Boetebeschikking voortijdig en daarmee onterecht opgelegd

De inspecteur heeft bij brief van 26 februari 2015 aan belanghebbende, een samenwerkingsverband van twee broers, een verzuimboete opgelegd ter zake van het niet (tijdig) doen van aangifte omzetbelasting. Volgens de inspecteur zijn de twee broers ondernemer in de zin van de omzetbelasting, omdat zij actief bezig zouden zijn geweest met asfalteringswerkzaamheden.

Ter onderbouwing van de verzuimboete heeft de inspecteur een viertal processen-verbaal van de politie overgelegd in verband met meldingen dat de broers sinds 2011 diensten als asfalteerder zouden hebben aangeboden aan (potentiӫle) klanten. Een van de broers was bij één van de staandehoudingen niet aanwezig en bij een andere staandehouding is alleen het paspoort van één van de broers in de auto van de andere broer gevonden. In het proces-verbaal van de politie van 16 januari 2015 zijn de broers samen staandegehouden en hebben zij verklaard dat zij werkzaamheden verrichtten.

De Rechtbank is van oordeel dat alleen uit het proces-verbaal van 16 januari 2015 valt op te maken dat er sprake is van een samenwerkingsverband. Nu het samenwerkingsverband op 26 februari 2015 dientengevolge nog niet in verzuim was, is de boetebeschikking naar het oordeel van de Rechtbank voortijdig en onterecht opgelegd. De Rechtbank vernietigt de boetebeschikking.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2483

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:2483