HvJ EU oordeelt over tariefindeling bij afzonderlijke inklaring van goederen die als één geheel worden verkocht

Belanghebbende is een Belgische vennootschap die in januari 2008 als douane-expediteur in eigen naam en voor rekening van een Franse vennootschap drie invoeraangiften heeft laten valideren door de douane in Antwerpen. De aangiften strekten tot het in het vrije verkeer brengen van gecombineerde video- en audiosystemen die waren samengesteld uit verschillende componenten, in één apparaat gecombineerd tot een “audio-videocombinatie”. De goederen waren tijdens het transport gedemonteerd en in de aangiften afzonderlijk per individueel onderdeel aangegeven. Aldus zijn de toestellen ingedeeld onder afzonderlijke tariefposten waarvoor douanerechten van 2,5% (audio-videocombinatie) en 4,5% (luidsprekers) golden. De video- en audiosystemen zijn niet als één geheel aangegeven onder de tariefpost waarvoor een invoerrecht van 13,9% gold.

Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of regel 3b van de “Algemene regels voor de interpretatie van de GN”, aldus kan worden uitgelegd dat goederen die in afzonderlijke verpakkingen ter inklaring worden aangeboden en pas daarna samen worden verpakt, niettemin kunnen worden aangemerkt als “goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein” en bijgevolg onder dezelfde tariefpost kunnen vallen. Hierbij staat vast dat de goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht.

In de eerste plaats stelt het HvJ EU vast dat hoe dan ook niet uit de tekst van regel 3b, noch uit de toelichtingen op het GS-verdrag of uit de richtsnoeren, volgt dat van “stellen of assortimenten” in de zin van deze regel in ieder geval alleen sprake kan zijn indien de betrokken goederen in dezelfde verpakking ter inklaring worden aangeboden. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak slechts sprake is van “stellen of assortimenten” in de zin van de voornoemde regel indien er in de handel een nauwe samenhang tussen de betrokken goederen bestaat, zodanig dat de goederen niet enkel samen ter inklaring worden aangeboden, maar normaal ook in de verschillende handelsfasen samen en in dezelfde verpakking worden gepresenteerd. Om bepaalde goederen als bij elkaar horend en derhalve als een “stel of assortiment” te kunnen beschouwen, is het dus niet noodzakelijk dat deze goederen in dezelfde verpakking zitten. Het in dezelfde verpakking zitten vormt enkel een aanwijzing waaruit een dergelijke vaststelling kan worden afgeleid.

Iedere andere uitlegging van het begrip “stel of assortiment” zou de invoerders de mogelijkheid bieden om door middel van een eenvoudige ingreep, ervoor te zorgen dat de goederen als één geheel of juist afzonderlijk worden ingedeeld, afhankelijk van wat voor hen het gunstigst is. Uit vaste rechtspraak van het HvJ EU volgt dat een dergelijke mogelijkheid in strijd is met het beginsel dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan.

Voorts blijkt uit de rechtspraak van het HvJ EU dat de douaneautoriteiten zich bij hun beoordeling uiteindelijk moeten laten leiden door de wijze waarop deze goederen aan de consument zullen worden aangeboden. Tot slot moet worden geconstateerd dat de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen na hun inklaring zijn omgepakt in één enkele verpakking, niet noodzakelijk impliceert dat de goederen niet geschikt waren om zonder opnieuw te worden verpakt rechtstreeks aan de verbruiker te worden verkocht als één geheel.

Het HvJ EU concludeert dat het feit dat goederen bij de douane worden aangeboden in afzonderlijke verpakkingen en pas na hun inklaring samen worden verpakt, er niet aan in de weg kan staan dat die goederen worden aangemerkt als “goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein” in de zin van regel 3b van de algemene regels, indien ten tijde van de inklaring uit andere objectieve factoren duidelijk blijkt dat deze goederen bij elkaar horen en bestemd zijn om als één geheel in de kleinhandel te worden verkocht. Dergelijke objectieve factoren kunnen worden gevonden in de omstandigheden dat de goederen samen zijn ingevoerd, vervoerd, gefactureerd en behandeld, zij aan dezelfde persoon zijn geadresseerd, de visuele voorstelling van het toestel en de omstandigheid dat precies evenveel luidsprekersets als audio-videocombinaties zijn ingevoerd. Het staat aan de nationale rechter om de relevante omstandigheden te beoordelen.

HvJ EU 10 maart 2016, nr. C-499/14

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=174927&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=909969