Grove schuld van administratiekantoor niet toe te rekenen aan belanghebbende

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd, in verband met door belanghebbende voor privédoeleinden aan werknemers ter beschikking gestelde auto’s. De inspecteur heeft eveneens vergrijpboeten wegens grove schuld van 20% opgelegd. In geschil is onder meer of de boetebeschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft haar boekhouding en aangiften doen verzorgen door een administratiekantoor. Ter zitting is gebleken dat belanghebbende niet beschikt over enige fiscale kennis, dat zij al jaren naar tevredenheid de boekhouding door hetzelfde kantoor laat verzorgen, dat zij alle relevante bescheiden daartoe inleverde en dat het kantoor aan de hand daarvan de boekhouding opmaakte en de fiscale aangiften verzorgde. De vraag is of grove schuld van het administratiekantoor aan belanghebbende kan worden toegerekend.

Het Hof overweegt dat uit jurisprudentie volgt, dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, er geen aanleiding is tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van de op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept.

Verder overweegt het Hof dat voor de vraag of belanghebbende grove schuld kan worden toegerekend, het van belang is of belanghebbende de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kon worden gevergd bij de keuze van het administratiekantoor alsmede bij de samenwerking met dat kantoor. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende in de keuze van het administratiekantoor zodanig onzorgvuldig is geweest, dat haar zelf het verwijt van grove schuld treft.

Evenmin slaagt het betoog van de inspecteur dat belanghebbende bekend moet worden verondersteld met de fiscale regeling, nu haar duidelijk had moeten zijn dat haar werknemers op enigerlei wijze voordeel hadden bij het gratis rijden in de auto’s, welke omstandigheid belanghebbende had moeten aanzetten tot nader onderzoek. Het Hof verwerpt dit standpunt en oordeelt dat de omstandigheid dat belanghebbende eventueel bekend is met de regeling niet relevant is, in die zin dat belanghebbende geen nader onderzoek hoeft te doen als er een deskundige is ingeschakeld. Het Hof ziet geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt en vernietigt de vergrijpboeten.

Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1945

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:1945