Ten onrechte afgegeven oorsprongscertificaten is geen ‘vergissing’ van de douaneautoriteiten ex art. 220, tweede lid, sub b CDW

Op naam en voor rekening van belanghebbende zijn aangiften ingediend voor het brengen in het vrije verkeer van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen met als aangegeven oorsprong de Filipijnen. Na onderzoek van de antifraudedienst van de Europese Commissie (OLAF) in de Filipijnen is gebleken dat de goederen zijn geproduceerd in Taiwan, vervolgens in de Filipijnen zijn ingevoerd en zonder enige bewerking weder uitgevoerd naar de Europese Unie. De Inspecteur heeft vervolgens UTB’s opgelegd voor antidumprechten en douanerechten omdat de goederen feitelijk als oorsprong Taiwan zouden hebben.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de UTB betreffende de antidumprechten ten onrechte is opgelegd aangezien het ten onrechte afgeven van oorsprongscertificaten door de Filipijnse autoriteiten is aan te merken als een vergissing ex art. 220, tweede lid sub b CDW. De Rechtbank volgt belanghebbende niet. Zij stelt dat de Filipijnse autoriteiten niet kunnen worden gezien als ‘douaneautoriteiten’ conform het CDW omdat het afgeven van oorsprongscertificaten niet is gebaseerd op wetgeving van de EU of een overeenkomst met de Filipijnen. Voorgaande brengt mee dat deze UTB gehandhaafd blijft.

Met betrekking tot de UTB omtrent de douanerechten stelt belanghebbende eveneens dat art. 220 CDW in de weg staat aan de uitreiking van de UTB. De Rechtbank stelt echter dat het vaste jurisprudentie van het HvJ EU is dat van een vergissing conform het CDW geen sprake is wanneer de bevoegde autoriteiten die de certificaten hebben afgegeven, zijn misleid met betrekking tot de oorsprong van goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen.

Met referte aan onder andere het arrest C-293/04 van het HvJ EU oordeelt de Rechtbank voorts dat een belastingplichtige geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten van oorsprong kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aanvaard, aangezien de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding geen beletsel voor latere controles vormt.

De Rechtbank oordeelt dat op grond van o.a. de uitspraken c-299/98 en c-438/11 van het HvJ EU belanghebbende zich niet met succes kan beroepen op het gebrek aan controle naar de juistheid van de aangeleverde gegevens van de ‘Forms A’ door de Filipijnse autoriteiten. Nu belanghebbende niet betwist dat de verstrekte gegevens onjuist waren en er geen verdere gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de Filipijnse autoriteiten hadden moeten weten dat de gegevens onjuist waren, oordeelt de Rechtbank dat er geen sprake was van een vergissing bij de autoriteiten en dat de douanerechten ook nagevorderd kunnen worden.

Aldus heeft de Rechtbank zowel de UTB met betrekking tot de antidumprechten als de UTB met betrekking tot de douanerechten gehandhaafd.

Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak: 07/08/2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:7852