Naheffingsaanslag accijns voor ‘laten vervoeren’ van sigaretten

Bij een doorzoeking in de woning van belanghebbende zijn op 10 april 2014 door de Douane grote hoeveelheden tabaksproducten aangetroffen. Deze tabaksproducten waren voorzien van Luxemburgse accijnszegels. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd. In bezwaar stelt de advocaat van belanghebbende dat de tabaksproducten die in het huis zijn aangetroffen alleen voor eigen gebruik van belanghebbende en zijn echtgenote zijn bestemd. De producten worden niet in voorraad gehouden voor verkoop. Daarnaast blijkt uit het bezwaarschrift dat belanghebbende de producten niet altijd zelf haalt, maar dat hij er wel voor zorgt dat hij of degene die de goederen meebrengt, per rit nooit meer dan 800 sigaretten en 1 kilo tabak meebrengt per persoon.

In beroep stelt de rechtbank als feit vast dat in Luxemburg uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden en dat Luxemburgse accijns is betaald over de tabaksproducten. Anders dan de Inspecteur betoogt, kan heffing van accijns daarom niet op artikel 2 lid 1 van de Wet op de accijns (hierna: Wet) worden gebaseerd. Om te bepalen of Nederlandse accijns kan worden geheven, moet in een situatie als de onderhavige worden gekeken naar artikel 2d en 2e van de Wet. Artikel 2d lid 3 van de Wet voorziet in de verschuldigdheid van accijns voor het geval geen sprake is van eigen vervoer maar van ‘laten vervoeren’.

Volgens de rechtbank staat vast dat belanghebbende de tabaksprodcuten niet zelf heeft vervoerd. Voor de bepaling of sprake is van ‘laten vervoeren’ als bedoeld in artikel 2d lid 3 van de Wet worden belanghebbende en zijn echtgenote als eenheid gezien. De rechtbank acht de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat voor de gehele hoeveelheid rookwaar sprake is geweest van ‘laten vervoeren’ door een derde. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek hebben belanghebbende en zijn echtgenote verklaard dat de tabaksproducten door een vriend zijn gebracht. Latere afwijkende verklaringen van de echtgenote en haar vader acht de rechtbank niet geloofwaardig omdat o.a. er geen afdoende verklaring is gegeven waarom de nieuwe verklaringen afwijken van de eerdere verklaringen.

Dat de derde de tabaksproducten heeft vervoerd vóór belanghebbende en zijn echtegenoten, doet er niet aan af dat sprake is van ‘laten vervoeren’. Uit het arrest van het HvJ EU in de zaak Joustra volgt namelijk dat vervoer ‘door henzelf’ beperkt moet worden opgevat in de zin dat het moet gaan om persoonlijk vervoer (HvJ EG 23 november 2006, C-5/05, BNB 2007/66).

Nu voor de gehele hoeveelheid rookwaar sprake is van ‘laten vervoeren’, kan in het midden blijven of en zo ja in hoeverre sprake is van ‘voor eigen behoeften verkregen’ dan wel van ‘anders dan voor eigen behoeften voorhanden hebben’, waarover partijen ook twisten. In beide gevallen is het voorhanden hebben van de tabaksproducten namelijk een belastbaar feit. Omdat sprake is van ‘laten vervoeren’ is over de tabaksproducten Nederlandse accijns verschuldigd. Het maakt hierbij niet uit in hoeverre de tabaksproducten al dan niet voor eigen behoeften is bestemd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak: 04/03/2016

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:1473