Officier van justitie niet-ontvankelijk voor deel van de tenlastelegging vanwege vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69, vierde lid, AWR

Aan verdachte, een 74-jarige man, is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door onjuiste aangiften omzetbelasting valselijk op te maken en in te dienen (feit 2), wat erin resulteerde dat te weinig belasting werd geheven (feit 1).

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, nu sprake is van de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69, vierde lid, AWR. Naar haar oordeel impliceert het opzettelijk bij de Belastingdienst indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting eveneens het valselijk opmaken en het gebruik maken daarvan, zodat het tenlastegelegde eveneens onder de reikwijdte van de vervolgingsuitsluitingsgrond valt.

De Rechtbank overweegt dat verdachte verweten wordt dat hij elektronische aangifteformulieren omzetbelasting heeft opgemaakt en vervolgens heeft ingediend. Deze elektronische aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het valselijk opmaken van deze aangiften ging naar het oordeel van de Rechtbank noodzakelijkerwijs vooraf aan het gebruik maken daarvan door deze aangiften, met één druk op de knop, bij de Belastingdienst in te dienen. De Rechtbank is  van oordeel dat het gaat om ten laste gelegde gedragingen die volledig met elkaar samenvallen. De Rechtbank verklaart de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift.  Ten aanzien van de ten laste gelegde belastingfraude  verklaart de Rechtbank de officier van justitie wel ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van het eerste feit is de Rechtbank van oordeel dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, door gedurende enkele jaren op structurele wijze onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst in te dienen. Daarbij heeft verdachte telkens de voorbelasting met relatief geringe geldbedragen verhoogd. Op deze manier is ten onrechte belastinggeld teruggevraagd en vervolgens door de Belastingdienst uitgekeerd. Het benadelingsbedrag waar de Rechtbank rekening mee houdt bedraagt € 119.000.

Gelet op onder meer de leeftijd van verdachte, acht de Rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren.

Rechtbank Amsterdam 27 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4722

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:4722