Opgedreven prijzen middels een constructie leidt tot misbruik van recht, geen strafrechtelijk vervolgbare handeling

Bij de invoer van bepaalde landbouwproducten – waaronder kippenvlees – geldt dat aanvullende douanerechten verschuldigd zijn, wanneer de prijs van de producten ‘bij aankomst’ aan de buitengrens van de EU beneden een bepaalde minimumprijs ligt.

Belanghebbende handelt in kippenvlees en heeft middels een keten van transacties de prijs van (in te voeren) kippenvlees opgedreven om de heffing van aanvullende douanerechten te ontlopen. Aan de orde is de vraag of deze constructie misbruik van recht vormt.

Daarnaast staat in deze procedure onder meer de vraag centraal of de belanghebbende als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt en of de verlengde mededelingstermijn als bedoeld in art. 221, lid 4, CDW van toepassing is.

Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de vorengeschetste constructie misbruik van recht vormt. Daartoe neemt zij in aanmerking (i) dat de ‘cirkel’ waarbinnen de goederen worden verkocht en teruggekocht niet kwalificeert als een keten van ‘normale handelstransacties’, (ii) dat de transactiestructuur enkel is opgezet om aanvullende rechten te ontgaan en (iii) dat het behaalde voordeel in strijd met doel en strekking van de Uitvoeringsverordening is verkregen.

A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat het Hof Amsterdam hierbij is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Uit vaste rechtspraak van het HvJ EU is af te leiden dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een belastingplichtige voordelen uit het Unierecht verkrijgt door daarvan misbruik te maken. Misbruik van recht veronderstelt volgens de A-G “gebruikmaking van een ‘truc’, een opzetje dat a-typisch is voor het ‘normale’ handelsverkeer” of indien een transactie niet plaatsvindt in het kader van een normale handelstransactie.

A-G Van Hilten geeft voorts aan dat in art. 201, lid 3, CDW is opgenomen dat ook degene die gegevens voor de aangifte heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze gegevens niet juist waren en dientengevolge te weinig douanerechten zijn afgedragen, als douaneschuldenaar is aan te wijzen. De Hoge Raad heeft inmiddels bij arrest van 24 oktober 2014, nr. 13/04854, ECLI:NL:HR:2014:3017, BNB 2014/263, beslist dat de verstrekker van de onjuiste gegevens niet per se degene is die gegevens aan de aangever heeft gegeven, maar ook hij die aan een derde (foutieve) gegevens verstrekt met het oogmerk deze te doen gebruiken bij het opstellen van de aangifte. De middelen gericht tegen voorgaande dienen te falen.

Daarnaast is er nog een aantal middelen aangevoerd tegen het arrest van het Hof Amsterdam gericht op de Overeenkomst samenwerking Duitsland – Zwitserland, de schending van het Europees rechtelijk verdedigingsbeginsel en een vergissing van douaneautoriteiten als in art. 220, lid 2, onder b, CDW. Deze middelen dienen eveneens te falen.

Middel VIII met betrekking tot de (verlengde) navorderingstermijn dient volgens de A-G te slagen. De eerste drie UTB’s zijn uitgereikt na het verstrijken van de termijn van drie jaar, maar voordat de (verlengde) navorderingstermijn van vijf jaar ex art. 22e AWR was verstreken. Voor deze douaneschulden geldt volgens de AG dat de vraag moet worden beantwoord of het niet kunnen berekenen van de correcte (hoogte van de) douaneschuld, te wijten was aan een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Zij meent dat dit niet het geval is, nu uit de jurisprudentie van het HvJ EU lijkt te kunnen worden opgemaakt dat het HvJ EU ervan uitgaat dat misbruik van recht “niet bestraft moet worden (maar wel geherdefinieerd)”. Ervan uitgaande dat misbruik van recht geen strafrechtelijk vervolgbare handeling is, betekent dit volgens de A-G dat voor deze UTB’s waaraan misbruik van recht ten grondslag ligt, niet wordt toegekomen aan toepassing van de verlengde navorderingstermijn zodat deze te laat zijn opgelegd en moeten worden vernietigd. De laatste drie UTB’s zijn opgelegd binnen de normale termijn ex art. 221 lid 3 CDW dus daar speelt dit punt niet.

Instantie: Conclusie A-G Van Hilten, Hoge Raad – zaaknummer 14/02786
Datum uitspraak: 06-07-2015

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2015:1380