Directeur publieke omroep veroordeeld tot taakstraf wegens subsidiefraude, fraude met facturen en aannemen giften: Salduz-verweer slaag niet

Verdachte werd ervan verdacht zich gedurende enkele jaren als directeur van een publieke omroep te hebben laten omkopen, hij zou hebben meegewerkt aan subsidiefraude en fraude met facturen en hij zou belastingfraude hebben gepleegd. Na zijn ontslag bij de omroep zou hij bovendien een overeenkomst hebben vervalst om intellectuele eigendomsrechten van de omroep elders te kunnen verkopen. Deze feiten worden door de rechtbank bewezen verklaard en verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 222 uur.

De raadsman heeft – tevergeefs – een zogenoemd Salduz-verweer gevoerd. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verdachte verklaarde dat hij door de hulpofficier tijdens de inverzekeringstelling in de gelegenheid is gesteld telefonisch contact te hebben met zijn gekozen advocaat alsook dat hij voorafgaande aan het eerste verhoor, nogmaals in de gelegenheid is gesteld met zijn advocaat te overleggen. Daarna zijn zij met goedvinden van de verdachte gestart met het verhoor.

Voorafgaand aan het tweede verhoor hebben de verhorende verbalisanten de verdachte voorgehouden dat deze een dag eerder in de gelegenheid was gesteld om telefonisch met zijn advocaat te overleggen. De advocaat heeft toen kennelijk gezegd dat hij een dag later persoonlijk langs wilde komen om zijn cliënt te spreken.
Hoewel uit beide opmerkingen van de verbalisanten in de processen-verbaal van verhoor niet ontegenzeggelijk blijkt dat de verdachte zijn raadsman voorafgaand aan het eerste en het tweede verhoor daadwerkelijk heeft gesproken, staat volgens de rechtbank voldoende vast dat de verdachte zijn raadsman in ieder geval voorafgaand aan zowel het eerste als het tweede verhoor heeft kunnen raadplegen. Bovendien is aan de verdachte voorafgaand aan elk van de verhoren de cautie gegeven.
Zoals de Hoge Raad in arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079, r.o. 2.7.3) heeft overwogen, komen aldus tot stand gekomen verklaringen in beginsel niet voor bewijsuitsluiting in aanmerking. De rechtbank ziet geen bijzondere redenen die in dit geval afwijking van deze hoofdregel rechtvaardigen, ook niet in de omstandigheid dat de verdachte zijn raadsman telefonisch zou hebben geconsulteerd in bijzijn van de verhorend ambtenaren.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2850

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:2850