BTW-vrijstelling bij levering aan tussenhandelaren: wie krijgt wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over een goed bestemd voor de bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee?

Voor de beantwoording van de vraag of de btw-vrijstelling voor de levering van goederen, bestemd voor de bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee toepasbaar is op leveringen aan tussenhandelaren die op eigen naam in- en verkopen, acht de A-G van belang wie wanneer de macht verkrijgt om als eigenaar te beschikken over de goederen.

FBK verkocht brandstof aan verschillende klanten. De brandstof was afkomstig van buiten de EU en werd in Litouwen opgeslagen. FBK verkocht niet rechtstreeks aan de eigenaren of exploitanten van schepen, maar aan  in diverse lidstaten gevestigde tussenhandelaren. FBK factureerde ook aan de die tussenhandelaren. Op haar facturen aan de tussenhandelaren bracht FBK geen btw in rekening, op grond van de Litouwse implementatie van art. 148 btw-richtlijn.

De belastingautoriteiten vonden dat de bewuste leveringen aan de tussenhandelaren plaatsvonden ‘in een eerdere handelsfase’  (dan de levering aan boord van de schepen) en derhalve op grond van arresten van het HvJ niet van de btw konden worden vrijgesteld.

De Litouwse rechter stelde een prejudiciële vraag aan het HvJ.

De A-G benadrukt dat zorgvuldig moet worden onderzocht bij welke partij of partijen de macht berustte om werkelijk op dezelfde wijze als een eigenaar over de brandstof te beschikken.

Indien uit de contracten zou blijken dat FBK zowel feitelijk als juridisch de werkelijke macht om als een eigenaar over de brandstof te beschikken heeft overgedragen aan de tussenhandelaren  voordat de brandstof was afgeleverd in de tanks van de schepen, is de situatie vanuit btw-oogpunt vergelijkbaar met de zaak Velker (nr. C-185/89).

Volgens de A-G is het buitengewoon moeilijk voor te stellen hoe – wanneer brandstof eenmaal is geleverd in de tanks van een schip voor de vaart op volle zee – daarover anders valt te beschikken dan voor verbruik voor de energiebehoeften van het betrokken schip, door de exploitant dus.

Volgens de A-G dienen  op grond van art. 148 onder a btw-richtlijn alle  transacties waarbij de verkrijger  de macht verkrijgt om als een eigenaar over goederen te beschikken te worden vrijgesteld van btw. Het is aan de nationale autoriteiten om vast te stellen wie in welk stadium deze macht verkrijgt.

Conclusie A-G Sharpston van het Hof van Justitie 5 maart 2015 bij de zaak C‑526/13