Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de Nederlandse taal niet machtig is

Aan belanghebbende zijn ambtshalve aanslagen IB/PVV en ZVW over het jaar 2010 opgelegd. De inspecteur heeft hierbij tevens een verzuimboete opgelegd en deze vastgesteld op € 226. Belanghebbende heeft vervolgens aangifte IB/PVV over het jaar 2009 gedaan. De aangifte is door de inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslagen IB/PVV en ZVW 2010. De inspecteur heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen bij de Rechtbank thans in geschil is.

Belanghebbende voert aan dat de verzuimboete een punitief karakter heeft en dat daarmee de strafrechtelijke waarborgen en de waarborgen die zijn neergelegd in het EVRM onverkort gelden. Belanghebbende stelt dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en dat de verzuimboete niet bekend is gemaakt in de taal die belanghebbende machtig is. De werking van de boetebeschikking, waaronder de bezwaartermijn, wordt volgens belanghebbende opgeschort totdat hij op een voor hem begrijpelijke wijze op de hoogte wordt gebracht van de verzuimboete.

Het niet beheersen van de Nederlandse taal ligt naar het oordeel van de inspecteur in de risico sfeer van belanghebbende. De inspecteur voert ter onderbouwing onder meer aan dat belanghebbende directeur is van verschillende in Nederland gevestigde vennootschappen en dat hij hiermee deelneemt aan het economisch verkeer in Nederland. Dit brengt volgens de inspecteur met zich mee dat er contacten zijn met onder andere de Belastingdienst en dat er fiscale verplichtingen gelden die sancties met zich meebrengen als niet aan die verplichtingen wordt voldaan. Voorgaande factoren brengen volgens de inspecteur met zich dat belanghebbende maatregelen had kunnen en moeten treffen om aan zijn verplichtingen te voldoen, bijvoorbeeld door het inhuren van een adviseur.

De Rechtbank is van oordeel dat – voor zover het bezwaar is gericht tegen de aanslag – onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat hij niet in staat is geweest zich tijdig door een deskundige te laten bijstaan.

Voor zover het bezwaar is gericht tegen de verzuimboete is de Rechtbank van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid daarvan slechts kan worden uitgesproken indien kan worden vastgesteld dat de stelling van belanghebbende dat een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen, onjuist is. De bewijslast rust derhalve op de inspecteur. Omdat belanghebbende er in een later stadium in is geslaagd een gemachtigde in te schakelen, ziet de Rechtbank niet in waarom dit in een eerder stadium niet mogelijk zou zijn geweest. Naar het oordeel van de Rechtbank is het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en heeft de inspecteur voldaan aan zijn bewijslast.

Rechtbank Den Haag, 1 oktober 2015

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:11852