Utb terecht opgelegd door manifeste nalatigheid

Aan eiseres is op 20 juli 2010 vergunning met bijzondere bestemming verleend met ingangsdatum 19 juli 2010 en einddatum 19 juli 2013. De vergunning is afgegeven voor diverse bewerkingen van bevroren vis. In het aanvraagformulier was in eerste instantie bij de aanzuiveringstermijn ingevuld ‘4 maanden’, maar de ‘4’ is handmatig doorgehaald en vervangen door ‘7’. In de vergunning is de termijn wel op 7 maanden gesteld. In 2014 is bij eiseres een administratieve controle uitgevoerd op de naleving van de voorschriften voor de vergunning. Omdat de goederen van 22 aangiften die in de periode 14 december 2010 tot en met 23 oktober 2012 zijn aanvaard de bijzondere bestemming niet binnen de in de vergunning genoemde termijn hebben gevolgd, is op 8 juli 2014 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) ter hoogte van circa € 60 000 aan douanerechten op industriële producten aan eiseres opgelegd. Hoeveel tijd met de overschrijding van de zuiveringstermijn is gemoeid blijkt niet uit het dossier.

Eiseres is tegen deze utb in bezwaar en beroep gegaan en heeft zich op het standpunt gesteld dat de utb ten onrechte is opgelegd. Primair stelt zij dat, omdat verder aan alle voorwaarden is voldaan, op grond van artikel 212bis van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) de geweigerde gunstige tariefbehandeling wegens het bereiken van de bijzondere bestemming van toepassing is.  Subsidiair heeft eiseres gesteld dat het haar verweten verzuim geen wettelijke gevolgen heeft gehad voor de juiste werking van de regeling bijzondere bestemming, omdat de overschreden termijn probleemloos verlengd had kunnen worden. Voorts is volgens eiseres aan alle voorwaarden van artikel 859 van de Toepassingsverordening CDW voldaan. De inspecteur is van mening dat artikel 212bis van het CDW toepassing mist. Daar komt volgens verweerder bij dat er sprake is van manifeste nalatigheid van eiseres.

Volgens de rechtbank  staat vast dat de in de vergunning gestelde termijn is overschreden en dat er daarom niet is voldaan aan een van de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling met toepassing van de gunstige tariefbehandeling. Hierdoor is een douaneschuld ontstaan. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn  redenering met betrekking tot artikel 212bis van het CDW en stelt dat een beroep op die bepaling eiseres niet kan baten, aangezien haar gedrag van manifeste nalatigheid getuigt. Uit het feit dat eiseres in het aanvraagformulier de aanzuiveringstermijn heeft gewijzigd, leidt de rechtbank af dat zij zich bewust was van het belang van die termijn.

Artikel 859 van de Toepassingsverordening van het CDW mist volgens de rechtbank tevens toepassing. De wettelijke bepalingen omtrent de douaneregeling in het vrije verkeer brengen met toepassing van de gunstige tariefbehandeling, voorzien volgens de rechtbank niet in de mogelijkheid te verzoeken tot verlenging van daarin bedoelde termijn (ook al erkende de inspecteur dat in het verleden wel verlenging van de termijn op verzoek werd verleend). De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder de utb terecht en op de juiste gronden heeft opgelegd en verklaart het beroep ongegrond.

Rechtbank Noord-Holland 21 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3625

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:3625