Betrouwbaarheid van de resultaten van Amerikaans onderzoek te snel aangenomen door het Hof

Belanghebbende deed in 2007 aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van knoflookbollen met als aangegeven oorsprong Pakistan. Na onderzoek door een Amerikaans laboratorium bleek volgens dit laboratorium dat met een zekerheid van 98% is vast te stellen dat de knoflookbollen niet afkomstig waren uit Pakistan maar uit China. In 2008 reikte de Inspecteur op basis van deze bevindingen een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uit aan belanghebbende voor antidumpingrechten voor de ingevoerde knoflookbollen. Belanghebbende tekende tegen deze UTB bezwaar aan. Tijdens de behandeling van het bezwaar was reeds door de Inspecteur om een toelichting verzocht op de conclusie van het Amerikaanse laboratorium. Het laboratorium weigerde informatie te verstrekken omtrent de werkwijze daar dit gevoelige informatie zou betreffen. De Inspecteur wees alsnog het bezwaar van belanghebbende af. Het door belanghebbende ingestelde beroep en hoger beroep werden ook ongegrond verklaard. Belanghebbende ging in cassatie waarop de Hoge Raad prejudiciële vragen over de kwestie heeft gesteld aan het HvJ EU.

Het HvJ EU heeft met betrekking tot de stelling dat er sprake zou zijn van strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU overwogen (Unitrading-arrest C-437/13) dat dit artikel zo moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat het door de douaneautoriteiten op basis van de nationale procesregels geleverde bewijs van oorsprong berust op de resultaten van onderzoek door een derde waarover die derde geen opening van zaken wil geven, noch aan de douaneautoriteiten noch aan de aangever, waardoor de verificatie of de weerlegging van de juistheid van de gebruikte conclusie wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt, mits het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geëerbiedigd. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om te onderzoeken of dit in het hoofdgeding het geval is geweest.

Thans is de onderhavige zaak terug bij de Hoge Raad nadat het HvJ EU haar antwoorden heeft geformuleerd. De Hoge Raad overweegt dat de gronden waarop het Hof de Amerikaanse onderzoeksbevindingen betrouwbaar heeft geacht dit oordeel niet kunnen dragen.

Belanghebbende heeft in hoger beroep de validiteit van de in de Amerikaanse rapporten gepresenteerde onderzoeksresultaten gemotiveerd betwist en daarbij een kritisch ‘witness statement’ van medewerkers van een Schots laboratorium ingebracht omtrent de werkwijze van het Amerikaanse laboratorium. De Inspecteur heeft voor het Hof in zijn verweerschrift en ter zitting commentaar geleverd op deze punten van kritiek. De Hoge Raad stelt dat uit de uitspraak van het Hof niet blijkt hoe het Hof in het licht van hetgeen aldus door beide partijen is aangevoerd de feiten en argumenten heeft gewogen die voor en tegen het toekennen van bewijskracht aan de Amerikaanse onderzoeksbevindingen pleiten. Zonder dit inzichtelijk te hebben gemaakt mocht het Hof, nu die onderzoeksbevindingen zelf niet inzichtelijk of controleerbaar waren gemaakt, niet ermee volstaan om de betwistingen van belanghebbende te verwerpen met het oordeel dat het Amerikaanse laboratorium betrouwbaar is terwijl het Schotse laboratorium niet is geaccrediteerd voor de methode waarmee het Amerikaanse onderzoek is verricht.

De slotsom is dat de uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de zaak weer naar het Hof wordt verwezen met daarbij de opdracht dat het verwijzingshof moet beoordelen of de Inspecteur voor de ingevoerde knoflookbollen de oorsprong China heeft bewezen. In dit verband verdient opmerking dat indien de verwijzingsrechter zich niet voldoende toegerust acht de bewijskracht te beoordelen van onderzoeksresultaten waarvan niet alle relevante onderliggende gegevens zijn geopenbaard, hij zich kan laten voorlichten door op de voet van artikel 8:60 Awb te benoemen deskundigen, indien hem dat voor de beslechting van het geschil zinvol voorkomt.

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 04/12/2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:3467