maand maart 2017 en de waarborgsom werden tijdig voldaan. De huur over april 2017 is niet tijdig betaald en betalingen over de maanden mei 2017 en verder zijn uitgebleven.

Na het afsluiten van het contract bleek [C] te hebben besloten de activiteiten onder te brengen bij een andere vennootschap. Betrokkene heeft op 12 april 2017 per e-mail het bericht gekregen dat de huisvesting van de arbeidsmigranten niet bij [BV1] zou worden ondergebracht. Betrokkene heeft nog getracht de huurovereenkomst door een derde te laten voortzetten, maar deze wilde het huurcontract niet ongewijzigd overnemen. Betrokkene heeft in een e-mail van 1 juni 2017 aan de adviseur van klaagster, laten weten dat hij inmiddels was teruggetreden als directeur van [BV1] en dat [C] nu de enige directeur was.

Klaagster verwijt betrokkene dat [BV1] niet heeft voldaan aan het huurcontract met klaagster van 24 maart 2017, omdat zij kort na het aangaan ervan is opgehouden met het betalen van de huurpenningen.

Betrokkene heeft aangevoerd dat hij tegenover klaagster nooit als accountant maar slechts als directeur van [BV1] is opgetreden. Voor zover betrokkene daarmee bedoeld heeft te betogen dat de klacht op die grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, faalt zijn betoog. Volgens vaste jurisprudentie heeft het tuchtrecht immers niet de door betrokkene bepleite beperkte reikwijdte. Een accountant die bestuurder is van een onderneming, maakt bij het uitoefenen van het bestuur van een onderneming gebruik van zijn vakbekwaamheid als accountant. Hij verricht in die functie dan ook een professionele dienst als bedoeld in de VGBA, zodat op zijn gedragingen als bestuurder alle fundamentele beginselen van de VGBA van toepassing zijn.

De Accountantskamer is van oordeel dat het feit dat al binnen enkele maanden geen gevolg werd gegeven aan de huurovereenkomst vragen oproept. Mede gelet op het verweer van betrokkene dat ook hij was verrast door de gang van zaken, heeft klaagster echter niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene al bij het aangaan van de huurovereenkomst wist of moest weten dat de huurovereenkomst niet zou worden nagekomen. Nu betrokkene, zoals ook klaagster heeft aangevoerd, heeft getracht te bewerkstelligen dat de huurovereenkomst op een of andere wijze zou worden voortgezet en hij bovendien op 23 mei 2017 is teruggetreden als directeur van [BV1], is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is dan ook ongegrond.

Accountantskamer 9 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:10

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_10?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=1