Conclusie A-G HvJ EU over ruime uitleg begrip ‘communautaire veredelaars’ en restrictieve uitleg begrip ‘misbruik van recht’

Op 30 juni 2008 heeft A BV (belanghebbende) bij de Inspecteur van de Nederlandse douane krachtens artikel 85 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: douanewetboek) een aanvraag ingediend voor een vergunning voor passieve veredeling. Belanghebbende wenste communautaire benzine op volle zee te vermengen met bio-ethanol, waardoor de biobrandstof ethanol 85 (hierna: E85) zou ontstaan. De op volle zee verkregen E85 zou bij terugkeer in een Nederlandse haven bij de douane worden aangegeven voor het vrije verkeer in de Unie en worden onderworpen aan een invoertarief van 6,5%. Door toepassing van de regeling passieve veredeling zou belanghebbende in aanmerking komen voor een tarief van 4,7%. Dit komt door een vermindering van de rechten met een bedrag van douanerechten dat zou zijn toegepast op de communautaire benzine indien deze zou zijn ingevoerd.

De Inspecteur heeft de aanvraag afgewezen, na advies te hebben gevraagd aan de Europese Commissie. De Commissie betoogde dat de ingevoerde E85 rechtstreeks concurreerde met communautair geproduceerde bio-ethanol. De invoer van bio-ethanol in grote hoeveelheden zou ertoe leiden dat de wezenlijke belangen van communautaire bio-ethanolproducenten ernstig zouden worden geschaad. Het beroep van belanghebbende bij de Rechtbank Haarlem werd verworpen.  In  hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam oordeelde het Hof dat aan de economische voorwaarde van de regeling was voldaan. De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad is van oordeel dat de uitkomst van het cassatieberoep afhangt van de uitleg van het begrip ‘communautaire veredelaars’ in de zin van artikel 148 subonderdeel c van het douanewetboek en heeft hier een prejudiciële vraag over gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Belanghebbende heeft ter terechtzitting verklaard dat het verrichten van de onderhavige handeling op volle zee enkel voortvloeit uit de wens om voordeel te behalen uit het verschil in douaneheffing tussen bio-ethanol en E85. Het begrip ‘communautaire veredelaars’ heeft volgens belanghebbende uitsluitend betrekking op communautaire producenten van E85. De andere belanghebbenden zijn van mening dat het begrip ook communautaire producenten van bio-ethanol omvat. A-G Saugmandsgaard stelt dat op basis van de algemene opzet en doelstelling van de regeling waarvan het begrip een onderdeel vormt, een ruime uitleg van de bepaling gewenst is.

Communautaire producenten van producten die vergelijkbaar zijn met niet-communautaire grondstoffen of halffabrikaten die bestemd zijn om te worden vermengd met tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen tijdens de in die aanvraag bedoelde veredelingshandelingen (bio-ethanol), dienen ook onder het begrip ‘communautaire veredelaars’ te worden begrepen.

Voorts stelt de Commissie subsidiair dat gebruikmaking van de regeling passieve veredeling in casu misbruik van recht zou vormen. De A-G stelt dat misbruik het bestaan van zowel een intentioneel als een materieel element veronderstelt. Het eerste impliceert dat de betrokken praktijk als voornaamste doel heeft een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Het tweede duidt op een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt.

De A-G komt tot de conclusie dat het zijns inziens geen twijfel lijdt dat een handeling als in casu als zodanig niet als misbruik kan worden gekwalificeerd. Een dergelijke vermenging beantwoordt aan bepaalde autonome technische of economische redenen. Derhalve zou, op zijn minst, het intentionele element van het rechtsmisbruik ontbreken.

Instantie: A-G Hof van Justitie van de Europese Unie
Datum conclusie: 7/4/2016

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=175622&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=813006