Aanzienlijke strafvermindering voor belastingfraude vanwege forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een rechtspersoon die zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verder is aan verdachte oplichting en het gebruik maken van valse stukken ten laste gelegd.

Het Hof overweegt dat verdachte zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het indienen van valse aangiften omzetbelasting door onder meer een inruil van een personenauto niet te vermelden in de aangifte omzetbelasting. Verder overweegt het Hof dat verdachte onjuiste gegevens heeft verstrekt aan zijn accountant, waardoor het accountantskantoor onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend namens verdachte.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit oplichting is het Hof van oordeel dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide klant die op listige wijze misbruik heeft gemaakt van een rechtspersoon en de dga, door een leasecontract op naam van de rechtspersoon te laten stellen om zodoende de afgifte van goederen te bewerkstelligen. Het Hof overweegt verder dat verdachte zelf over (een deel van) de goederen heeft beschikt en zich daarmee bevoordeeld heeft. Het Hof komt derhalve tot een bewezenverklaring.

Tot slot is het Hof van oordeel dat – aan de hand van getuigenverklaringen en onderzoeksgegevens van de politie – bewezen kan worden verklaard dat verdachte ten behoeve van een hypotheekaanvraag een valse werkgeversverklaring en valse loonstroken heeft gebruikt om de hypotheekverstrekker, een bank, te misleiden.

Het belastingnadeel van de bewezenverklaarde feiten bedraagt ruim € 88.000. Gelet hierop acht het Hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden, conform de oriëntatiepunten. Het Hof zal – gelet op het feit dat de redelijke termijn fors is overschreden, de verdachte is ter zake van de betreffende feiten in 2008 respectievelijk 2009 in verzekering gesteld  – volstaan met de door de A-G gevorderde taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3347

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:3347