Eén actieve gedraging niet voldoende voor een beroepsaangever om daaraan gewettigd vertrouwen zoals bedoeld in art. 220 lid 2 sub b CDW te ontlenen

Hof Amsterdam heeft uitspraak gedaan na het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014, nr. 12/02517. Het Hof oordeelt dat de drie (cumulatieve) voorwaarden voor het afzien van navordering op de voet van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW zijn vervuld ten aanzien van één van de twee aan belanghebbende opgelegde uitnodigingen tot betaling.

Aan beroepsaangever X zijn uitnodigingen tot betaling opgelegd voor de door X (in opdracht van de importeur) gedane aangiften. Ter zake van de invoer heeft de douane de opgegeven tariefpost steeds als heffingsgrondslag aanvaard.

In geschil is de vraag of de beroepsaangever de tarief indeling, die onjuist bleek te zijn, redelijkerwijs had kunnen ontdekken. Als dat niet zo is, kan worden afgezien van boeking achteraf (navordering), mits aan de drie cumulatieve voorwaarden van artikel 220, tweede lid, van het CDW is voldaan. Daarin wordt de situatie bedoeld dat er jegens de belastingplichtige een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat er niet (tot een hoger bedrag) zou worden geboekt.

Partijen hebben zich ter zitting eenparig op het standpunt gesteld dat in casu sprake is van twee actieve gedragingen van de inspecteur. X voerde op grond van de volgende omstandigheden aan dat sprake was geweest van vergissingen van de douane, die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken:

1) Er was sprake van een door belanghebbende ingediend gehonoreerd verzoek om terugbetaling op grond van art. 236 CDW

2) Er vond een controle na invoer (CNI) plaats bij de importeur

3) Er zijn Duitse, Zweedse en Nederlandse bindende tariefinlichtingen verstrekt aan derden t.a.v. vergelijkbare producenten als de ingevoerde producten in casu.

In de periode dat nog geen CNI bij de importeur had plaatsgevonden, was er volgens het Hof ten tijde van het doen van die aangiften sprake geweest van één actieve gedraging van de douane, namelijk de door de inspecteur verleende terugbetaling op grond van artikel 236 CDW. Uit het verwijzingsarrest van de Hoge Raad volgt dat het zich eenmalig voordoen van een actieve gedraging niet volstaat voor een beroepsaangever, zoals X, om daaraan een gewettigd vertrouwen te ontlenen met betrekking tot alle daaropvolgende gedane aangiften voor soortgelijke goederen waarvoor de douaneautoriteiten geen of te weinig rechten bij invoer boeken en invorderen.

Met betrekking tot de uitnodigingen tot betaling na de CNI is volgens het hof wel aan de voorwaarden van art. 220, lid 2, sub b, CDW voldaan. Deze aangiften hebben plaatsgevonden zowel na het door de inspecteur gehonoreerde verzoek om terugbetaling alsmede na de bij de importeur verrichte controle. In zoverre faalt het hoger beroep van de inspecteur. Zijn voor het cassatieberoep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken stelling dat niet aan de derde voorwaarde van art. 220 lid 2 CDW was voldaan kon de inspecteur na verwijzing niet opnieuw aanvoeren.

Gerechtshof Amsterdam, 5 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1078

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:1078