Geen schending verdedigingsbeginsel maar wel ‘klaarblijkelijke nalatigheid’

Belanghebbende heeft in haar hoedanigheid van douane-expediteur in de periode 1997 tot en met 2001 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van het product glyfosaat, waarbij als land van oorsprong Taiwan is aangegeven. Belanghebbende deed de aangiften in opdracht van een in Portugal gevestigde met haar verbonden onderneming, die in opdracht van de importeur handelde. Er zijn na een controle uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) ter waarde van €1,7 miljoen aan belanghebbende uitgereikt die betrekking hebben op 52 aangiften die zijn gedaan van 1999 tot en met 2001. De importeur heeft ten behoeve van de aangiften certificaten van oorsprong verstrekt die zijn afgegeven door de Taiwanese autoriteiten. Op basis van een onderzoek ingesteld door het OLAF bleek echter dat de goederen uit China afkomstig waren. Voor de import van deze goederen uit China gelden antidumpingrechten.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ingevoerde goederen van Chinese oorsprong zijn. Belanghebbende heeft desondanks een verzoek tot terugbetaling ingediend op de voet van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) voor de antidumpingrechten die zijn nagevorderd met de UTB’s. In hoger beroep is in geschil, of het verdedigingsbeginsel geschonden is en of deze mogelijke schending dient te leiden tot vernietiging van de bestreden UTB’s.

Het Gerechtshof Amsterdam stelt voorop dat een eventuele schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet afdoet aan de wettelijke verschuldigdheid van de desbetreffende antidumpingrechten in de zin van artikel 236 CDW, zodat een dergelijke schending op zichzelf geen aanleiding kan geven tot een terugbetaling op de voet van dit artikel met verwijzing naar C-247/04, Transport Maatschappij Traffic BV, ECLI:EU:C:2005:628.

Partijen verschillen voorts van mening over het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een toereikende vooraankondiging van de bestreden UTB’s. De Minister heeft ter zake gewezen op het eindgesprek dat op 11 februari 2002 met belanghebbende is gevoerd. Belanghebbende heeft gesteld dat de eerste twee UTB’s reeds op 13 februari 2002 zijn uitgereikt, zodat de reactietermijn voor belanghebbende niet toereikend is geweest. Ook heeft zij er op gewezen dat het eindgesprek geen betrekking had op de aangiften welke zijn begrepen in de overige UTB’s, omdat ten aanzien van die aangiften het onderzoek nog niet was afgerond. Volgens het Hof kan in het midden blijven of en in hoeverre het eindgesprek als toereikende vooraankondiging heeft te gelden. Hierbij wordt verwezen naar C-129/13 en C-130/13, Kamino International Logistics BV en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV, ECLI:EU:C:2014:2041.

Voorts stelt het Hof dat de ten tijde van het indienen van de bezwaarschriften geldende Leidraad Invordering 1990, voldoende waarborg voor opschorting van de uitvoering van de UTB’s bood. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is naar het oordeel van het Hof daarom niet geschonden. Het is hierbij tevens van belang dat belanghebbende ter zitting heeft bevestigd dat voor alle UTB’s uitstel van betaling is verleend.

Belanghebbende heeft voor alle bestreden UTB’s een verzoek om kwijtschelding ingediend op grond van artikel 239 van het CDW. Dit verzoek is door de Minister voorgelegd aan de Europese Commissie (hierna: EC). In het onderhavige geval oordeelde de EC dat er sprake is van ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ als bedoeld in artikel 239 van het CDW. Wanneer de EC heeft geoordeeld dat sprake is van ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ als bedoeld in artikel 239 van het CDW, dan is deze juridische beoordeling overeenkomstig artikel 288 VWEU bindend voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen de rechterlijke instanties die datzelfde geval moeten toetsen aan artikel 220 van het CDW.

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Instantie: Hof Amsterdam
Datum uitspraak: 07/01/2016

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:70