Hof acht vergrijpboete van 100% voor KBL-er passend en geboden

Naar aanleiding van het (welbekende) KBL-onderzoek – welk zich richtte op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij deze bank te Luxemburg – is gebleken dat belanghebbende in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen heeft opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de SA te Luxemburg. Om die reden zijn navorderingsaanslagen opgelegd, alsmede vergrijpboeten van 100%. In geschil is onder meer of de vergrijpboeten tot de juiste hoogte zijn opgelegd.

Ten aanzien van de boeten geldt dat op de inspecteur de bewijslast rust te bewijzen dat belanghebbende tegoeden en rentebaten opzettelijk niet heeft verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Er is komen vast te staan dat belanghebbende enige jaren rekeninghouder is geweest en het inkomen aanzienlijk hoger is dan in de aangiften is vermeld zonder dat daarvan melding is gemaakt. Belanghebbende heeft willens en wetens onjuiste aangiften gedaan omdat op deze wijze geen rente tot de aangegeven inkomsten en geen saldi tot de aangegeven vermogen dan wel bezittingen ter berekening van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen zijn gaan behoren. Belanghebbende kon er daarbij van uitgaan dat de rekening buiten het zicht van de Belastingdienst zou blijven omdat de rekening was geopend in een land met een bankgeheim. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gegevens te verschaffen die leiden tot een ander oordeel.

Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende er bewust voor heeft gekozen een rekening-courant en een beleggingsrekening aan te houden in een land met een bankgeheim teneinde het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof een boete van 100%. Het Hof acht op grond van de feiten en omstandigheden een boete van 100% ook passend en geboden.

Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:442