Termijnoverschrijding aanbrengen goederen, geweigerde en teruggezonden goederen – ontstaan van de douaneschuld?

DSV, een Deense transport- en logistiekonderneming, heeft twee regelingen voor extern communautair douanevervoer gestart als aangever. De goederen werden vervoerd van Denemarken naar Zweden. De geadresseerde weigerde de goederen in ontvangst te nemen, waarna deze zijn teruggebracht naar de vrijhaven in Denemarken zonder dat de goederen waren aangeboden aan de douanekantoren in Denemarken of daarna in Zweden. De documenten voor douanevervoer zijn niet geannuleerd. DSV betoogt dat zij de goederen opnieuw, tezamen met andere goederen, heeft verzonden naar Denemarken en dienaangaande opnieuw een regeling douanevervoer heeft gestart als aangever.

De eerste twee regelingen voor extern communautair douanevervoer zijn niet gezuiverd. Dienaangaande vordert de Deense douane betaling van douanerechten op de voet van art. 203, subsidiair art. 204 CDW. DSV stelt dat de goederen van de eerste zending nu waren inbegrepen in de tweede zending en derhalve geen douanerechten verschuldigd kunnen zijn.

Voorts heeft DSV aftrek van de gevorderde btw geclaimd, welke werd geweigerd door de Deense belastingdienst. De Deense rechter heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU omtrent de toepassing van art. 203, lid 1, art. 204 CDW. Tot slot is er een prejudiciële vraag gesteld of een nationale bepaling die btw aftrek uitsluit van vervoerders aan art. 168, onder e, van de Btw-richtlijn in de weg staat.

Het HvJ EU maakt onderscheid tussen het geval dat bewezen is dat de goederen op een tweede regeling douanevervoer waren overgebracht en in het geval dat dit niet bewezen kan worden. Een douaneschuld ex art. 203 CDW ontstaat niet reeds op basis van het enkele feit dat goederen die onder een regeling douanevervoer zijn geplaatst, na een vruchteloze poging tot levering zijn teruggebracht naar de vrijhaven van vertrek, zonder te zijn aangebracht bij het douanekantoor van de plaats van bestemming of het douanekantoor van de vrijhaven van vertrek, indien is vastgesteld dat deze goederen aansluitend, volgens de regels gezuiverde regeling douanevervoer, opnieuw zijn vervoerd naar hun plaats van bestemming. Het enkele niet aanbrengen in Zweden is nog geen onttrekking aan de douaneregeling. Als bewezen wordt dat de goederen van de eerste zending op een juiste wijze middels een tweede zending zijn overgebracht, dan is er definitief geen sprake van een onttrekking. Als dit niet bewezen kan worden, is er wel sprake van onttrekking aan het douanetoezicht. De enkele overschrijding van de termijn leidt niet tot een douaneschuld.

Het HvJ oordeelt voorts dat, voor zover geen sprake is van een douaneschuld ex art. 203 CDW, art. 204 CDW van toepassing is, omdat niet voldaan is aan de verplichtingen van de douaneregeling. De goederen zijn immers te laat aangebracht bij het douanekantoor van de plaats van bestemming, mits is voldaan aan de in de artikelen 356, lid 3 , of 859, tweede streepje en punt 2, onder c), gestelde voorwaarden (klaarblijkelijke nalatigheid). Het is aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

Het HvJ EU oordeelt tot slot dat art. 168, onder e, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de aftrek uitsluit van de btw bij invoer welke is verschuldigd door de vervoerder die noch de invoerder, noch de eigenaar is van de betrokken goederen, doch enkel in het kader van zijn activiteit als vervoerder, het vervoer heeft verzorgd, als deel van zijn, aan btw onderworpen, transportdienst.

Instantie: HvJ EU
Datum uitspraak: 25 juni 2015

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130d558e6ad4e5d67440183df9fa20d38a160.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4ObNqRe0?text=&docid=165239&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=128402