Matiging vergrijpboete vanwege overschrijding redelijke termijn maximaal 20%

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting opgelegd, alsmede vergrijpboeten van 100%. Na verwijzing is nog in geschil of belanghebbende in verband met overschrijding van de redelijke termijn recht heeft op een verdere matiging van de boeten ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV dan de door de Rechtbank verleende 20%.

Belanghebbende stelt zich na verwijzing op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn in totaal 3 jaar en 5 maanden heeft bedragen en bepleit vanwege die overschrijding een matiging van meer dan 20%. De inspecteur betoogt dat de Rechtbank de litigieuze boeten vanwege overschrijding van de redelijke termijn met 20% heeft gematigd en dat er geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging.

Het verwijzingshof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in ieder geval meer dan twee jaar heeft bedragen. Het verwijzingshof overweegt dientengevolge dat voor het bieden van compensatie voor de uit de overschrijding voortvloeiende schending van de redelijke termijn, het uitgangspunt wordt gehanteerd dat de boete niet verder dan met 20% wordt gematigd bij een overschrijding van meer dan twee jaar. Het verwijzingshof sluit in dit verband aan bij jurisprudentie en overweegt dat belanghebbende in voldoende mate is gecompenseerd.

Belanghebbende betoogt echter dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaren niet volstaan kan worden met een vermindering van de opgelegde boeten met een vast percentage van 20%. Immers zou er in dat geval voor de inspecteur, respectievelijk de rechter, geen prikkel meer zijn om voortvarend te handelen. Belanghebbende betoogt dat aansluiting moet worden gezocht bij de jurisprudentie die geldt voor de berekening van de immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze loopt, in beginsel, op naarmate de overschrijding van de redelijke termijn voortduurt.

Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn standpunt. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om zijn uitgangspunten te heroverwegen. Ook vormt hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht niet een bijzondere – specifiek op belanghebbendes situatie betrekking hebbende – omstandigheid die voor het Hof aanleiding vormt om in belanghebbendes situatie van de uitgangspunten af te wijken. Het Hof matigt de boete dan ook niet verder dan met 20%.

Gerechtshof Amsterdam, 11 februari 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:1032