Gebruik onjuiste oorsprongscertificaten is gevolg van vergissing van Colombiaanseautoriteiten die belanghebbende niet kon ontdekken

Belanghebbende, een exporteur in Colombia heeft in 2007 aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van ‘tonijn conserven in plantaardige olie’. Op het bij de aangifte overlegde oorsprongscertificaat, een Form A, werd Colombia als land van oorsprong vermeld. Op de Form A stond vermeld dat de tonijn geheel was verkregen in Colombia en dat de goederen voldoen aan de criteria voor preferentiële oorsprong. Deze verklaring is door de Colombiaanse Douaneautoriteiten voorzien van een stempel en is geparafeerd. De certificaten bleken achteraf onjuist te zijn, de tonijn was alleen bewerkt in Colombia. Aldus reikte de Inspecteur een uitnodiging tot betaling (hierna UTB) uit aan belanghebbende. Belanghebbende tekende hier bezwaar tegen aan, hetgeen werd afgewezen. In het daaropvolgende beroep werd de UTB vernietigd door de rechtbank, tegen welke uitspraak de Inspecteur hoger beroep tegen aantekende.

Het Hof overweegt dat vaststaat dat door de bevoegde Colombiaanse instantie onjuiste certificaten zijn afgegeven. Dit betekent dat, op grond van de tweede alinea van artikel 220, lid 2 onder b CDW, in beginsel sprake is van een vergissing van deze instantie die belanghebbende redelijkerwijze niet kon ontdekken. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de afgifte van de certificaten is gebaseerd op een onjuiste weergave van de feiten door exporteur rust op de Inspecteur.

De Inspecteur heeft ter zitting gepreciseerd dat een onjuiste weergave van de feiten is gelegen in de invulling van de vakken 8 en 12 van de certificaten die de exporteur ter visering heeft aangeboden aan de Colombiaanse autoriteiten. Het Hof overweegt dat door in vak 8 een “P” te vermelden de exporteur tot uitdrukking heeft gebracht dat de goederen ‘geheel en al zijn verkregen’ in Colombia. Naar het oordeel van het Hof kan de enkele vermelding van een “P” niet worden aangemerkt als een onjuiste weergave van de feiten, daar deze vermelding niet zozeer een weergave van de feiten is, als wel een juridische kwalificatie daarvan.

Nu is vastgesteld dat belanghebbende geen onjuiste weergave van de feiten maar slechts een verkeerde juridische kwalificatie hiervan heeft voorgehouden aan de Colombiaanse autoriteiten, zij de vergissing van deze autoriteiten redelijkerwijze niet kon ontdekken en al vaststond dat belanghebbende te goeder trouw is verklaart het Hof het hoger beroep ongegrond.

Instantie: Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak: 09/07/2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4074