Hoge Raad geeft verduidelijking over het beslissingskader van feitelijk leidinggeven

In het onderhavige arrest gaat de Hoge Raad nader in op de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het ‘feitelijk leidinggeven’ aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging.

Na het aanhalen van de criteria uit het Drijfmestarrest gaat de Hoge Raad in op de vaststelling van opzet. Dit opzet kan op verschillende manieren worden vastgesteld. De Hoge Raad overweegt dat het opzet van een natuurlijk persoon onder omstandigheden aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, maar dat voor opzet van een rechtspersoon niet is vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijk leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijk leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijk leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijk leidinggever zijn.

De Hoge Raad overweegt voorts dat feitelijk leidinggeven vaak zal bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan ook sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Tevens kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Ook een meer passieve rol kan onder omstandigheden tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

Na deze algemene uiteenzetting worden de concrete cassatiemiddelen behandeld, die geen van allen tot cassatie kunnen leiden en (grotendeels) worden afgedaan middels art. 81 RO.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:733