De Hoge Raad geeft uitleg over de reikwijdte van de verplichting van een belastingplichtige om in een civiele procedure materiaal te verschaffen

Zaak 14/02416

De civiele kamer van de Hoge Raad gaat in dit arrest nader in op de invulling van de term ‘wils(on)afhankelijk materiaal’. De belastingplichtige is geïdentificeerd als rekeninghouder van een of meer rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). De belastingplichtige heeft ontkend over een dergelijke rekening te beschikken. De Belastingdienst vordert in een civiele procedure op straffe van het verbeuren van een dwangsom overlegging van de bankbescheiden. Aan de hand van het inmiddels gewezen arrest van 12 juli 2013 oordeelde het hof dat aan het gebruik van de gegevens een restrictie wordt verbonden, omdat alle informatie als wilsafhankelijk materiaal moeten worden beschouwd en dat de mate van druk die uitgaat van de op te leggen dwangsom als substantieel is te kwalificeren.

In cassatie wordt geklaagd over de restrictie die het hof aan de overlegging van de gegevens heeft verbonden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bescheiden ten onrechte als wilsafhankelijk materiaal heeft aangemerkt. De Hoge Raad overweegt dat de kwalificatie van materiaal als ‘wilsonafhankelijk’ dan wel ‘wilsafhankelijk’ – welk onderscheid samenhangt met het zwijgrecht van de betrokkene – is verbonden aan de aard van het materiaal (of het in fysieke zin ‘bestaat’ onafhankelijk van de wil van de betrokkene). Het hof heeft volgen de Hoge Raad ten onrechte de wils(on)afhankelijkheid verbonden aan het antwoord op de vraag of de gevorderde bescheiden zonder medewerking van de betrokkene kunnen worden verkregen.

Zaak 14/02686

De inspecteur heeft informatiebeschikkingen opgelegd o.g.v. art. 52a AWR omdat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen in art. 47 AWR. Over die beschikkingen was nog een bezwaar- of beroepsprocedure aanhangig toen het hof het arrest in het onderhavige kort geding wees. De belastingplichtige voert in cassatie aan dat uit art. 52a lid 4 AWR voortvloeit dat alleen de inspecteur bevoegd is om het onderhavige kort geding aanhangig te maken. Dit middel faalt. De Hoge Raad overweegt dat de bevoegdheid in een burgerlijk geding om als partij op te treden toekomt aan natuurlijke en rechtspersonen. Op deze grond is de Staat bevoegd om als partij op te treden. Daarnaast is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om af te wijken van deze regel en een exclusieve procesbevoegdheid voor de inspecteur te scheppen.

Voorts klaagt de belastingplichtige in cassatie over het feit dat het hof geen beslissing heeft gegeven op het verweer dat de inspecteur het te verkrijgen materiaal niet in lopende procedures mag gebruiken en aan de veroordeling geen waarborg heeft verbonden. De Hoge Raad overweegt dat het arrest van 10 februari 1988 niet verhindert dat de inspecteur onder dwang bewijs vergaart ten behoeve van het opleggen van (navorderings)aanslagen waarover nog geen gedingen aanhangig zijn. Ook het middel dat een veroordeling tot het verstrekken van informatie op de voet van art. 47 AWR vergezeld moet gaan van waarborgen dat de te geven informatie niet zal worden gebruikt in lopende gedingen, faalt. De Hoge Raad overweegt dat niet wordt gesteld dat er gronden zijn om ervan uit te gaan dat de inspecteur het te verkrijgen materiaal in strijd met het arrest van 10 februari 1988 zal gebruiken ten behoeve van de bewijsvoering in lopende gedingen. Er is dan volgens de Hoge Raad geen aanleiding om reeds in de onderhavige procedure met die mogelijkheid rekening te houden. Het hof heeft, aldus de Hoge Raad, terecht overwogen dat eventueel gebruik van dit materiaal in strijd met het arrest van 10 februari 1988 in de procedure voor de belastingrechter aan de orde kan worden gesteld.

Hoge Raad, 24 april 2015

– RvdW 2015/594, ECLI:NL:HR:2015:1130 en ECLI:NL:PHR:2014:2347
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1130 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2347

– RvdW 2015/595, ECLI:NL:HR:2015:1128 en ECLI:NL:PHR:2014:2345
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1128 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2345

– RvdW 2015/604, ECLI:NL:HR:2015:1141 en ECLI:NL:PHR:2014:2348
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1141 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2348

– RvdW 2015/605, ECLI:NL:HR:2015:1135 en ECLI:NL:PHR:2014:2350
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1135 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2350

– RvdW 2015/606, ECLI:NL:HR:2015:1129 en ECLI:NL:PHR:2014:2346
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1129 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2346

– RvdW 2015/607, ECLI:NL:HR:2015:1117 en ECLI:NL:PHR:2014:2349
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1117 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2349

– RvdW 2015/602 of V-N 2015/27.6, ECLI:NL:HR:2015:1137 en ECLI:NL:PHR:2014:2351
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1137 &
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2014:2351