Onregelmatig aan de accijnsschorsingsregeling onttrokken goederen – Te laat bewijsaanbod

X heeft onder schorsing van accijns een drietal zendingen overige alcoholhoudende producten – de goederen – verzonden naar een belastingentrepot buiten Nederland. Het belastingentrepot was kennelijk in het bezit van een vergunning op grond waarvan zij gerechtigd was om de goederen onder schorsing van accijns te ontvangen.

De douaneadministratie heeft de inspecteur bericht dat de zendingen niet zijn aangeboden bij het belastingentrepot en dat het belastingentrepot niet geautoriseerd is om deze goederen te ontvangen. De inspecteur heeft X meerdere malen verzocht om informatie te vertrekken op grond waarvan het eindigen van de overbrenging van de goederen naar het belastingentrepot overeenkomstig art. 2b, tweede lid, Wet op de accijns heeft plaatsgevonden, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, kan worden aangetoond. X heeft echter verzuimd informatie te verstrekken. Vervolgens heeft de inspecteur een naheffingsaanslag van EUR 194.306,49 opgelegd.

In het geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. X geeft ter zitting aan alsnog bewijs te kunnen leveren dat de goederen op hun bestemming zijn aangekomen en tevens wenst zij ter zitting de correspondentie gevoerd met het buitenlandse belastingentrepot te overleggen. De rechtbank heeft dit bewijsaanbod niet geaccepteerd omdat dit zo laat in de procedure is gedaan dat acceptatie daarvan indruist tegen een goede procesorde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat X niet eerder het bestaan van deze stukken heeft gemeld en geen goede verklaring kan geven voor het feit dat zij dit aanbod zo laat doet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van het onregelmatig aan de accijnsschorsingsregeling onttrekken van accijnsgoederen in de zin van art. 2, eerste lid, onder a, van de Wet op de accijns. Deze onregelmatigheid wordt ingevolge art. 2c, derde lid, van de Wet op de accijns geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden op het moment dat de zendingen de AGP van X hebben verlaten. Gezien het bepaalde in art. 51, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet op de accijns is de naheffingsaanslag dan ook terecht opgelegd.

Instantie: Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak: 22-05-2015

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:6901