Door zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn is oplegging van een gevangenisstraf wegens omvangrijke belastingfraude niet meer passend.

Verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte. De inkomsten die verdachte ontving naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking heeft hij buiten het zicht van de fiscus gehouden en niet vermeld in zijn aangiften. Daarnaast heeft hij geen melding gemaakt van zijn Zwitserse bankrekening waarop die neveninkomsten veelal werden overgemaakt en ook heeft hij geen opgave gedaan van zijn huis in Frankrijk.

De behaalde neveninkomsten bedragen meer dan twee miljoen euro. Het fiscale nadeel bedraagt meer dan één miljoen euro. De Rechtbank overweegt dat de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude van meer dan één miljoen euro uitgaan van een gevangenisstraf van 24 maanden.

De Rechtbank stelt evenwel vast dat in deze zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn met ruim 7 jaar en 8 maanden. Oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf is onder die omstandigheden niet meer passend. Wel verdient het handelen van verdachte, ondanks het gewicht van de lange onzekerheid waarin hij heeft verkeerd en de terugkerende aandacht in de media voor zijn strafzaak en de verantwoordelijkheid die hij heeft genomen en getoond voor zijn handelen, opleggen van een straf. Alles afwegend komt de de Rechtbank tot een werkstraf van de maximale duur van 240 uur, met aftrek voor de tijd die is doorgebracht in voorarrest.

Rechtbank Rotterdam, 12 oktober 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2015:7234