Kennis van leidinggevende werknemers omtrent onzorgvuldige en onregelmatige rittenadministratie wordt toegerekend aan de werkgever; boeten in zoverre terecht

Belanghebbende heeft auto’s ter beschikking gesteld aan haar werknemers [G], [A] en [B]. Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan de inspecteur kilometeradministraties overlegd.

Het Hof acht aannemelijk dat de rittenstaten door [G] onzorgvuldig achteraf zijn opgesteld. Belanghebbende heeft voor deze onzorgvuldigheden geen andere verklaring kunnen geven dan dat [G] de rittenstaten lichtvaardig heeft ingevuld. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat, zelfs indien de rittenstaten met behulp van agenda’s en klantdossiers zouden zijn opgesteld, belanghebbende met deze rittenstaten niet overtuigend kan aantonen dat [G] op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privé kilometers heeft gereden in de aan haar door belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven met betrekking tot de aan [G] ter beschikking gestelde auto’s. Werkneemster [G] was niet meer in dienst bij belanghebbende toen de rittenstaten bij het boekenonderzoek waren overlegd. Verder is door belanghebbende onweersproken gesteld dat [G] wekelijks de rittenstaten bij belanghebbende inleverde. De inspecteur heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende wist dat de rittenstaten achteraf werden opgesteld. De onzorgvuldigheden die hiervan het gevolg zijn acht het Hof niet van dien aard, dat deze bij een normale periodieke controle die van een werkgever mag worden verwacht aan het licht moesten komen. Volgens het Hof brengen deze feiten met zich dat de inspecteur met betrekking tot de correcties in verband met het privégebruik van de aan [G] ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte vergrijpboetes heeft opgelegd.

Als verklaring voor de onregelmatigheden in de rittenadministraties ten aanzien van de auto’s die aan [A] en [B] ter beschikking zijn gesteld is gegeven dat ritten veelal halverwege zijn afgebroken wegens ziekte, het afbellen van een klant of het niet doorgaan van een bijeenkomst. De papieren agenda’s – die ondersteunend bewijs konden leveren voor de onregelmatigheden in de kilometeradministraties – zijn tijdens een verhuizing weggegooid door medewerkers van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof dient deze omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende te komen. In ieder geval had uit de achteraf opgestelde rittenadministratie moeten blijken dat de daarin opgenomen bestemming nimmer was bereikt, hetgeen niet is geschied. Het Hof acht de door belanghebbende gegeven verklaringen voor de onregelmatigheden niet aannemelijk, zulks met gevolg dat niet overtuigend is aangetoond dat op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometers privé is gereden in de aan [A] en [B] ter beschikking gestelde auto’s.

Gelet op de leidinggevende functies van [A] en [B] moet, anders dan bij [G], de kennis die zij hadden omtrent het bijhouden van de rittenadministratie direct worden toegerekend aan belanghebbende. Volgens het Hof wist belanghebbende derhalve dat de rittenadministraties soms jaren later achteraf werden opgesteld, terwijl belanghebbende had moeten weten dat deze werkwijze het nagenoeg onmogelijk zou maken om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen, zeker als in ogenschouw wordt genomen dat onzorgvuldig wordt omgesprongen met informatiebronnen als papieren agenda’s. Het Hof acht het te wijten aan grove schuld van belanghebbende dat er te weinig loonheffing is afgedragen en acht de vergrijpboeten, die reeds zijn verminderd, passend en geboden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 februari 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:1468