Prejudiciële vragen over bepaling douanewaarde bij extern douanevervoer

Verzoekster heeft op 2 juni 2011 aangifte gedaan voor extern douanevervoer van fietsen van China naar Rusland. De Belastingdienst in Letland (verweerster) heeft verzoekster op 5 juli 2011 bericht dat geen bewijs was ontvangen van beëindiging van het douanevervoer. Zij stelt dat de transactie niet voldoet aan de eisen uit artikel 29 en 30 van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: de verordening), dat betrekking heeft op de waardebepaling van douanegoederen. De Letse Belastingdienst heeft de douanewaarde daarom op grond van artikel 31 van de verordening vastgesteld. Dit artikel wordt toegepast indien er gegevens ontbreken. Verzoekster kreeg een beschikking tot betaling van douanerechten, antidumpingrechten en btw.

De bestuursrechter in Letland heeft deze beschikking vernietigd op grond van een ontoereikende motivering. Er was niet duidelijk waarom de Letse Belastingdienst niet over de juiste informatie beschikte en of zij in deze specifieke situatie over de informatie had moeten beschikken. Het hoger beroep van verweerster werd ongegrond verklaard. In cassatie stelt de Letse Belastingdienst dat de rechter geen rekening heeft gehouden met het feit dat er formulieren aan de rechter zijn overgelegd, waaruit blijkt dat sprake was van andere transacties tussen Chinese en Letse bedrijven met betrekking tot de export van fietsen en waaruit ook de prijs van die goederen blijkt. Ook zou de rechter geen rekening hebben gehouden met de nadere toelichting van de douane.

Een vergelijkbare zaak die de hoogste Letse rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voorgelegd is ingetrokken. Aangezien de rechter twijfelt over de uitleg van artikel 29 en 30 van de verordening en de uitleg van deze artikelen beslissend is in de beslechting van het onderhavige geschil, worden er prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU:

  1. Moet artikel 29, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat de in dat artikel genoemde methode ook van toepassing is wanneer de invoer van goederen en het in het vrije verkeer brengen daarvan in het douanegebied van de Gemeenschap het gevolg is van het feit dat gedurende het douanevervoer onttrekking aan het douanetoezicht heeft plaatsgevonden, en het aan rechten bij invoer onderworpen goederen betreft die niet voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, maar voor uitvoer uit de Gemeenschap zijn verkocht?
  2. Moet het woord „achtereenvolgens” in artikel 30, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, gelezen in samenhang met het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op behoorlijk bestuur en het beginsel dat besluiten moeten worden gemotiveerd, aldus worden uitgelegd dat de douane, om tot de conclusie te kunnen komen dat de methode van artikel 31 moet worden toegepast, in elk besluit dient aan te geven waarom de in de artikelen 29 en 30 genoemde methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen in de specifieke omstandigheden van het geval niet kunnen worden toegepast?
  3. Is het, om geen gebruik te maken van de methode van artikel 30, lid 2, onder a), van het communautair douanewetboek, voldoende dat de douane erop wijst dat hij niet beschikt over de benodigde informatie, of is de douane verplicht om de informatie te verkrijgen van de producent?
  4. Moet de douane aangeven waarom er geen gebruik is gemaakt van de in artikel 30, lid 2, onder c) en d), van het communautair douanewetboek genoemde methoden indien hij de prijs van soortgelijke goederen vaststelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 151, lid 3, van verordening nr. 2454/93?
  5. Moet in het besluit van de douane uitgebreid worden aangegeven welke in de Gemeenschap beschikbare gegevens als bedoeld in artikel 31 van het communautair douanewetboek er zijn, of kan de douane dat op een later tijdstip doen door tijdens de gerechtelijke procedure nader bewijs over te leggen?

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Datum verzoek: 27/01/2016

http://www.minbuza.nl/ecer/hof-van-justitie/nieuwe-hofzaken-inclusief-verwijzingsuitspraak/2016/c-zaaknummers/c-46-16-lc-customs-services.html