Geen (civiele) schadevergoeding na onrechtmatig opgelegde naheffingsaanslagen accijns

X BV verzorgt de accijnsvrije overbrenging van accijnsgoederen naar andere landen met schorsing van de verplichting tot afdracht van accijns, die in dat geval uiteindelijk plaatsvindt in het land van ontvangst. BV X beschikt over een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP). Zij stelt ook de voor een accijnsvrije overbrenging van accijnsgoederen naar een derde land benodigde administratieve geleide documenten op (hierna: AGD’s) op. Bij de AGD’s hoort een terugzendexemplaar dat voorzien van de juiste gegevens, dient te worden geretourneerd aan BV X. Na ontvangst van een juist ingevuld terugzendexemplaar zijn de goederen in Nederland gezuiverd en behoeft geen accijns te worden afgedragen.

De douane heeft twee boekenonderzoeken uitgevoerd naar door X BV in 2005 en 2006 afgegeven AGD’s. Blijkens de controlerapporten zijn bepaalde terugzendexemplaren voorzien van een vals douanestempel en blijkt voorts dat deze zendingen niet bij de geadresseerden zijn aangekomen. Vervolgens heeft de inspecteur aan BV X naheffingsaanslagen accijns en verzuimboetes opgelegd.

In de daaropvolgende procedures heeft de Hoge Raad de cassatieberoepen van BV X gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen vernietigd (ECLI:NL:HR:2013:56 en ECLI:NL:HR:2013:190).
De Hoge Raad heeft overwogen dat wanneer accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of overtreding is begaan, deze onregelmatigheid of overtreding wordt geacht te zijn begaan in Nederland. Als vergunninghouder zou BV X dan inderdaad accijns verschuldigd zijn.

Dit is niet het geval indien binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de goederen, wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of dat de onregelmatigheid of de overtreding zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat dan Nederland. De termijn mag echter niet aan een bedrijf worden tegengeworpen, indien het bedrijf niet in staat is geweest om tijdig te vernemen dat geen zuivering van de schorsingsregeling heeft plaatsgevonden. Het betrokken bedrijf moet in overeenstemming met de Richtlijn de gelegenheid worden geboden bewijs te leveren dat de handeling regelmatig was of dat de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk in een andere lidstaat werd begaan.
De Hoge Raad oordeelde dat de richtlijngever kennelijk het oogmerk heeft gehad het bedrijf een termijn van ongeveer twee tot drie maanden te gunnen om het hiervoor bedoelde bewijs te leveren. Alvorens Nederland bevoegd wordt om als lidstaat van vertrek tot invordering van accijns over te gaan, dient de inspecteur een bedrijf dat ervan in kennis wordt gesteld dat de aftekeningen op een terugzendingsexemplaar van het geleidedocument vals of vervalst zijn, daarom alsnog een termijn van vergelijkbare duur te bieden. De oordelen van het Hof gaven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De uitspraak van het Hof kon niet in stand blijven, aangezien het tijdsverloop tussen de datum waarop BV X het controlerapport ontving en de datum waarop de naheffingsaanslag werd vastgesteld slechts ongeveer vijf weken heeft bedragen. Deze termijn werd door de Hoge Raad onvoldoende geacht voor het door BV X aan te leveren bewijs. De Inspecteur was daarom op het moment dat hij de naheffingsaanslag oplegde daartoe niet bevoegd en dientengevolge vernietigde de Hoge Raad de naheffingsaanslagen. Daarmee is de onrechtmatigheid van de aanslagen gegeven.
BV X vordert in dit kader schadevergoeding van de Staat voor de kosten in verband met de fiscale procedures alsmede reputatieschade.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de kosten in verband met de fiscale procedure al aan de orde zijn geweest in de fiscale procedure. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter is dan ook geen plaats.
Aangaande de gestelde reputatieschade oordeelt de Rechtbank dat bij de schadebegroting een vergelijking moet worden gemaakt tussen de onrechtmatige situatie en de situatie waarin wel de juiste procedure was gevolgd en waarin de Inspecteur BV X wel de juiste termijn voor bewijslevering had gegund. De Rechtbank is van oordeel dat de Inspecteur bij het volgen van de juiste procedure bevoegd zou zijn geweest om de naheffingsaanslagen op te leggen. Daarmee ontbreekt volgens de Rechtbank het voor aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen de onrechtmatigheid van de naheffingsaanslagen en de gestelde schade.
BV X is daarom gedeeltelijk niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en de vordering wordt voor het overige afgewezen, omdat niet is voldaan aan alle vereisten voor aansprakelijkheid van de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad voor het onrechtmatig handelen van de Inspecteur. Aan bespreking van de andere geschilpunten wordt niet toegekomen.

Rechtbank Den Haag, 27 januari 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:743