Inspecteur heeft de Chinese oorsprong van knoflook voldoende aannemelijk gemaakt

Belanghebbende is een handelaar in groente en fruit en heeft in 2002 en 2003 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van verse knoflook met als aangegeven land van oorsprong Rusland. In 2005 heeft belanghebbende diverse aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van knoflook maar ditmaal met als aangegeven land van oorsprong Turkije. In 2005 en 2006 heeft de Inspecteur, naar aanleiding van een onderzoek ingesteld door het OLAF en de FIOD, aan belanghebbende diverse uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) uitgereikt omdat de knoflook als oorsprong China zou hebben en aldus ten onrecht een preferentieel tarief is toegepast. Het door belanghebbende ingestelde bezwaar en beroep tegen de UTB’s werden afgewezen en belanghebbende kwam in hoger beroep.

Belanghebbende stelt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding zijn gebracht ex artikel 8:42 eerste lid, Awb. Het Hof overweegt dat anders dan belanghebbende heeft betoogd, uit o.a. het arrest ECLI:NL:HR:2008:BA3823 niet volgt dat de Inspecteur gehouden is op haar verzoek elk stuk over te leggen waarvan belanghebbende stelt dat het op de zaak betrekking heeft, indien de Inspecteur niet over het desbetreffende stuk beschikt noch heeft beschikt. Uit diverse door de Inspecteur overlegde bijlagen blijkt dat deze niet over de genoemde stukken beschikte. Nu de genoemde stukken de Inspecteur niet ter beschikking stonden ten tijde van zijn besluitvorming kunnen zij geen rol hebben gespeeld bij deze besluitvorming, zodat het geen op de zaak betrekking hebbende stukken betreft en de Inspecteur niet in strijd met artikel 8:42 van de Awb heeft gehandeld door deze stukken niet uit eigen beweging in het geding te brengen.

Voorts stelt belanghebbende dat de rechten van de verdediging niet zijn eerbiedigd omdat zij niet in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken in de administratieve procedure. Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn stelling dat met het verhoor door de FIOD voldoende recht is gedaan aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, reeds omdat belanghebbende met dit verhoor niet in staat is gesteld naar behoren en daadwerkelijk haar standpunt kenbaar te maken in het kader van de administratieve procedure. De Inspecteur heeft gesteld dat, ook als het verhoor door de FIOD in dit kader niet voldoende is, toch geen sprake is van schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, omdat in Nederland een bezwaarschrift kan worden aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling en in casu ook daadwerkelijk uitstel van betaling is verleend door de Ontvanger. Het Hof stelt onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU C-129/13 ‘Kamino, Datema’ en Leidraad Invordering 1990, dat er een voldoende adequate waarborg is geboden voor opschorting van de uitvoering van de UTB’s. Uit de overlegde uitstelbeschikkingen blijkt dat voor alle UTB’s ook daadwerkelijk uitstel is verleend. Naar ’s Hofs oordeel is het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging in casu dan ook niet geschonden.

Het Hof stelt dat met al hetgeen hij heeft overgelegd de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen waarbij is aangegeven dat het land van oorsprong Rusland was, niet daadwerkelijk van Russische oorsprong zijn. Inzake de goederen waarbij is aangegeven dat het land van oorsprong Turkije is, stelt het Hof dat blijkens de stukken van het geding en informatie van de Turkse autoriteiten vaststaat dat er geen sprake is van een geldig EUR-1 certificaat en de preferentiële Turkse oorsprong niet is aangetoond, zodat belanghebbende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op het preferentiële tarief. De Inspecteur heeft derhalve terecht de douanerechten nagevorderd.

Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en laat de UTB’s in stand.

Instantie: Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak: 03/11/2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4543