Integrale vrijspraak voor verdachte

Verdachte is ten laste gelegd het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige aangifte omzetbelasting. Aan verdachte is ten laste gelegd het feitelijk leidinggeven, doen plegen, plegen en medeplegen van dit feit. Daarnaast wordt de verdachte vervolgd voor valsheid in geschrifte.

Het hof komt tot een integrale vrijspraak van de verdachte, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van feitelijk leidinggeven. Daarnaast kan met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat sprake is van straffeloosheid van medeverdachte 1 dan wel 2, zodat geen sprake kan zijn van doen plegen. Ter zake van het plegen van de onjuiste aangifte overweegt de rechtbank dat daarvan slechts sprake kan zijn indien de verdachte degene was die gehouden was tot het doen van de betreffende aangifte. Verdachte kan niet als pleger worden aangemerkt omdat hij niet is uitgenodigd tot het doen van de aangiften. Ook van het medeplegen wordt de verdachte vrijgesproken nu er onvoldoende bewijs voorhanden is voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Evenmin kan uit de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte degene is die de aangiften vervalst heeft. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de verdachte vrij.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:2096