Antidumpingrechten komen in mindering op douanewaarde bij naheffing bij een DPP levering indien koper te goeder trouw heeft gehandeld

Aan belanghebbende, de rechtsopvolger van A BV, zijn UTB’s uitgereikt voor de naheffing van douanerechten en UTB’s voor de naheffing van antidumpingrechten. Deze zien op transacties van A BV, waarbij bevestigingsmiddelen werden geïmporteerd met opgave van preferentiële oorsprong Indonesië waarbij Form A certificaten van oorsprong zijn overlegd. Deze bevestigingsmiddelen werden geleverd onder de leveringsvoorwaarde DDP. Uit onderzoek van OLAF zou zijn gebleken dat de goederen ingevoerd hadden moeten worden met niet-preferentiële oorsprong China en antidumpingrechten hadden moeten worden betaald.

Het geschil spitst zich toe op de bepaling van de douanewaarde voor de naheffingsaanslag nu de goederen onder de voorwaarde DDP zijn geleverd. De inspecteur hanteert de transactieprijs genoemd in de invoeraangifte verminderd met de na te vorderen douanerechten. Op deze transactieprijs heeft de inspecteur niet de na te vorderen antidumpingrechten in aftrek gebracht omdat dit volgens de inspecteur zou leiden tot een irreële douanewaarde. Belanghebbende is het hier niet mee eens en meent dat ook de antidumpingrechten in mindering komen op de transactieprijs nu deze voor rekening van de leverancier komen vanwege de levering onder DDP, wat zij baseert op het HvJ EU arrest ‘Gaston Schul’ (C-354/09, ECLI:EU:C:2010:439). Het Hof is van mening dat dit een onjuiste interpretatie van dit arrest is, omdat in het arrest de koper en verkoper te goeder trouw waren en dachten dat er geen douanerechten verschuldigd waren. Het Hof was van mening dat deze regel achterwege dient te blijven in dit geval, nu er te kwader trouw gehandeld is.

De Hoge Raad herhaalt de regel van art. 33, aanhef CDW, op grond waarvan bepaalde elementen van de prijs geen onderdeel uitmaken van de douanewaarde indien zij zijn onderscheiden van de voor de goederen daadwerkelijk betaalde prijs. Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de interpretatie van het arrest Gaston Schul. Hierbij legt de Hoge Raad nogmaals uit dat bij een vergissing over de verschuldigdheid van douanerechten bij een DDP levering deze in mindering komen op de transactiewaarde waarover de naheffing berekend wordt. De Hoge Raad stelt dat uit het arrest Gaston Schul moet worden afgeleid dat art. 33, aanhef CDW hetzelfde moet worden uitgelegd indien alleen de verkoper te kwader trouw heeft gehandeld bij het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad vernietigt aldus de uitspraak van het Hof, omdat art. 33, aanhef CDW toepassing kan vinden indien de verkoper te kwader trouw is. De antidumpingrechten mogen daarnaast in aftrek komen op de transactiewaarde, omdat de inspecteur niet de methode ter vaststelling van de douanewaarde heeft verworpen. Nu de inspecteur dit niet heeft gedaan moet de douanewaarde worden vastgesteld middels de transactiewaardemethode van art. 29 CDW, waarbij de antidumpingrechten dus in mindering komen op de douanewaarde.

Hoge Raad 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1022