Inspecteur maakt opzet en grove schuld niet aannemelijk; Rechtbank vernietigt vergrijpboete

Door de inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar de aan- en verkoop van grond door belanghebbende. De inspecteur is naar aanleiding van het onderzoek van oordeel dat belanghebbende – op papier – een deel van de verkoopwinst heeft doen toekomen aan zijn kinderen waardoor zijn inkomen te laag is vastgesteld. Aan belanghebbende is daarom een navorderingsaanslag met vergrijpboete van 50% opgelegd. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een vergrijpboete is opgelegd. Hij meent dat door de inspecteur niet is aangetoond dat sprake is van opzet. Ook betwist belanghebbende dat hij zich heeft bezig gehouden met een constructie om belastingheffing te ontgaan. Voorts voert hij aan dat hij niet wist dat het behaalde voordeel van de grond bij hem belast was, omdat niet hij maar zijn drie kinderen die opbrengst zouden hebben genoten.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zijn kinderen heeft laten opnemen in de transportakten, waardoor het lijkt alsof zijn kinderen een onbelaste vermogenswinst hebben behaald. Volgens de inspecteur blijkt uit alle documenten en verklaringen dat belanghebbende vanaf begin tot eind onder eigen naam en voor eigen risico betrokken was bij het tot stand komen van de desbetreffende transacties. Om die reden stelt de inspecteur dat primair sprake is van opzet. Subsidiair voert de inspecteur aan dat sprake is van grove schuld, nu belanghebbende had moeten weten dat het behaalde voordeel bij hem belast is.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur (voorwaardelijk) opzet niet heeft kunnen bewijzen. Hierbij overweegt de Rechtbank dat de inspecteur geen concrete feiten heeft gesteld, laat staan bewezen, waaruit zou kunnen volgen dat belanghebbende ten tijde van het indienen van de aangifte wist dat het behaalde voordeel, ondanks dat hij dit niet zelf had genoten, bij hem belast was. Daarbij overweegt de Rechtbank dat bij belanghebbende de gedachte heerste dat het door zijn kinderen genoten voordeel niet bij hem belast zou worden. De Rechtbank oordeelt mitsdien dat niet kan worden gezegd dat belanghebbendes wil erop gericht was een bij hem belast voordeel buiten de heffing van IB/PVV te laten. Veeleer zou belanghebbendes wil er dan op gericht zijn geweest om een fiscaal gunstige route te kiezen. Voor deze gedraging kan naar het oordeel van de Rechtbank geen vergrijpboete worden opgelegd.

De Rechtbank is verder van oordeel dat de inspecteur evenmin heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat sprake is van grove schuld. Uit de enkele stellingname van de inspecteur dat belanghebbende zijn kinderen in belanghebbendes plaats in de transportakten van levering heeft laten opnemen volgt naar het oordeel van de Rechtbank immers niet dat belanghebbende had moeten weten dat het voordeel bij hem belast is.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

Rechtbank Noord-Nederland 28 juni 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3158

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:3158