Voorwaarden voor het afzien van navordering vervuld

Hof Amsterdam doet uitspraak na het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014, nr. 12/02517.

Aan beroepsaangever X zijn uitnodigingen tot betaling opgelegd voor de door X op eigen naam en voor eigen rekening gedane aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van zogenoemde self inflatable matrassen. X deed deze aangiften in opdracht van de importeur. Ter zake van de invoer heeft de douane de door belanghebbende opgegeven tariefpost steeds als heffingsgrondslag aanvaard. Uit het verwijzingsarrest van de Hoge Raad volgt dat het zich eenmalig voordoen van een actieve gedraging niet volstaat voor een beroepsaangever, zoals X, om daaraan een gewettigd vertrouwen te ontlenen met betrekking tot alle daaropvolgende gedane aangiften.

Met betrekking tot de uitnodigingen tot betaling, is volgens het hof wel aan de voorwaarden van art. 220, lid 2, sub b, CDW voldaan. Deze uitnodigingen tot betaling hebben betrekking op aangiften die hebben plaatsgevonden zowel na een door de inspecteur gehonoreerd verzoek om terugbetaling alsmede na een bij de importeur verrichte controle. Het hof overweegt dat X voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de matrassen onderwerp van onderzoek zijn geweest bij die controle en dat de indelingsproblematiek door de controleur is besproken met haar als aangever. Door vervolgens niet over te gaan tot navordering en in het controlerapport zonder voorbehoud te vermelden dat akkoord kon worden gegaan met de gehanteerde goederencodes, heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof een actieve gedraging verricht die relevant is voor de beslechting van het onderwerpelijke geschil. Het hof overweegt voorts dat ook is voldaan aan de tweede voorwaarde van art. 220 , lid 2 , sub b, CDW dat X de vergissing van de inspecteur redelijkerwijs niet kon ontdekken. Het hof heeft daarbij van belang geacht dat niet alleen de inspecteur zich tweemaal heeft vergist, maar ook dat in verschillende lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland, zowel juiste als onjuiste bindende tariefinlichtingen zijn verstrekt.

Met betrekking tot de derde voorwaarde ‘het voldoen aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte’ kan worden gesteld dat in het geding vóór cassatie tussen partijen niet in geschil was of aan de derde voorwaarde voor het afzien van navordering was voldaan. Het staat de inspecteur niet vrij om na verwijzing nieuwe geschilpunten op te werpen door nieuwe grieven aan te voeren. De inspecteur heeft daarom ten onrechte geweigerd de nagevorderde douanerechten terug te betalen en het door de inspecteur ingestelde hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:1078