Belanghebbende slaagt niet in het aantonen van Taiwanese oorsprong van ingevoerd silicium

Belanghebbende deed in 2008 en 2009 in opdracht van een, in Polen gevestigde, onderneming aangifte ten invoer voor een zending silicium. Als land van oorsprong was Taiwan aangegeven. In 2011 voerde het antifraudebureau van de Europese Commissie (OLAF) een missie uit naar Taiwan in verband met mogelijke fraude met silicium met aangegeven oorsprong Taiwan. Eén van de onderzochte bedrijven is de leverancier van belanghebbende. In het concept OLAF-missierapport wordt vermeld dat 95% van het metaal is geïmporteerd uit China. De Inspecteur heeft in 2011 en 2012 uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB) aan belanghebbende uitgereikt voor antidumpingrechten. Na afwijzing van het bezwaar en het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep, ging belanghebbende in hoger beroep bij het Hof.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat zij heeft vernomen van het bestaan van een (definitief) OLAF-rapport inzake siliciummetaal uit Taiwan, gedateerd 28 november 2013. Volgens belanghebbende behoort dit rapport tot ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ ex artikel 8:42 Awb en dient de Inspecteur dit stuk daarom alsnog aan het Hof over te leggen. Het Hof stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 25 april 2008) volgt dat met ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’, wordt gedoeld op alle stukken die de Inspecteur ter beschikking hebben gestaan én die bij de besluitvorming van de Inspecteur een rol hebben gespeeld. Hiertoe behoren derhalve ook stukken die bij diens besluitvorming een rol hebben gespeeld, maar die door hem uiteindelijk niet zijn gebruikt ter onderbouwing c.q. motivering van zijn beslissing. Het gaat hierbij om een cumulatief vereiste.

Anders dan belanghebbende meent, volgt naar het oordeel van het Hof uit de jurisprudentie van de Hoge Raad niet dat artikel 8:42 Awb de verplichting aan de Inspecteur oplegt om alle stukken die voor de beoordeling van de zaak (door de rechter) van belang kunnen zijn én die de Inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, over te leggen.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij is geschaad in haar verdedigingsrechten. Zij stelt daartoe dat haar weliswaar een voornemen tot het uitreiken van de UTB is toegestuurd doch dat dit voornemen niet voldoet aan de voor het verdedigingsbeginsel geldende formele en materiële eisen. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur met zijn (met gronden onderbouwde) aankondigingsbrief van de UTB van 14 september 2011 ruimschoots voldaan aan zijn verplichting om belanghebbende in staat te stellen naar behoren haar standpunt kenbaar te maken – van welke mogelijkheid belanghebbende ook gebruik heeft gemaakt – zodat van een schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake is. De stelling dat een schending van het verdedigingsbeginsel is gelegen in de omstandigheid dat de Inspecteur een aantal stukken pas laat in de bezwaarfase heeft toegezonden verwerpt het Hof eveneens. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende heeft verzocht om verstrekking van afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Naar ’s Hofs oordeel brengt het verdedigingsbeginsel niet mee dat de Inspecteur gehouden is ongevraagd stukken aan belanghebbende toe te zenden in de bezwaarfase.

Belanghebbende heeft daarnaast betoogd dat de Europese Commissie met de keuze voor Noorwegen als referentieland bij de instelling van antidumpingrechten niet heeft voldaan aan haar verplichting om het referentieland ‘op redelijke wijze’ te selecteren, zoals voorgeschreven in de Verordening (EG) nr. 384/96. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de overwegingen die in genoemde verordening aan de keuze voor Noorwegen als referentieland aannemelijk en redelijk voorkomen. Ook in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen.

In hoger beroep heeft belanghebbende herhaald dat de enkele vaststelling door de Taiwanese autoriteiten dat de desbetreffende zendingen zijn ingevoerd in Taiwan en vervolgens zijn wederuitgevoerd naar de Europese Unie, niet volstaat en dat het vereiste bewijs pas is geleverd als de onderliggende invoeraangiften, uitvoeraangiften en handelsbescheiden worden overgelegd. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De ambtelijke vaststelling door de Taiwanese autoriteiten van voormelde doorvoer na invoer uit China, welke blijkens de stukken van het geding is gebaseerd op informatie uit haar digitale databases, vormt naar ’s Hofs oordeel voldoende bewijs dat de goederen van Chinese oorsprong zijn.

Tenslotte heeft belanghebbende betoogd dat de afgifte van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Taiwanese Kamer van Koophandel als een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW moet worden aangemerkt. Het Hof volgt belanghebbende ook hierin niet. De afgifte van niet-preferentiële oorsprongscertificaten in Taiwan, gebaseerd op de Taiwanese wetgeving, vindt op geen enkele wijze haar grondslag in de douanewetgeving van de Europese Unie. De Taiwanese Kamer van Koophandel is derhalve geen ‘douaneautoriteit’ als bedoeld in artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW en derhalve kan ook geen sprake zijn van een vergissing in de zin van het CDW. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Instantie: Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak: 01/09/2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4293