Gevolgen schending hoorplicht bij uitnodiging tot betaling

In dit arrest zet de Hoge Raad de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het verdedigingsbeginsel duidelijk uiteen. Allereerst kan er op dit beginsel door particulieren een rechtstreeks beroep gedaan worden voor de nationale rechter. Daarnaast is het niet horen van de adressaat, voordat een uitnodiging tot betaling wordt gedaan in een procedure tot navordering van invoerrechten, een schending van de rechten van de verdediging. Tenslotte moeten de voorwaarden, waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moeten worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen voldoen aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarbij kan de nationale rechter bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging ermee rekening houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Voor het oordeel dat het proces een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de douane zonder deze schending zou hebben afgezien van een uitnodiging tot betaling of dat zij deze op een lager bedrag zou hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie de UTB is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter moet dit beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.

Dit laatste doet zich volgens de Hoge Raad in het onderhavige geval niet voor. In cassatie is onbestreden dat over de feiten en de waardering daarvan nimmer verschil van mening heeft bestaan en dat het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de Inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Indien belanghebbende dus wel vooraf was gehoord, had dit niet tot een ander besluit kunnen leiden. De schending van de rechten van de verdediging hoeft in dit geval dus niet te leiden tot vernietiging van de UTB.

HR, 26 juni 2015, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2015:1666

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1666&keyword=ECLI%3aNL%3aHR%3a2015%3a1666